Vanaf zijn weinig konventionele debuut E in 1967, heeft Jacques Roubaud (geb. 1932) ononderbroken een verfrissend nieuw spoor getrokken door alle terreinen van de hedendaagse franse literatuur. Zowel op prakties als op teoreties vlak viel van meet af aan zijn strenge formele en matematiese aanpak op. Begrijpelik wanneer men weet dat Jacques Roubaud als hoogleraar wiskunde verbonden is aan de universiteit van Parijs X-Nanterre. In zijn baanbrekende studie La vieillesse d’Alexandre (1978) noemt hij zichzelf ‘iemand die zich, terwijl hij verzen schrijft, de vraag stelt naar hun mogelikheid’1. Men vindt daarin twee hoofdmotieven van Roubauds denken over poezie samengevat: 1) het verzenschrijven is niet langer vanzelfsprekend; 2) het verzenschrijven, om die reden, is onlosmakelik gekoppeld aan een voortdurende reflektie over dat schrijven zelf. Daar ik niet over de ruimte beschik om uitgebreid de kreatieve en teoretiese kontekst van Jacques Roubaud te schetsen, beperk ik me hier tot enkele opmerkingen met het oog op de vertalingen die volgen.
 
1. De krisis van het vers
In La vieillesse d’Alexandre volgt Jacques Roubaud op de voet het ontstaan en de ontwikkeling van de hedendaagse krisis van het versen zoals Mallarme argumenteerde: het vers is de gehele literatuur. Drie eeuwen lang was de aleksandrijn de onbetwiste zonnekoning van de franse poëzie. Onder de bestormingen van voornamelik Rimbaud, Lautréamont en Mallarmé komt daaraan, in de tweede helft van de negentiende eeuw, een eind. Wat overblijft is, zoals Mallarmé het in zijn diagnose karakteriseert, een ‘Crise du vers’.
Het eerste overweldigende antwoord op die krisis is, tussen 1910 en 1930 grosso modo, de formulering van het vrije vers. Die oplossing faalt echter om twee redenen: 1) het vrije vers is gedacht als een ‘anti-aleksandrijn’ en blijft als zodanig afhankelik van zijn tegenvoorbeeld; 2) het vrije vers bewaart dezelfde verhoudingen van de taal tot het vers als de aleksandrijn, en daardoor de traditionele metriek. Na de bloeiperiode van het vrije vers zijn de dichters getroffen door een welhaast algehele paralysie; óf zij schrijven naar het mutisme toe, óf zij hernemen de overgeleverde vormen (waaronder het vrije vers).
Tijdens de jaren zestig wordt het vrije vers, zoals de aleksandrijn een eeuw eerder, op zijn beurt het voorwerp van een heftige kritiek. Met name Denis Roche trok de vooronderstellingen van het vrije vers radikaal door tot aan zijn uiterste grenzen. Uiteindelik evolueerde hij niet alleen naar een poëzie die onleesbaar werd, erger nog: zij werd onschrijfbaar. Na Le mécrit (1972) heeft hij dan ook elke dichterlike aktiviteit opgegeven, met als laatste vaarwel de uitspraak: ‘De poëzie is ontoelaatbaar, zij bestaat trouwens niet’. Zijn onmacht de krisis van het vers te keren, leidde hem tot de ontkenning van het bestaan van de poëzie zelf.
Eenmaal het vrije vers ter discussie gesteld, werd elk vers twijfelachtig, en zolang die discussie niet is afgesloten (doordat er een antwoord wordt gevonden, of doordat het failliet sluitend wordt aangetoond), zal er geen plaats zijn voor iets anders. Voorlopig dient zich geen metriek aan die voldoende kracht bezit om langdurig te overleven. Jacques Roubaud ontwaart voorzichtig twee mogelike ontwikkelingen: het ontstaan van een multimetriek, en het verdampen van het probleem van het vers door een kwalitatief andere poëzie in de ruimte van het blad. Binnen die aanhoudende krisis van het vers, en de pogingen haar te doorgronden, moet men de poëzie en het denken over poëzie van Jacques Roubaud situeren.
 
2. Standpunten
In zijn poëtika gaat Jacques Roubaud uit van twee betrekkelijk originele en provokatieve hypoteses, de ene over het geheugen, de andere over het ritme. De eerste hypotese luidt als volgt:
 
Tese I: ‘de poezie is het geheugen van de taal’.
 
