Vorig fragment

DE SPOORWEGWERKER die zeventien jaar lang zijn werk gedaan heeft tot tevredenheid van zijn superieuren en die van het gespaarde geld een huisje onderaan de spoordijk heeft gekocht, ontdekt op weg naar huis in het goederenstation een openstaande koelwagen, waarin geslachte varkens hangen. Omdat geen van de douanebeambten te bekennen valt die anders altijd bij de wagen staan, klimt hij, nieuwsgierig geworden, naar binnen om aan den lijve te kunnen vaststellen hoe koud het in de wagon is. Hij gaat zitten op een over de vloer gelegde plank en valt in slaap. Omdat de man in een hoek zit die buiten het blikveld van de douanebeambten ligt, wordt hij niet door hen ontdekt. Ze verzegelen de deur, daar ze hun controle al verricht hebben voordat de spoorwegwerker naar binnen klom. Vier dagen later vindt men de spoorwegwerker op het station van bestemming, dood op zijn plank gezeten temidden van de varkenskadavers. Eerst denken de mensen die hem vinden dat hij is doodgevroren, maar dan ontdekken ze dat de man, die alleen zijn werkkiel aanheeft en wiens identiteit dientengevolge raadselachtig is, helemaal niet doodgevroren kan zijn, aangezien de koelinstallatie van de wagon niet gewerkt heeft en het varkensvlees, zoals bij nader onderzoek blijkt, bedorven en niet meer te eten is. De mannen die de dode voorlopig naar het laadperron transporteren, vermoeden dat hij door de schrik opgesloten te zitten en te moeten doodvriezen getroffen is door een beroerte.

DE WAARD is met zijn vrouw en zijn twee zusters in het voorhuis bezig bloedworsten in een lange darm te stoppen en ze op te hangen om te drogen. Door gerstemeel toe te voegen heeft hij meer bloedworsten kunnen afbinden dan wettelijk is toegestaan, maar niemand die dat zal merken. Als het werk achter de rug is en ook de laatste resten van de slachtpartij die de hele dag geduurd heeft, zijn weggespoeld, stuurt hij de anderen naar bed. Als hij voor zijn huisdeur een luchtje schept en overlegt hoe hij de tafels voor het kerkfeest dat hij de komende zondag op het grasveld voor zijn huis wil organiseren, zal neerzetten, komt er een dronkeman aan, die hem zijn voornemen meedeelt om zich van kant te maken. Hij zal zich aan de eerste de beste boom verhangen, zegt hij. De waard lacht erom, sluit de huisdeur af en gaat naar bed. Als hij de volgende ochtend twee van de planken voor de schiettent naar de weide sleept, ontdekt hij aan een van zijn appelbomen de dronkeman van de vorige avond. Hij heeft zich inderdaad verhangen. Omdat nu echter op zondag op die plek het kerkfeest moet plaatsvinden, loopt de waard niet naar de rijkswacht om het voorval te melden, maar snijdt het lijk van de boom en laat het in het gras vallen. Hij spant een paard in en sjort het lijk op de bolderwagen. Vast besloten rijdt hij daarmee naar het bos dat op een half uur van zijn huis ligt. Hij bevestigt een ijzeren wiel aan het dode lichaam en laat het in een achter het bos liggende sloot glijden. Op die manier kan het kerkfeest ongestoord doorgang vinden. De mensen amuseren zich tussen de schiettent en de open keuken. Niemand komt ooit iets steekhoudends aan de weet over die dronkeman uit de buurgemeente, naar wie men weliswaar dagenlang zoekt, maar die men ook al gauw vergeten is.

EEN MACHINE die een soort guillotine is, snijdt van een zich langzaam voortbewegende rubbermassa grote stukken af en laat ze op een lopende band vallen die zich een etage lager bevindt en waaraan ongeschoolde vrouwelijke arbeiders zitten die de afgesneden stukken moeten controleren en ten slotte verpakken in grote dozen. De machine is pas negen weken in bedrijf en de dag waarop ze aan de fabrieksdirectie werd overgedragen zal niemand die bij die plechtigheid aanwezig was ooit vergeten. De machine was op een speciaal geconstrueerde spoorwagon de fabriek in gereden, en de feestredenaars legden er de nadruk op dat deze machine een der grootste verworvenheden van de moderne techniek vormde. Bij aankomst in de fabriek werd de machine begroet door een muziekkapel en de arbeiders en ingenieurs namen haar met ontbloot hoofd in ontvangst. De montage duurde veertien dagen en toen konden de eigenaars zich overtuigen van haar prestatievermogen en betrouwbaarheid. De machine moet alleen regelmatig, en wel om de week, met speciale soorten olie gesmeerd worden. Daartoe moet een der arbeidsters een stalen wenteltrap beklimmen en de olie door een ventiel langzaam ingieten. Men legt haar alles tot in de finesses uit. Niettemin glijdt het meisje zo ongelukkig uit, dat het onthoofd wordt. Haar hoofd valt net als de stukken rubber omlaag. De inpaksters aan de lopende band zijn zo ontzet, dat geen van hen kan schreeuwen. Ze behandelen het meisjeshoofd uit gewoonte precies als de stukken rubber. De laatste pakt het hoofd op en doet het in een doos.

