Deze ongelooflijke geschiedenis vond plaats op een stoomschip, dat met papierhout geladen van Noord-Finland naar een Hollandse haven voer. Het schip was eigendom van een Duitse rederij en de omstandigheden waren normaal, zoals ze nu eenmaal op Duitse schepen zijn: men werkt zich uit de naad voor het bankconto van de reder, de bemanning is terecht verbitterd, en iedereen reageert zijn gram af op de zwakkere, dat wil zeggen de scheepsjongen incasseert de klappen en de officieren spelen de baas.

Ongeveer twaalf uur van Uleaborg verwijderd, stampte de stoomboote eenzaam door de nacht. Het weer was druilerig en koud, zware, brede golven sloegen tegen de boeg van het schip zodat het golfberg af golfberg op ging, en de machine van inspanning hijgde. Behalve het naargeestige kraken van de hoog opgestapelde deklading, die iedereen in de weg stond en het alleen met levensgevaar toestond snel van boeg naar achtersteven te lopen, heerste er stilte aan boord. Het merendeel van de bemanning had geen wachtdienst en sliep, uitgeput door het werk, in de bedompte lucht van het logies. Tot opeens de ijzeren deur van het slaaphok werd opengerukt, de roerganger als een razende binnenstormde, brulde en aan de slapenden begon te sjorren zodat ze wankelend hun kooi uit sprongen en slaapdronken vloekten, wat er loos was!

En de roerganger bracht snuivend verslag uit: ‘Ik stond aan het roer, hield koers en doezelde wat voor me uit tot ik uit de machinekamer een kreet en onderdrukt gerochel meende te horen, vervolgens glipte er iemand door de kombuis de officierskajuiten in, waar algauw klappen en geschreeuw klonken. Nu kwam de ouwe, die achter mij in de kaartenhut was ingeslapen, de brug op en luisterde met mij mee. Toen kwam vliegensvlug, het schuim op zijn mond, gebochelde Wilm de trap op en sloeg met een stuk ijzer op de ouwe in! Wilm is mataglap geworden en heeft de machinist, de stuurlui en de ouwe van kant gemaakt.

Wilm was stoker op de stoomboot. Vanaf zijn geboorte gebocheld, door leven en werk oud, smerig, vervuild, niet om aan te zien zo goor, was hij op dit schip, zoals op ieder schip, in iedere havenkroeg en elk aanmonsteringskantoor doelwit van alle gemene grappen. Metterjaren leek hem dat niet meer te raken, hij pikte alles en dacht bij zichzelf: de mens is slecht! Maar achter dat maskerachtig star en afstotelijk uiterlijk brandde een ongekend hevig verlangen naar liefde; ook had hij in wezen een goed karakter. Op dit schip had hij nu voor het eerst bijna een vriend gevonden. Dat was de koksjongen, die had staan toekijken hoe hij kreunend de windas draaide waaraan de loodzware asemmers hingen die geleegd moesten worden; en de jongen, die het zelf heel beroerd had op de stoomboot, hielp hem bij het karwei. En Wilm, die eerst beducht was geweest voor nieuwe spotternij, maar ten slotte overtuigd raakte van de eerlijke kameraadschappelijke bedoelingen, geloofde bijna in een wonder.

Daarna zaten de twee vrij vaak in een werkpauze samen aan dek en staarden in de verte. Wilm zou voor de jongen door het vuur gegaan zijn. Hij hield van hem, niet gewoon zoals je houdt van een vriend die je eindelijk gevonden hebt, maar hij begeerde hem ook, want het was een knappe jongen, en de drift van de gebochelde onbevredigd en sterk. Maar hij wist ook dat dit verlangen volkomen hopeloos was en hem alleen maar het beetje vriendschap kon kosten, dus onderdrukte hij het en de jongen wist van niets. Maar wanneer de op macht beluste officieren hem koeioneerden, deed dat de stoker Wilm meer pijn dan welke vernedering ook die hemzelf werd aangedaan. Zodoende, met van heel diep losgewoelde gevoelens en driften, kwam hij op het idee, zich op de eerste de beste machthebbers van deze wereld te wreken! Zodoende stond hij nu in de noordelijke ochtendschemering op de commandobrug van zijn schip en hield hij een met bloed bevlekt stuk ijzer in de hand.

De woest gewekte bemanning was aan dek gekomen en belegerde loerend de brug. Niemand wist goed wat ze moesten doen. Het was een idiote situatie. Wilm keek hen aan, lachte wat schaapachtig en verlegen, kwam naar beneden en ging tussen de mannen staan, waar hij over zijn lichaam bevend bekende: ‘Jullie moeten me begrijpen: al dertig jaar ben ik de ellendigste, treurigste slaaf op alle mogelijke schepen. Op de Rode Zee, in Brazilië, in India stond ik voor de vlammende vuurovens. Waar de hitte het hevigst woedde, waar anderen bewusteloos ter aarde vielen, werd mij die genade niet deelachtig. In China liep mijn schip een epidemie op, ik verpleegde de zieken en stervenden, ik wou zelf sterven maar bleef gezond. Ik zwoegde verder, vertrapt, door spot verscheurd. Elk schip werd voor mij een vagevuur, elke haven een hel. Nu heb ik ze geveld, de kapitein, de stuurlui, de machinist, allen die ook jullie deemoedigden. Het schip behoort jullie, de lading is van jullie, jullie kunnen varen waarheen je wilt, en wanneer jullie werken dan werk voor jullie zelf.’ Voordat de verbouwereerde bemanningsleden hem konden tegenhouden, had hij hun met stomheid geslagen cordon doorbroken en zich in zee gestort.

Geschokt en hulpeloos keken de zeelieden toe. Het begon te regenen en ze werden nat, maar ze letten er niet op. Ten slotte beseften ze dat volgens de thans nog geldende wetten van deze wereld schip en lading de reder toebehoorden; en achter hem staat de macht, waartegen weinigen weinig konden doen. Zo zetten ze koers met het schip naar de dichtstbijzijnde haven, waar zij verslag uitbrachten van hetgeen er gebeurd was.

 

 

Voor het eerst gepubliceerd in Die Rote Fahne, 17.01.1928. Die versie was al ingekort, vooral in de slottoespraak, waar ook nog van ‘Genossen’ sprake is; Wilm heette eerst Jochen. (Gesammelte Werke, 1986, suhrkamp taschenbuch, 1990: dl 3, p. 101-103).