Vorig fragment

DE ACTEUR treedt op in een sprookjesstuk, waarin hij de rol van de boze tovenaar speelt. Hij wordt in een schapevacht gestoken en in een paar veel te kleine schoenen, die zijn voeten afknellen. Het hele kostuum is zo onplezierig dat het zweet hem uitbreekt, maar dat ziet niemand, en hij doet trouwens niets liever dan voor kinderen spelen, want dat is het dankbaarste publiek. De kinderen, driehonderd, schrikken als hij opkomt, want ze zijn helemaal op de hand van het jonge paar, dat in twee verschillende dieren wordt veranderd. Het liefst zouden ze alleen maar het jonge, in bonte kleren gehulde paar zien, verder niets, maar dan was het stuk geen echt stuk en zou het al gauw vervelend worden; in een sprookjesstuk hoort van oudsher een boosaardige, ondoorzichtige figuur thuis, die het goede, doorzichtige probeert teniet te doen of in elk geval belachelijk te maken. Als nu ten tweeden male het doek opgaat, zijn de kinderen niet meer te houden. Ze stormen van hun stoelen het toneel op en het is alsof het er niet meer driehonderd zijn, maar een veelvoud daarvan en hoewel de acteur onder zijn masker huilt en hen smeekt toch op te houden met hun trappen en klappen, die zij hem geven met harde metalen voorwerpen, laten zij zich niet vermurwen en slaan net zo lang op hem in en stampen net zo lang op hem rond tot hij zich niet meer beweegt en zijn bleke verminkte handen stil in de stoffige lucht van de toneelzolder wijzen. Als de andere acteurs naderbij komen gesneld en vaststellen dat hun medeacteur dood is, barsten de kinderen uit in een reusachtig gelach, dat zo hard is dat ze daarin allemaal hun verstand verliezen.

EEN AANTAL SCHIMMEN stort zich op een huiswaartskerende handwerksman. Ze molesteren hem aan de oever van de rivier en laten hem liggen. Op het moment dat hij wil opstaan om zijn weg te vervolgen, zijn de schimmen weer terug en slaan op hem in. Ze trekken hem zijn jasje uit en drijven hem de rivier in. Ze duwen zijn hoofd onder water en halen lange messen door zijn gehoorgangen. Ze proberen hem zo lang onder water te houden dat hij stikt. Op een andere plaats komt hij uit zijn bewusteloosheid bij en gaat naakt verder. Opnieuw duiken de schimmen op en wurgen hem. Ze werpen hem in een kuil, een bomtrechter, en gooien die dicht. Hij komt weer bij en holt langs de spoordijk. De schimmen overvallen hem en gooien hem het donker in. Hij ontkomt en begint nog harder te rennen dan tevoren. Maar de schimmen halen hem in. Ze steken hem neer. Hij hoort zijn naam uit hun halzen. Ze gooien hem tussen twee steenblokken die naar elkaar toe bewegen en hem vermorzelen. Nu wordt hij wakker en doet het licht aan. Hij ontdekt zijn vrouw naast zich in bed. Hij schiet in zijn jasje en verlaat voor een paar uur het huis. ‘s Ochtends vroeg ziet men hem op zijn fiets naar het bouwterrein rijden.

DE PRESIDENT heeft een eigenaardigheid die iedereen opvalt die hem ontmoet: bij het kegelen en onder het bierdrinken, gedurende de nacht en tijdens de bijslaap, ja zelfs bij de parlementszittingen die hij leidt, nadat de grote omwenteling gekomen is. Diverse handbewegingen wijzen op die eigenaardigheid, die niemand kan verklaren, maar die zo duidelijk is, dat zij ook oningewijden niet ontgaat. De mensen beweren dat het een gevolg is van een ontwikkeling die men niet meer kan stoppen noch wil stoppen. Ze proberen zich momenten voor de geest te roepen waarop zij een verschijnsel waargenomen hebben dat voor de eigenaardigheid verantwoordelijk zou kunnen zijn. Er is geen twijfel aan dat iedereen weet waar het om gaat. Uit angst mogelijk ter verantwoording te worden geroepen vermijden ze er in het openbaar over te praten of te discussieren. Sterker nog: alle sporen worden bewust uitgewist. Maar het zit niet alleen in de ooghoeken van de president; het zit ook op andere plekken van zijn vette, rusteloze lichaam. Zelfs in zijn dromen. Het brengt bij iedereen die het ziet een spanning teweeg, die de eigenaardigheid na verloop van tijd op henzelf doet overslaan. Ten slotte zijn ze ervan bezeten. Die eigenaardigheid is niets anders dan het beestachtige.