DE JONGEMAN probeert een oude man te bewijzen dat hij, de jongeman, alleen is. Hij vertelt hem dat hij naar de stad is gekomen om mensen te leren kennen, maar dat het hem tot dusver niet is gelukt ook maar iemand te vinden. Hij had diverse middelen aangewend om het vertrouwen van de mensen te winnen. Maar hij had hen afgestoten. Ze lieten hem weliswaar uitpraten en luisterden ook naar hem, maar ze wilden hem niet begrijpen. Hij had cadeaus voor hen meegebracht, want met cadeaus kun je mensen tot vriendschap en aanhankelijkheid verleiden. Maar ze namen de cadeaus niet aan en hadden hem buiten de deur gezet. Dagenlang had hij er over nagedacht waarom ze hem niet wilden, maar hij was er niet achter gekomen. Hij had zich zelfanders voorgedaan om mensen voor zich in te nemen; hij was nu eens die en dan weer die geweest en het was hem gelukt een rol te spelen, maar ook op die manier had hij niemand voor zich weten in te nemen. Hij praat met zoveel heftigheid in op de oude man, die naast zijn huisdeur zit, dat hij zich plotseling schaamt. Hij doet een stap achteruit en stelt vast dat er in de oude man niets omgaat. Er is niets waarneembaar in de oude man. Nu holt de jongeman naar zijn kamer en ranselt zichzelf af.

DE MODELLEERLING, wiens leven meer methode bezit dan het leven van volwassenen, droomt dat hij een som niet kan oplossen en de uitkomst ook dan nog niet gevonden heeft als de leraar het huiswerk laat ophalen. De leraar roept de modelleerling voor de klas ter verantwoording en dreigt zijn ouders van het voorval op de hoogte te stellen. Zijn klasgenoten zijn vol leedvermaak en duwen de modelleerling, die lichamelijk een zwakkeling is, in een kanaal, waar hij slechts. met de grootst mogelijke inspanning weer uitkomt. De volgende dag durft hij de school niet meer binnen te gaan en blijft tot tien minuten na het begin van de school in de poort staan. Dan maakt hij rechtsomkeert en spijbelt. Hij dwaalt door een park en wordt plotseling ontdekt door de concierge, die dit aan de directie meldt. Nu schiet de modelleerling wakker uit zijn droom. Zwetend en halfnaakt stormt hij de slaapkamer van zijn ouders binnen. Maar hoe heftig en met welke middelen ze ook bij hem aandringen, hij vertelt hun niet de inhoud van zijn droom. Steeds opnieuw weigert hij die te vertellen.