Aan die uitspraak kent Jacques Roubaud een definiërend en funderend statuut toe voor de poëzie. Het uitgangspunt is dat het vers de klankstruktuur van de taal herneemt, d.w.z. dat de kenmerken van een bepaalde (histories en kultureel gelimiteerde) taal in het vers gemarkeerd en gekonserveerd worden. Poëzie is de plaats bij uitstek waar de levende talen worden opgeslagen. Sterker, het vers maakt de taal pas echt tot taal: door haar eigenschappen te ekspliciteren, te kodificeren en te bewaren.2
Wat de tweede hypotese betreft, het ligt in de bedoeling van Roubaud om in samenwerking met de wiskundige Pierre Lusson een teorie van het abstrakte ritme uit te werken. Een vrij hachelik karwei, aangezien vanuit de traditie niet duidelik wordt wat men onder ‘ritme’ moet verstaan. Hun definitie, die ik verder niet bekommentarieer, luidt als volgt:
 
Tese 2: ‘het ritme is de sekwentieel gehiërarchiseerde kombinatoriek van diskrete gebeurtenissen bekeken vanuit dit ene aspekt: het zelfde en het verschillende’.
 
Maar van waar die hang naar aksioma’s, definities en hypotesen in verband met poëzie?
Een teoretiese analyse van wat je zelf als dichter doet is volgens Jac­ques Roubaud noodzakelik, wil je niet al bij voorbaat de gevangene zijn van het verleden: ‘Als je je niet bewust bent van wat je doet, zul je volledig afhankelijk zijn van de erfelike prosodie’3. Evenals zijn leermeester Raymond Queneau onderscheidt Jacques Roubaud drie manieren om het poëtiese erfgoed te benaderen: 1) je neemt de traditioneel gegeven regels over, d.w.z. je herkauwt wat reeds tevoren is gedaan; 2) je weigert elk besef van traditie en regels om te schrijven vanuit het onbewuste, d.w.z. je kopieert de stereotypen die het onbewuste zijn ingestempeld; 3) je onderwerpt de traditie aan een nauwgezet onderzoek om er de formele eigenschappen van te bepalen en die vervolgens te veranderen. Het is niet zeker dat men met de laatste metode tot boeiende resultaten zal komen, maar voor wie streeft naar vernieuwing is dat de enige weg. Je kunt het een ‘formeel automatisme’ noemen, dat hierin verschilt van het surrealisties automatisme, dat het weloverwo-gen een min of meer gewijzigde verzameling generatieve en transformationele regels presenteert om die vervolgens rigoureus toe te passen op taalmateriaal. Poëzie als strenge taalwetenschap.
 
