Vorig fragment
 
DE SCHOORSTEENVEGER die sedert veertig jaar in het dorp woont, maar die al die tijd een vreemdeling is gebleven en door niemand van de boeren en niemand van de dorpelingen voor vol wordt aangezien en door iedereen wordt veracht, omdat hij het nog niet tot het kleinste, in het kadaster opgetekende stukje grond heeft gebracht, is op weg naar huis van een cafe waar een drinkgelag heeft plaatsgevonden. Hij is zo dronken, dat hij zich in de weg heeft vergist en een richting uitloopt die precies tegengesteld is aan die waar zijn behuizing ligt. Op de plek waar het melkplankier staat waarop de boeren ‘s ochtends vroeg de melkbussen neerzetten voor de wagen van de zuivelfabriek trekt hij zijn jas uit en gooit hem weg. Een paar stappen verderop doet hij een ontdekking. Hij vindt midden op de weg een man die zonder twijfel dood is. De schoorsteenveger heeft dat niet in de gaten en bukt zich voorover. Hij praat tegen de dode, een boer die op weg naar huis door een beroerte is getroffen, alsof het zijn beste vriend was; hij kust de dode en zegt dat hij blij is hem gevonden te hebben, nu was hij niet bang meer, want tot dan toe was hij bang geweest. ‘Niemand wil mij,’ zegt hij. Maar de man die daar voor hem lag, die was hem goed gezind. Hij alleen. Inderdaad kent de schoorsteenveger de dode. Hij noemt zijn naam. Hij waggelt een paar keer om hem heen en vervolgens sleept hij hem zover naar de rand van de weg dat de dode in een beek rolt. Hij is nu helemaal onder de sneeuw gewoeld. Hij komt naast hem liggen, zegt de schoorsteenveger, en zal bij hem blijven slapen. Dat doet hij ook. Hij gaat naast de dode liggen en drukt zijn warme lichaam tegen diens stijfbevroren lijf. Hij slaapt meteen in.
 
DE VEEDRIJVER stelt zich op weg naar T. voor dat hij in een positie was om alle runderen van de hele provincie op te kopen. Hij ziet plotseling hoe de andere veedrijvers uit alle richtingen kuddes bijeendrijven, en middenin zit hij en koopt. Hij zit op een melkkrukje. Na verloop van tijd komen de veebezitters zelfs persoonlijk hun veestapel bij hem van de hand doen. Ze behandelen hem nu niet meer als een ordinaire veedrijver, zoals ze tot dan toe altijd gedaan hebben – ze nodigen hem zelfs bij zich thuis op hun voorname hoeves. Hij heeft een groot plein gepacht, om daarop het vee te kunnen onderbrengen. Ook knechten die het vee moeten voederen en de koeien melken. Ten slotte is er geen mens meer die nog met een rund bij hem komt; hij is nu in het bezit van alle runderen in de hele provincie. Geen stal waar nog een rund in staat, zegt iedereen. Dat bewijst dat hij de rijkste man van de provincie is geworden. Plotseling wordt het dicht opeengepakte vee onrustig, en het herkent de veedrijver als degeen die schuldig is aan de vreselijke situatie waarin het verkeert. Al gauw kunnen de voederknechten niet meer tussen de opeengeperste veemassa, die onafzienbaar is, en het vee krijgt honger en wordt opstandig en loopt te hoop. Op het moment dat twee gezwollen koeiebuiken de al buiten zinnen geraakte veedrijver vermorzelen, ziet hij weer de plaats T. voor zich liggen, waar hij naar toe moet, en hij slaat het rund dat voor hem over de hete landweg sjokt op het stuitbeen, zodat het om de pijn te verzachten een doffe klank uitstoot.
 
