Het is niet overdreven Elias Canetti (1905-1994) een Weens schrijver te noemen, ook al werd hij geboren in de oriëntaals aandoende stad Rustschuk in Bulgarije, in het zelfbewuste, beschermde en rijke koopmansmilieu van uit Spanje afkomstige joden. Via Manchester, Wenen (waar hij het uitbreken van de eerste wereldoorlog meemaakt), Zürich en Frankfurt komt hij in 1924 andermaal, maar nu voor langere tijd, naar Wenen om er scheikunde te studeren. Afgezien van een paar onderbre­kingen, waarvan één, in 1928, in Berlijn, verblijft hij daar tot 1938, als hij naar Londen emigreert. In Wenen doet Canetti de voor zijn schrij­verschap beslissende maatschappelijke en intellectuele ervaringen op; de ingrijpendste is de ontmoeting met Karl Kraus.

Canetti heeft zijn levensgeschiedenis tot 1937 uitgebreid en met een onwaarschijnlijk geheugen voor data en details van allerlei aard be­schreven in een drietal intrigerende boeken vol pregnante portretten en karakterschetsen: Die gerettete Zunge (1977), Die Fackel im Ohr (1980) en Das Augenspiel (1985), die alledrie ook in het Nederlands zijn vertaald. In Die Fackel im Ohr, de titel verwijst natuurlijk al naar Kraus, vertelt Canetti hoe hij op 17 april 1924 getuige was van diens driehonderdste lezing, en wel in bewoordingen die in grote lijnen over­eenkomen met die van het uit 1965 stammende essay over Kraus, waar­van hierna de vertaling volgt. Nog meer dan door het retorische en pan­tomimische talent van de spreker wordt Canetti geobsedeerd door de toehoorders, die al bij de eerste de beste pointe, in feite niet meer dan een toespeling voor de goede verstaander, in een gelach uitbarsten waar hij van schrikt. Het klinkt fanatiek en dreigend, ja zelfs ‘hongerig’- de suggestie is duidelijk, zo meteen zullen ze het door Kraus aan de kaak gestelde slachtoffer verscheuren.

Verderop in dit boek vertelt Canetti een anekdote die voor zijn gees­telijke ontwikkeling waarschijnlijk de belangrijkste uit de levensge­schiedenis is: die over de gebeurtenissen van 15 juli 1927. Canetti leest in de krant dat er op arbeiders is geschoten en dat de moordenaars door de rechtbank zijn vrijgesproken, volgens de krant is dat een rechtvaardig vonnis. Dat veroorzaakt bij Canetti eenzelfde woede als bij de Weense arbeiders, die zich vanuit alle richtingen spontaan en in groten getale naar het Paleis van Justitie in Wenen begeven, waar Canetti zich bij hen aansluit. Ze steken het paleis in brand, waarna de politie het vuur op hen opent met het gevolg dat er negentig doden vallen. Dan ziet Canetti in een zijstraat een ambtenaar die vertwijfeld en met de armen omhoog staat te jammeren dat nu alle akten verbranden, een groteske scène die Canetti zo verbijstert dat hij de man bits toevoegt: ‘Beter dan mensen!’

Het belang van deze anekdote is meervoudig. Om te beginnen vor­men deze gebeurtenissen voor de schrijver de directe aanleiding zich intensief met het verschijnsel massa en macht te gaan bezighouden, ze­ker ook omdat hij hier aan den lijve heeft ervaren wat het betekent om willoos op te gaan in de massa; het is een zo indrukwekkende gebeurte­nis dat hij de opwinding van die dag drieënvijftig jaar later, als hij er in zijn levensgeschiedenis verslag van doet, nog steeds voelt tot in zijn botten. Vervolgens is het zo dat die over zijn akten jammerende ambte­naar in veranderde vorm, als amorele, van de wereld geïsoleerde boekengek, als ‘een hoofd zonder wereld’, is terug te vinden in Canetti’s belangrijkste literaire schepping, professor Kien (aanvankelijk, en niet erg gelukkig, Kant geheten) in Die Blendung (Het martyrium), die hij samen met zijn bibliotheek in vlammen laat opgaan. En ten slotte is de nasleep van de gebeurtenissen van deze 15de juli, door Canetti aanslui­tend verteld, van grote betekenis gebleken voor zijn absolute opvattin­gen over de verantwoordelijkheid van de schrijver. En zo kom ik van­zelf weer terug bij Kraus.