DE PROFESSOR is tijdens zijn vlinderstudies krankzinnig geworden. Hij wordt eerst naar een inrichting gebracht, maar na twee jaar weer ontslagen, omdat men tot de slotsom is gekomen dat zijn krankzinnigheid voor de wereld niet gevaarlijk is. Hij had de hebbelijkheid met een vlindernetje door het park te springen wat, gezien de ranke gestalte van de professor, een vrolijke aanblik is. Hij neemt bijna geen maaltijden tot zich en op zijn wens laat men in zijn kamer een groot zwart schoolbord neerzetten, waarop hij het woord VREUGDE schrijft. Telkens wanneer hij dat woord VREUGDE heeft geschreven, belt hij de verpleger, die het met een grote spons weer moet uitvegen. Iedere keer krijgt hij daarvoor van de professor een geldstuk, zodat hij al een hele zak van dergelijke geldstukken bij elkaar heeft. Als de professor de inrichting moet verlaten, iets waarover hij zeer bedroefd is, vraagt hij het woord VREUGDE op het bord te laten staan. Hij zal de verpleger het bevel tot uitvegen geven op een tijdstip dat nog in de verre toekomst ligt. Het personeel van de inrichting is werkelijk ontroostbaar als de professor wordt afgehaald en naar het landgoed van zijn zuster gebracht. Daar kan hij zich weliswaar vrij bewegen, maar hij leeft alleen nog maar op zijn herinneringen aan het verblijf in de inrichting. Alles wat daarvoor ligt, heeft hij sinds lang vergeten. Hier op het landgoed, in de zomer, draagt hij witte en cremekleurige kleren. De boeren maken zich vrolijk over hem als ze hem, zwaaiend met zijn vlindernet, over een heuvel zien wandelen. Vanaf zekere dag echter wil hij het huis alleen nog ‘s nachts verlaten, wat zijn zuster en de huisarts, die hun hele leven in zijn dienst gesteld hebben, niet willen toestaan. Maar hij zet zijn wil door. Hij zegt dat hij de lichtjes wil vangen, ieder lichtje, want er is niets kostbaarders dan licht. Hij wil de lichten verzamelen, ze op een veilige plaats bewaren en er een boek over publiceren. Zo wandelt hij ongestoord door de nacht en vangt licht. Op een nacht komt hij op de spoorbaan. Hij houdt zijn vlindernet tegen de twee snel groter wordende lichten van de exprestrein. Als ze vlak voor hem zijn, vangt hij ze met een vlugge beweging van zijn kleine samengevouwen handen.

DE HUISSCHILDER is op een stelling geklommen en ziet zichzelf nu zo’n veertig of vijftig meter van de grond verwijderd. Hij leunt tegen een plank. Terwijl hij met een grote spaan in de bus roert, kijkt hij omlaag naar de mensen die de straat bevolken. Hij doet zijn best bekenden te ontdekken, wat hem ook lukt, maar hij is niet van plan naar beneden te schreeuwen, want dan zouden ze omhoog kijken en hem belachelijk vinden. Een belachelijke figuur in een vuilgele overal met een muts van krantepapier op zijn hoofd! De schilder vergeet zijn taak en kijkt loodrecht neer op die zwarte stippen. Hij komt tot de ontdekking dat hij niemand kent die zich in een even belachelijke situatie bevindt. Als hij nu veertien of vijftien was. Maar op zijn tweeendertigste! Gedurende deze overpeinzing roert hij onafgebroken in de verfbus. De andere schilders zijn te druk bezig om iets vreemds aan hun collega te zien. Een belachelijke figuur met een muts van krantepapier op zijn hoofd! Een belachelijke figuur! Een volstrekt belachelijke figuur! Opeens een gevoel alsof hij in die gedachte valt, erin en steil omlaag, in fracties van een seconde, en men hoort kreten, en als de jongeman beneden is neergekomen stuiven de mensen uiteen. Zij zien de omgekeerde bus verf bovenop hem vallen en meteen is de schilder overdekt met gele gevelverf. Nu heffen de voorbijgangers het hoofd omhoog. Maar de schilder is natuurlijk niet meer boven.

DE WISSELLOPER vlucht met zijn gevulde leren tas over de grens. Hij zwemt de rivier over en redt zich aan een uit het struikgewas stekende takstomp. Hij trekt zijn schoenen uit en zwerft barrevoets door het bos. Hoe verder hij zich van zijn dorp verwijdert hoe donkerder het landschap wordt. Ten slotte is hij overgeleverd aan de duisternis. Hij moet over moerasvlaktes kruipen en haalt zijn knieƫn open. Volgens zijn berekeningen had het al lang weer dag moeten zijn. Maar de duisternis verandert niet. Zelfs de schreeuwen die hij, zittend op een gevelde boomstam, uitstoot, zijn zonder echo. Dan ontdekt hij plots: ik mag niet schreeuwen! Hij ziet een lichtschijnsel, de omtrekken van een boerderij. Hij loopt er naar toe, de geldtas achter zich aan. Hij klapt de tas open en dicht en sleept zich weer voort. Hij denkt: ik mag er niet naar toe! De honger begint zijn werk en werpt hem ten slotte koortsig en wel in een greppel. Vlak voordat hij neerkomt, wordt hij wakker en stelt vast dat alles maar een droom was, waarvan niets rest dan zijn koortsige lichaam. Hij staat op en gaat naar buiten. Hij maakt een wandeling en kruipt pas om vier uur in de morgen weer in bed. Niettemin zegt hij de volgende dag zijn baan als wisselloper op en laat zich overplaatsen. Tegen zijn vrouw zegt hij dat hij liever in de stad wil wonen, tussen veel mensen, en daar was ook niet zoveel duisternis.

Volgende fragment