DE KIOSKHOUDSTER kijkt vanuit haar kiosk op het plein dat tussen het kanaal en de muur van het kerkhof ligt en waarop tweemaal per dag grote aantallen arbeiders in grijze werkkielen samendrommen en op bussen wachten. Het is zes uur ‘s avonds en zo ontvolkt als het plein er nu bijligt, zo overvol, zo tot stikkens toe grijs zal het er over zes of zeven minuten zijn. De vloedgolf van arbeiders zal uitstromen en het plein overspoelen. Als een eilandje zal uit die grijze massa de kiosk omhoog-steken. De jongeren zullen het eerst komen, de ouden het laatst. In de loop van dertien jaar is het beeld voor haar kijkkast onveranderd geble-ven. Ze neemt een pakje tabak van de plank en schuift het over de toonbank. Dan legt ze haar ronde, kwabbige gezicht op haar ellebogen en kijkt naar de grote boom aan de overkant, die hoog de lucht in steekt, iets dat zij niet kan zien. Haar ronde borsten worden ingesnoerd door de stof van haar bloes, het is alsof ze ieder ogenblik naar buiten kunnen puilen. In die houding, geluidloos, wacht de kioskhoudster op haar minnaar. Die werkt, net als iedereen, op de fabriek. Hij is twintig jaar ouder, nog dikker, nog kwabbiger. Midden in dat beeld dat zij als een mistbank uit het plein ziet opwalmen, maakt zich walging van haar meester. Even kijkt ze nog intenser naar alles, zonder zich te verroeren. Maar dan trekt ze plotseling, tegen de voorschriften, het rolluik omlaag, haalt de kassalade te voorschijn, steekt die voorzichtig in haar boodschappentas en verlaat de kiosk. Ze vlucht de brug over en holt weg door de nauwe straatjes. De walging die de bedompte lucht van arbeiders, die nu achter haar rug uit iedere opening stroomt, bij haar teweeg brengt, kan ze met moeite wegslikken.
 
HET SCHOOLHOOFD laat de onderwijzer bij zich komenen beschuldigt hem ervan zich aan een van zijn leerlingen vergrepen te hebben. Hij weet niet wat hij moet zeggen, maar overplaatsing naareen anderdorp is onvermijdelijk. Waarschijnlijk echter zal hij zijn beroep als onderwijzer helemaal moeten opgeven. In elk geval moet hij aangifte doen bij de regionale schoolinspectie en de hele affaire zou nog wel eens veel ernstiger gevolgen kunnen hebben dan de zojuist genoemde. De onderwijzer rechtvaardigt zich in het geheel niet, hij houdt alleen vol dat hij zich niet aan de leerling vergrepen heeft, hij zou niet eens op het idee gekomen zijn een dergelijke handeling, die het hoofd niet kan nalaten uitvoerig te schilderen, te plegen. Maar hoe de onderwijzer zich ook verdedigt, het baat niets. Hij is per direct geschorst, zegt het hoofd, en laat hem gaan, zonder zijn hand uit te steken, wat hij anders wel pleegt te doen. Omdat de onderwijzer zich van geen kwaad bewust is, denkt hij dat na verloop van tijd zijn onschuld wel zal blijken en hij zal de periode van zijn schorsing gewoon als een vakantie beschouwen. Waarschijnlijk zal het niet eens buiten de schoolmuren komen, het gerucht. Maar hij vergist zich. Het gerucht verspreidt zich als een lopend vuurtje en zelfs de plaatselijke krant in de stad schrijft erover. Een man als de onderwijzer, schrijft ze, zou men achter slot en grendel moeten zetten. Voor zo iemand is geen straf te hoog. De jeugd en met name jongere kinderen moeten met alle middelen tegen zo iemand beschermd worden. Omdat de onderwijzer pas getrouwd is, is de zaak dubbel onplezierig voor hem. Zijn vrouw gelooft hem niet en verlaat hem als ze van de beschuldiging hoort. Vier dagen na zijn schorsing krijgt de onderwijzer al een dagvaarding voor het districtsgerecht. Niemand weet wat hij de dagen voor de zitting doet, in elk geval vertoont hij zich niet meer in het openbaar. Intussen is er niemand meer die niet op de hoogte is van zijn geschiedenis. Zijn huisbazin verlangt van hem dat hij verhuist en geeft hem de vooruitbetaalde huur terug. Een dag voor de zitting vindt men zijn lijk in een rivier met hoog water, op zeventien kilometer afstand van zijn woonplaats. Hij heeft, naar komt vast te staan, in geen geval zelfmoord gepleegd, maar is op een ongelukkige manier in de rivier gevallen en verdronken. Nu meldt de leerling zich en zegt dat het hele verhaal niet waar is, hij heeft het verzonnen om wraak te nemen op de jonge onderwijzer.
 
 
Volgend fragment