TWEE JONGE MENSEN vluchten een toren binnen die tot verdediging van de stad heeft gediend en beklimmen hem, zonder een woord te spreken. Ze willen hun zwijgen niet door verraad teniet doen en brengen in gedachteloze haast hun plan ten uitvoer. Halverwege zien ze een onbestemde flard van het landschap waarin de toren staat. Tussen de kilte van de muren tuimelen ze als in een ijsklomp naar boven: met open monden en gestrekte armen, in het idee met die halfware gebaren de afstand die ze willen afleggen kunstmatig te verkleinen. Nu blijkt dat het meisje door haar fantasie tot groter snelheid in staat is dan de geestelijk onvolwaardige jongen, en het is belangrijk vast te stellen dat zij, hoewel ze acht of tien trappen achter de jongeman, haar minnaar, aan naar boven klimt, in werkelijkheid vijftien of twintig traplengtes op hem voorligt. De geheel en al vensterloze toren is een voorpost van het donker en als zodanig heel duidelijk herkenbaar. Als ze eindelijk boven zijn aangekomen, kleden ze zich uit en vallen naakt in elkaars armen.
HET MEISJE zit op een bank onder een appelboom naast de hoofdpoort van een op een kasteel gelijkend bouwwerk dat in een hoog dal ligt en dat een deftig heer ontdekt heeft op een van zijn zwerftochten die hem van kerk naar kerk en van het ene bijzondere bouwsel naar het andere voeren. Hij blijft bij het tuinhek staan, gefascineerd door de schoonheid van het meisje dat lange vlechten draagt. Hij doet alsof hij iets in zijn notitieboekje schrijft, maar slaat in werkelijkheid onafgebroken het meisje gade. Hij wordt op zijn beurt gadegeslagen door de kloosterzusters die in de groentetuin werken, maar dat merkt hij niet. Hij wil de spanning die tussen hem en het meisje bestaat niet verstoren; daarom gaat hij ook niet naar haar toe om haar aan te spreken. Op een gegeven ogenblik echter, zo denkt hij, zal hij zich voorstellen en een gesprek met het meisje aanknopen. Hij zal over zijn reizen vertellen en het contact is op die manier snel gelegd. Hij zal verhalen van de wereld waarin hij leeft. Maar op het moment dat hij besluit op het meisje toe te stappen, steekt het meisje een lang bekoust been in de lucht en trekt met beide handen aan haar vlechten. Omdat ze niet kan praten, stoot ze onverstaanbare klanken uit. Ze trekt net zo lang aan haar vlechten, tot het bloed haar voor de ogen schemert. Nu pas bemerkt de heer dat hij zich op het terrein van een gesticht bevindt en verlaat dat terrein ogenblikkelijk, zonder acht te slaan op de kloosterzusters die het meisje beetpakken en naar binnen trekken.
DE VEERTIGJARIGE MAN rijdt sinds twaalf jaar op dezelfde autobuslijn. Als hij naar huis gaat denkt hij dat een ander de schuld draagt van zijn ongeluk. Niet hijzelf. Al weet hij ook niet met zekerheid wie die twaalf jaar durende marteling op zijn geweten heeft, de persoon in kwestie bedenkt hij met een schimpscheut. Hij slaat de hoek om, waar de violier zijn bladeren afwerpt. Maar natuurlijk ziet hij dat niet. Hij houdt een geblutste aktentas onder zijn arm geklemd, waarin hij die twaalf jaar iedere dag behalve zondag en de vakanties niet meegerekend zijn paar boterhammen heeft bewaard. Meestal eet hij ze niet eens op. Dat doen zijn kinderen, als hij thuiskomt. Op de plaats waar de weg het uitzicht vrijgeeft op het huis waarin hij met zijn gezin woont, kijkt hij voor het eerst op. Hij stelt zich voor dat zijn vrouw het eten op tafel zet en dat ze de kinderen naar bed brengt. Hij ziet plotseling hoe zijn vrouw haar bloeze uittrekt en over de stoelleuning hangt. Ze neemt van de kachel een kom met koffie, verkruimelt er witbrood in en lepelt hem uit. Hij krijgt het nu koud en maakt rechtsomkeert en gaat de weg die hij zojuist gekomen is weer terug. Hij loopt door het bos en kruipt bij zijn geliefde, die een laag huisje met een groentetuin bezit, in bed. Zijn vrouw zegt op dat moment tegen zijn kinderen: stil zijn, anders brengt het kerstkindje geen cadeautjes.
