Zoveel ijler, zoveel minder ‘t mijne
 
op dunnere bladen van de wind verstoven
brandende schaduwen in
 
nog zouter uitgeslagen, ingekeerder de tijd
 
of, even, teruggedreven naar de kust
‘t tijdverdrijvende, ‘t schuim in zich opzuigende
later er toen al was –
 
haar bewegingen tegenstrijdig als die van dit water
de gelijktijdigheid van eb en vloed
 
‘t in ‘t niets uitgespaarde
 
Ergens, dus waarom niet hier
 
‘… mezelf scheren, voor een spiegel, in een
hotelkamer, en buiten was de zee…
 
‘t licht aangescherpt achter de branding
waar ‘t kijken op afschampt – er is niets
dat ‘t tempert
 
tussen mesheft en gezichtshelft de twijfel die raspt
geen schittering
is als deel van de verte ooit dichterbij geweest
 
rondom me de vloedlijn, door water omringd ben ik
nog middenin dit uitgesneden oneffen
 
even –
 
ik sta voor een spiegel en zie ‘t vuil
in ‘t wit van m’n ogen, de opengeschoven
vitrage slaat lauw golvend naar binnen
 
beweegt aan weerskanten
wat in m’n verbeelding als verdwijning opduikt
 
door ‘t glas, door de overspoelde glazen afstand
heen de diepte, ‘t oppervlak
waarover deze spiegeling scheert –
 
‘t bed onafgehaald, onze lakens in elkaar
verward, naar ‘t voeteneind weggetrapt
 
(losgemaakt uit dit schelpige
slecht gepolijste, haast al van tijd ontdane
uitzicht)
 
haar zoute, gesprongen lippen
 
‘s nachts, toen ze bovenlag
zich tegen de zwartgelakte spijlen afzette
 
‘… opstijgen van de top van een golf
zoals een albatros, bijna zonder een enkele vleugelslag
blijven voortzweven
 
tussen de seizoenen door
een paar reizen om de wereld
te maken…
 
– ‘t zachtst van haar billen
 
maar hoe vaster ik haar omklemd hield
des te meer me ontglipte –
 
straks bij eb langs ‘t strand gaan
uit alle schelpen die ene langwerpige te kiezen
hem wetten op de rug van m’n hand
 
mezelf scheren
met net zo’n lemmet als toen
waarmee ik in vlokken ‘t schuim van m’n wangen schraapte
terwijl ‘t dons hardnekkig achterbleef
 
dat, en al ‘t andere
 
De golfslag, de grote –
 
zich ‘t vergeten herinnerend
de wind, ‘t omspoelde dat voorafging indachtig
 
wat van de bodem losgewoeld
hier z’n neerslag vindt – me in haast onzichtbare deeltjes
heel even voor ogen zweeft –
 
die zich verliest over een zo lange breedte
bladloze spiegel wordt, door zand en schelpen opgezogen uitloper
 
‘t dunste ijs van de zomer