STERKEREN dan hij bevelen hem een vrij lange passage in een boek te lezen, een passage die hij onmogelijk kan begrijpen, omdat hij zich nooit verdiept heeft in hetgeen in de passage staat. En hoewel ze telkens opnieuw tegen hem zeggen dat de inhoud van de passage eenvoudig is en hij haar daarom moet begrijpen, kan hij met wat er in gezegd wordt niets beginnen. Daarop sturen ze hem naar een andere kamer, waar hij een aantal vragen moet beantwoorden. Dat gaat hem gemakkelijk af, want de vragen zijn zo geformuleerd, dat hij ze ook aan de vragensteller had kunnen richten. Ten slotte komt de belangrijkste vraag, en hoewel hij zijn best doet die te beantwoorden, slaagt hij daar niet in. De sterkeren geven hem de tijd tussen elf en een uur en besluiten dan de vraag als onbeantwoord te laten gelden. Ze sturen hem voor de oplossing van zijn probleem naar een andere verdieping. Ze hebben hem een deurnummer genoemd, waarnaar hij nu op zoek is. Hij zoekt urenlang, en als hij van moeheid in elkaar zakt, begint hij opnieuw te zoeken, want er bestaat voor hem geen andere keuze dan het bewuste deurnummerte vinden. Ten slotte verliest hij het bewustzijn. Hij komt weer bij en zet het zoeken naar het deurnummer voort. Nu is hij al op de vierendertigste verdieping en nog heeft hij het deurnummer niet gevonden. De gangen zijn lang. Op een niet te voorzien punt monden ze uit in het donker. Op die manier heeft hij dagen nodig om tot aan de negenenzestigste verdieping te komen. Maar ook op de zeventigste en vijfenzeventigste verdieping vindt hij het deurnummer niet, hoewel het vooruitzicht het deurnummer te vinden naarmate hij hoger komt groter wordt. Elke deur kan het gezochte nummer zijn. Hij ontdoet zich van zijn kleren om sneller vooruit te komen. Hij verzint een methode die hem in staat stelt twee of zelfs drie deurnummers tegelijk te overzien. De fantasie dat hij voortdurend stimulerende middelen neemt, geeft hem tussen de negenennegentigste en de honderdtiende verdieping onvermoede krachten. Op de honderdvijftiende verdieping stort hij in. Maar een stem, die zich als een menselijke stem voordoet, zegt tegen hem dat het gebouw nog maar vier verdiepingen heeft. Dus krabbelt hij overeind en legt de laatste meters af. Als hij bij het laatste deurnummer is aangekomen, denkt hij dat het nummer dat de sterkeren hem hebben opgegeven helemaal niet bestaat. In werkelijkheid is hij het vergeten. Uit angst dat de sterkeren zouden kunnen denken dat hij gek is, blijft hij boven en verbergt zich achter een vuilnisbak. Daar wordt hij pas na maanden ontdekt.

DE COMMIES beroept zich op een mannenstem die hij, toen hij op weg was naar huis, aan het begin van de brug gehoord had. Die stem, zegt hij, had hem tot de als misdrijf omschreven handelwijze gebracht. ‘Die stem was zo indringend, dat ik er aan was overgeleverd. Maar misschien weet u, mijne heren, niet wat het is om beheerst te worden door zo’n stem. Die stemmen komen bij verrassing.’ Hij schildert zijn weg naar huis in alle details. Ja, zegt hij bij zichzelf, dat moet ik nog vertellen en dat ook, ik mag niet de geringste kleinigheid vergeten. Men ziet op zijn gezicht de geweldige inspanning die het herinneren hem kost. Zulke mensen, die tot de kleine ambtenarij behoren, staan dagelijks voor de rechtbank en het zijn juist hun precieze uiteenzettingen waar-mee ze de toehoorders vervelen. De commies zegt dat hij zijn leven helemaal niet gewild heeft, ‘maar je kunt het tenslotte toch ook niet, als je het eenmaal hebt aangenomen en waargenomen, meteen weer ongedaan maken, vernietigen.’ Hij was als kind altijd achteruitgezet. Hij probeerde weliswaar door een meer dan normale aandacht op te brengen de vriendschap van zijn leraren te winnen, maar dergelijke pogingen waren op den duur onzinnig gebleken. Hij kwam op een kantoor en werd oud. Hij trouwde, omdat zijn leeftijdgenoten in zijn categorie ook getrouwd waren, en verloor zijn vrouw door de onoplettendheid van een automobilist. Hij beschrijft hoe hij probeerde de aktentas van de bejaarde man uit diens handen te rukken. ‘Ik geloof,’ zegt hij, ‘dat toen het er werkelijk om ging de aktentas te pakken en weg te rennen, dat ik het toen helemaal niet meer wilde. Ik heb het nooit gewild. Nee,’ zegt hij. ‘Maar die man liet zich daar niet van overtuigen. Hij schreeuwde. Hij deed niets dan schreeuwen. En hoewel ik weg had kunnen rennen, bleef ik staan. Is dat niet genoeg bewijs voor mijn onschuld? Het was alsof ik plotseling een deel was van die man. Ik zei tegen hem waarom ik niet weg wilde rennen, maar hij luisterde niet. Hooggerechtshof, het is waar wat ik zeg. Het is allemaal waar! En zelfs als het een leugen was, is het waar. Mijne heren,’ zegt hij, ‘daarbij komt dat ik van nature een goed mens ben, niet zozeer goed misschien als wel respectabel. Ik verzoek u dat in aanmerking te nemen.’ De rechtbank heeft geen begrip voor hem en al helemaal niet voor een, naar men meent, gefingeerde mannenstem en veroordeelt de commies tot twintig jaar gevangenis. De maximale straf, want er was immers sprake van roof.