DE KASSIER in een ijzerfabriek is met een acht of negen jaar oudere vrouw getrouwd. Kort na het huwelijk beginnen de ruzies. Het is een grenzeloze afkeer waarmee ze alle twee inslapen en weer wakker worden. Ten slotte wordt de vrouw zwaar ziek, wat vermoedelijk verband houdt met haar kinderloosheid, geneest telkens weer, maar verliest dan plotseling haar spraakvermogen, zij kan zich alleen nog maar met haar handen verstaanbaar maken, thuis schrijft ze alles op kalenderbladen: ‘Ik wil weg’ bij voorbeeld, of ‘Het is mooi buiten’. Ze verafschuwt het als men medelijden met haar heeft. Ten slotte krijgt ze pijnen in haar benen en wordt ze helemaal stijf. Ze moet voortgeduwd worden in een rolstoel. Ze loert achter het raam. Als haar man thuis komt, moet hij met haar naar buiten. Steeds dezelfde weg, steeds verder. Ze dreigt hem met gebalde vuisten. Ze hongert naar altijd weer nieuwe huizen, nieuwe bomen, nieuwe mensen. Ingespannen kijkt ze boven haar paardedeken uit, tussen de bomen door langs de kant. Op een avond als hij haar vlak langs de rand van de weg voor zich uit duwt, keert hij het wagentje om en kipt haar in de afgrond. Ze kan niet schreeuwen. Het metalen wagentje versplintert. Dit gebeuren droomt hij. Maar hij zal zoiets met haar doen, denkt hij.
DE CELLISTE weet dat er tussen haar en de operettedirigent enkel weerzin bestaat. Niettemin glipt ze elke dag op hetzelfde uur door de deur van zijn kamer en bij hem in bed. De kwaal der dertigjarigen heeft haar in zijn greep gekregen en hoezeer zij zich er ook tegen verzet, het proces van haar verval schrijdt onstuitbaar voort. Onder de pannen van het conservatorium speelt ze die eindeloze sonates, waar ze zich als een dier bovenop stort, om ze aan stukken te scheuren. Met een ongelooflijke hardnekkigheid weigert ze te eten, dagenlang ligt ze dronken op bed, om dan met des te grotere energie haar vernietigwigswerk weer op te nemen. Ze verkoopt alles, staat plotseling alleen in een zwarte hoog gesloten jurk. Slaat haar instrument, het met beide handen bij de hals pakkend, kapot. Ze bespoedigt alles. Lacht. Is zwijgzaam. Na het laatste samenzijn met de operettedirigent zit ze in een donkere hoek van de gang op een artiestenkoffer en huilt.
DE GROOTGRONDBEZITTER droomt dat een van zijn arbeiders op een aantal plaatsen zijn landgoed omspit en dat overal een lijk te voorschijn komt. Hij laat de arbeider het hele terrein rond zijn huis omspitten, maar er is geen plaats waaronder niet een dode begraven ligt. Nu laat de grootgrondbezitter door honderden arbeiders al zijn land omspitten, maar dat blijkt inderdaad onder een dunne laag aarde te krioelen van de lijken. Ieder lijk dat aan het licht komt, het zijn lichamen van verschillende leeftijd en beiderlei geslacht, laat hij bij zich brengen en hij herinnert zich dat hij elk van hen eigenhandig vermoord heeft. De angst echter zelf gedood te worden, weerhoudt hem ervan zichzelf aan te geven. Hij komt op het idee naar de moordenaar of moordenares te laten zoeken. Daartoe organiseert hij een ambtenarenapparaat dat hij rijkelijk betaalt. Een paar dagen later al is er een moordenaar gevonden. Hoewel de grootgrondbezitter weet dat de man, die een totaal onbekende is, onmogelijk de moordenaar kan zijn, laat hij hem overdragen aan het gerecht, dat hem ter dood veroordeelt. De moordenaar wordt terechtgesteld. Op die manier vinden de ambtenaren nog vele moordenaars. Ze vinden ten slotte precies evenveel moordenaars als er vermoorden zijn. Ze worden allemaal terechtgesteld en begraven op het landgoed van de grootgrondbezitter. Nu wordt de grootgrondbezitter wakker en staat op. Hij gaat het bos in om vast te stellen hoeveel en welke bomen hij die herfst nog zal laten kappen. Die vraag houdt hem al dagenlang bezig.
DE ZUSTER VAN DE PASTOOR wordt op een dag ziek en als ze weer op de been mag, stellen de mensen vast dat de ziekte haar op het hoofd geslagen is. Zij doet wat een normaal mens onder normale omstandigheden nooit doet. Ze danst bij voorbeeld, zwaaiend met een mirtekrans, over het dorpsplein, waarbij ze haar tong uitsteekt en onverstaanbare klanken uitstoot. Het gebeurt ook dat ze plotseling onder de heilige mis naar het altaar stapt en uit een mandje rozebloesems begint te strooien. Of ze schrijft de bisschop een brief waarin ze meedeelt dat de Moeder Gods haar op het aardappelveld gezegd heeft dat Zij graag zou zien dat briefschrijfster van nu af aan in de kerk zelf zou wonen.
Niet dat men haar uitlacht, de mensen kijken schuw naar haar, laf. Zij laten zich door haar verhalen vertellen. Onder andere het verhaal dat iedere nacht waarin iedereen in het dorp zonder uitzondering slaapt, de Heiland over het plein loopt, gevolgd door zijn pijnigers, woordeloos, bloedend uit zijn wondetekenen. Op een avond verschijnt ze niet aan het avondeten dat in de keuken van de pastorie genuttigd wordt. Ze wordt gezocht. Niemand vindt haar. Pas de volgende ochtend ontdekken schoolkinderen haar, ingevroren in de grote ijsvlakte achter de brouwerij. Haar geopende mond is groter dan haar gezicht. Om haar hals heeft ze, als altijd, een gesteven kanten kraag. Haar armen heeft ze gespreid. Het water is snel bevroren.
Volgend fragment