3. Autobiografie van een lektuur
Het boek Autobiografie, hoofdstuk tien is de derde ‘formele roman’ in een geplande reeks van zes. (De twee voorgaande zijn Mezura en Etoffe, beide gepubliceerd in 1975.) Het verhaal van de Autobiografie, vanuit formeel oogpunt, is de geschiedenis van het vrije vers in Frankrijk tij-dens zijn klassieke periode, dus voornamelik de geschiedenis van het surrealisme. Als materiaal heeft Jacques Roubaud 84 boeken van 35 dichters gekozen, verschenen tijdens de achttien jaar die zijn geboortedatum voorafgaan. Eigenlik is de autobiografie een dubbele: het boek is de kruising van een persoonlik verhaal en die van een lektuur (kruising die simbolies in de titel valt te lezen wanneer men hoofdstuk tien vertaalt als hoofdstuk X).
Zo vindt men in het ‘Schrift nummer vijf’ verwijzingen naar o.a. De nos oiseaux van Tristan Tzara, Hebdomeros van Giorgio de Chirico, Claire de terre van André Breton, en naar niet-literaire teksten uit dezelfde periode als ‘Hoe ik de wereld zie’ van Albert Einstein, ‘De niet-onverschillige natuur’ van Sergej Eisenstein en ‘De droominterpretatie’ van Freud. De verwijzingen zijn doorgaans erg gemakkelik te achterhalen: of de auteur citeert de titels letterlik, of hij brengt een kleine wijziging aan (‘Over onze vogels’ wordt ‘Over mijn vogels’), of hij verwisselt een aantal letters van plaats (‘Hebdomeros’ wordt ‘Rome-Hebdos’), of hij zoekt een gelijkklinkende titel (‘Clair de terre’ wordt in het frans ‘Clerc de taire’; de nederlandse titel is een benaderend homoniem ‘Klaar te teer’ gevolgd door een letterwisseling ‘Tere klaarte’). In dit vijfde schrift zijn verder knipoogjes te vinden naar Antonin Artaud, andere boeken van André Breton, Blaise Cendrars, Francis Picabia, Philippe Soupault, Breton/Soupault, e.a. – ik laat de lezer het genoegen van de ontdekking.
Het belangrijkste is echter niet, uit te pluizen welke boeken Jacques Roubaud op zijn boekenplank had staan tijdens de kompositie van de Autobiografie – interessanter is na te gaan hoe hij heeft gelezen, dus geschreven.
In mijn inleiding tot vertalingen van Jean-Claude Montel & Paul Louis Rossi4 heb ik een literair procédé ter sprake gebracht, dat ik toen omschreef als ‘frottage’. Samenvattend komt het erop neer dat een au­teur een al bestaande tekst kiest om er een nieuwe uit te distilleren. Vanuit mijn beperkte lektuur heb ik de indruk dat die recykling van andere teksten de laatste jaren steeds bewuster als procédé wordt gehanteerd en verdedigd. Met het aksent op ‘bewuster’, het is namelik nooit anders geweest. Elke poëtiese uiting, ook wanneer zij door een enkeling wordt uitgesproken, is fundamenteel sociaal en het resultaat van een kollektief. Vandaar ook dat het begrip ‘plagiaat’ onbetekenend wordt. Hoewel een dergelike opvatting uiteraard op weerstand stuit van de zijde van het westers kunstbegrip, met zijn (betrekkelik recente) eis van originaliteit. Vandaag de dag lijkt het erop dat schrijvers – door de verwerking van de westerse traditie (waartoe men ook de modernismen van deze eeuw moet rekenen) – proberen te achterhalen welke mogelikheden zij nog biedt om zich verder te ontwikkelen.
Ook de Autobiografie , voor zover de teksten zijn ontstaan door het uitvoeren van allerlei operaties op gegeven teksten, sluit aan bij die onderneming. Jacques Roubaud schrijft hierover: ‘Ik heb de gedichten uit de Autobiografie niet uitgevonden. Ik heb ze gelicht uit mijn herinneringen aan de poëzie, uit de boeken die ik heb gekozen om erover te spreken. (…) Door de teksten te vertellen als mijn leven heb ik erover nagedacht, en rekening gehouden met wat het vrije vers voor mij betekent. En ik heb een kritiek van de teksten geschreven door het verband van het vers tot de woorden, tot de zinnen die het vers samenstellen, te wijzigen. Daarin, en uiteraard in de keuze van de overgebleven momenten (zoals in elke biografie), evenals in de voortgang van de voorstelling, ligt mijn eigen tussenkomst’5. Een verschil met Jean-Claude Montel en Paul Louis Rossi is wel dat Jacques Roubaud heeft gekozen voor een konsekwent metriese en ritmiese lezing van zijn materiaal, al heeft men als lezer niet altijd door welke operaties worden toegepast (iets dat overigens ook niet noodzakelik is).
Tot slot een voorbeeld van zo’n lezing door Jacques Roubaud. In Clair de terre (1923) van Andre Breton is een reeks van ‘Vijf dromen’ opgenomen. De tweede luidt als volgt:
 
‘Ik zat in de metro tegenover een vrouw die ik niet eerder had opgemerkt dan toen de trein stopte, zij
opstond, me aankeek en zei:’ Vegetatief leven’. Ik aarzelde een ogenblik, we waren in het station
Trocadero, stond toen op, vastbesloten haar te volgen.
Bovenaan de trap waren we in een onmetelijke prairie waarover een groenige dag viel, ontzettend hard,
als op het eind van een namiddag. De vrouw ging voort door de prairie zonder zich om te draaien en
weldra kwam een zeer verontrustend personage van atletische allure en met een pet op het hoofd haar
tegemoet.
De man maakte zich los uit een ploeg voetbalspelers samengesteld uit drie personages. Zij wisselden
enkele woorden zonder op me te letten, toen verdween de vrouw, en ik bleef achter in de prairie,
kijkend naar de spelers die hun partij hadden hervat. Ik probeerde ook de bal te vangen, maar…
het lukte me slechts één keer.’
 
Jacques Roubaud geeft van het bovenstaande in het voorlaatste gedicht van ‘Schrift nummer vijf’ deze weergave:
 
‘Ik bleef achter in de prairie kijkend naar de spelers. De vrouw ging voort door de prairie zonder
zich om te draaien. Een onmetelijke prairie waarover een groenige dag viel als op het eind van een
namiddag.’
 
 
Noten
 
1. Jacques Roubaud, La vieillesse d’Alexandre, coll. Action Poétique, Uitg. François Maspéro, Parijs 1978, blz. 17.
 
2. Zie ook: Jacques Roubaud, ‘Enkele tesen over poëtiek’ (1969) in Raster 8 , Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam 1978, blz. 103-106.
 
3. Jean Pierre Faye & Jacques Roubaud, ‘Langages puissanceN et totalitarisme’ in Ecrire… Pour qui? Pour quoi? , Presses Universitaires de Grenoble, 1974, blz. 169.
 
4. Jan H.Mysjkin, ‘Het stille leven van de dingen’ in Raster 16 , Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 1981, blz. 67-70.
 
5. Jacques Roubaud, Description du projet, Documents de travail: Mezura n° 9, Cahiers de Poétique Comparée, Parijs 1979, blz. 49.