Zwaar aangeslagen als hij was, werd Canetti wekenlang achtervolgd door de herinneringen aan de brand en het massacre. Het verbijsterde hem dat de Weense intelligentsia er het zwijgen toe deed, dat niemand zijn stem verhief – op Karl Kraus na.

Dat kan hem niet echt verbaasd hebben: Kraus was ook een van de weinigen die principieel en met inzet van al zijn satirische krachten protest had aangetekend tegen de eerste wereldoorlog, ‘en niet pas toen hij door de nederlaag tot andere gedachten was gebracht, zoals de meeste anderen. Uit haat tegen de oorlog heeft hij zijn eigen partij (…) van meet af aan de nederlaag toegewenst, zoals tal van profeten; de par­tij waar hij werkelijk toe behoorde, was die van de slachtoffers en dat sloot zowel mensen als dieren in.’ (Boeiend, en indirect blijk gevend van zelfkennis, is trouwens de observatie die Canetti hierop – ik citeer uit zijn aantekeningen in Das Geheimherz der Uhr. Aufzeichnungen 1973-1985, 1987 – laat volgen: ‘Het zou naïef zijn te verwachten dat zo’n activiteit zonder pathos te volvoeren was. Wij, die zeer goede re­denen hebben om pathos te wantrouwen, kunnen niet met terugwerken­de kracht uitgerekend hem pathos kwalijk nemen of het zelfs willen uitbannen. Zo er al een legitiem pathos bestaat, dan is het wel het zij­ne.’)

Zoals gezegd: ook nu protesteerde Kraus. Overal in Wenen had hij aanplakbiljetten opgehangen, waarop hij de commandant van politie die verantwoordelijk was voor het bevel op de arbeiders te schieten, op­riep om af te treden. Zonder succes, natuurlijk, maar voor Canetti was dit eenzame protest niet alleen het superieure bewijs van Kraus’ morele moed, het was ook het enige wat hem in deze vertwijfelde dagen over­eind hield.

Voor Canetti’s hoge opvattingen over de morele dimensie van het schrijverschap is zijn verblijf in Berlijn, in 1928, van belang, de stad die hem, in vergelijking met het nogal steriele Wenen, als een levendig bolwerk van intellectuele en artistieke activiteiten voorkwam. Maar toch stelt Berlijn hem hevig teleur. De kunstenaars die hij leert kennen – Brecht, de gebroeders Herzfelde en Grosz vooral – zijn hem te cynisch (Isaak Babel is de enige uitzondering), de Dreigroschenoper be­schouwt hij als het schoolvoorbeeld van onwaarachtige kunst. De zelfingenomenheid van zowel de maker als het publiek vervult hem met afschuw. Met Brechts idee van satire is hij het volledig oneens, en voor de tekeningen van Grosz geldt hetzelfde – in Canetti’s ogen kan het geen echte satire zijn als iemand door de obsceniteiten die hij uit­beeldt eerder wordt aangetrokken dan afgestoten.

Omstreeks deze tijd begint ook het absolute gezag van Kraus te ta­nen. Beslissend in dat proces is Canetti’s kennismaking met Büchner, kort nadat hij (op 26-jarige leeftijd!), Die Blendung heeft voltooid. Na Lenz geeft hij alle verdere romanplannen (aanvankelijk had hij een reeks van acht boeken op het oog) op. In Das Augenspiel maakt hij dui­delijk dat het vooral Büchner is die hem de ogen heeft geopend voor wat hem aan Kraus niet bevalt: ‘De ondergangsvisioenen die ik tot dus­ver aaneengeregen had, stonden nog onder de invloed van Karl Kraus. Alles wat er gebeurde, en er gebeurde altijd het ergste, gebeurde zonder opgave van redenen en het gebeurde naast elkaar. Het was vanuit een schrijvend iemand gehoord en het werd aan de kaak gesteld. Het werd van buiten aan de kaak gesteld, en wel door degene die schreef, en bo­ven alle ondergangstaferelen hield hij zijn zweep. Deze zweep gaf hem geen rust, zij joeg hem overal langs, hij hield alleen stil als de zweep gehanteerd moest worden, en nauwelijks was de straf ten uitvoer ge­bracht, of zij joeg hem verder.’ Zo’n schrijver, zo’n ‘schrijver met de zweep’, wil Canetti niet meer zijn. Voor zijn toekomstige eigen toneel­werk (Hochzeit, Komödie der Eitelkeit en Die Befristeten) zou het zo­veel humanere ‘zichzelf-aan-de-schandpaal-stellen’ van Wozzeck bepalend worden.