1. (september)
 
De berk.
wat na de stormvlaag nog aan bladeren vastzit,
glinstert en glittert in de loodgrijze wolk
waar ik in het lamplicht naast zit
ineengekropen
in mijn wereldje
boven een drukgolf
van iets dat verloren ging,
 
gordijnen bewegen op de tocht, een gedachte:
‘zonder bewustzijn van een prenataal verleden
kan ik de anderen niet nader komen…’ en
in de verte het geluid van een trein
verdwijnend in de wind die gordijnen doet bewegen;
 
lucht ingeademd
door longen tussen mensen onder elkaar
ik zag haar blakeren
rond de heftige bewegingen van pubers in de supermart
alsof zij stikte,
lucht leeft diep in alle bewegingen
in alle daden die beslissen over het leven van de lucht onze bewegingen
 
x
Avond in een voorstad, lichamen op aarde
duiken op en verdwijnen in het donker: armen
benen romp en schedel; heden mensentijd, in bomen
blikkeren de tanden van de straatlantarens, de angst,
het vragen naar de bekendste weg,
op een keer ging ik mijzelf te boven
en kwam tot mijzelf
 
 
2. (oktober)
 
Water.
verduidelijking, verdichting van water, regen, lichamen
die elkaar telkenmale tegenkomen
ook in de aarde
waar wortels naar resten van blinde regens en wilde paradijzen zoeken
onder vertwijfelde mensenvoeten
en langzaam trekt het zout van doden op naar gras en loof…
die de gedachten van de levenden voedsel geven ook vernietiging,
werelden van niets
dunne beenhulzen. met aarde gevulde gekloven kaken, wil
taalkaf over de kontinenten gedwarreld; de berk
staat gedoofd: een witte wortelbliksem
tussen de gevlamde muren van huurhuizen,
het levende sist en krimpt
in de verwelkte bladeren, wortels
zie ik onder voorbijhaastende voetzolen.
verwrongen en plotseling ondergronds bloeiend.
volkeren verjaagd uit hun graven, en zij
die de nacht bezitten het leven van generaties te kopen
laten zich door de voetstap van de nog voortvluchtige over de vloeren
van etages
de afstand tot de grond in winst uitmeten.
en zij trappen in een stofwolk van rondkolkende bittere witkalk
en neerdwarrelend stucwerk van hel armzalig baslion
de grond uit onze ogen.
de onderkant
van het kontinent van de toekomst
betongrauw. zonder wortels
over ons heen stortend
door de herfsthemel
 
x
Boomzaad op tafel gewaaid tussen papieren en woorden..
dat wat afgekapt en verloren is
verspreidt zich rond zijn gekliefde kernen;
in de golfdruk groeit de voorstadsnacht
rond bladeren met broze ribben,
de afgewezenen gaan aan ons voorbij
de schuilgaten van onze pupillen op elkaar gericht
 
 
3. (november)
 
‘Een teken zijn wij, zonder verklaring’
Hölderlin: ‘Mnemosyne’ (in de vertaling van Erik Blomberg)
 
Van diepgele dag —
uitgedund aan het uiteinde van de duisternis
die rondom ons heerst
armzalig en doodarm
wellicht komt de dag niet
dat de tekens zijn vergeten
— tot zwijgende gouden bladerenmassa’s waardoor
de piepende fietsen van de voorstad snijden en, zwart:
‘een teken zijn wij, zonder verklaring’
en bomen verdwijnen en etages lichten op
als bliksemflitsen, opmaten tot de vernietiging
staan reeds geschreven
op de naamplaatjes van de brievenbussen,
motorgeronk in het donker, de novemberwind
ontploft in de laatste resten
van bossen uit de tijd der insekten, of van de mens
de schaduwen van de
afgewezenen worden verwrongen, uitgewrongen
in kamers waar TV gezichten
de hunne bekijken zonder hen te zien,
de blauwige kamers gevuld met resten, verlaten,
lijken op hun ogen
op reusachtige facetogen glanzend in het donker zo staan de flats,
parasitaire samenlevingen kruipend over de slapenden
naar de ratelende ochtenden,
vleugels aan flarden, slepend, doortrokken
van nerveuze tunnelstelsels;
lucht van urine en mondharmonikamuziek: anderen dromen:
zwaluwen
mechanisch binnenvliegend in brandend gras
 
x
… de krantenkleurige wolken
houden stil bij de avond,
staan ‘s nachts doodstil boven de voorsteden
met de ogen van vernielers en ontkenners
en kauwen de gezichten uit de herinnering weg.
de ogen der namen worden blindgeprikt door de knetterende sterren
van dodelijke vermoeidheid..
…een onverklaarbaar teken, een rookstoot uit een mond
die onder deze druk verdwijnt