Wij zijn het exotische, wij zijn het politieke schandaal, wij zijn in het beste geval de goede herinneringen van de Marne, het goede geweten van de Poilus van het Oosten en van een paar verzetsmensen. Wij zijn bovendien de mooie zonsondergangen op de Adriatische zee, de serene vakantieherinneringen aan de serene zonsondergangen op de Adriatische zee… overgoten met sliwovitz. En dat is alles. En wij maken nauwelijks deel uit van de Europese cultuur… Politiek, dat wel! Toerisme, ook dat! Sliwovitz (zoals de Duitsers het uitspreken), ja natuurlijk! Maar wie zoekt er verdorie literatuur in dat land? En hoe word je wijs uit al dat stomme nationalistische gedoe, al die talen en die dialecten die zo op elkaar lijken en zo verschillend zijn (zeggen ze), uit al die godsdiensten en al die streken? Literatuur hebben wij Europeanen wel genoeg en genoeg goede; die kerels, de Servo-Turken, kunnen alleen maar over zogenaamd delicate onderwerpen schrijven, laten ze hun leiders maar een beetje dwarsbomen en hun systeem kritiseren, laten ze voor ons maar een politiek schandaal in een exotische omgeving beschrijven… Zo zit het met goede literatuur. En wij Europeanen, wij beschaafde mensen, wij kunnen dan met een gerust hart de schoonheid van de zonsondergangen en het exotisme van onze kindertijd of onze jeugd bezingen (zoals Saint-John Perse), en wij zullen wel liefdesgedichten schrijven en alle mogelijke andere gedichten… Zij hoeven zich alleen maar te bekommeren om hun exotisch-communistisch-politieke problemen. Voor ons de echte literatuur, voor ons de meisjes voor hele dagen, de lieve dienstmeisjes van onze adolescentie. Omdat zij over dezelfde onderwerpen begonnen te schrijven als wij (poëzie, geschiedenis en mythen, het menselijk tekort, gebroken speelgoed van welluidende ijdelheid en andere weerklanken), ging ons dat werkelijk niet aan; en bovendien, als zij hetzelfde doen als wij, leidt ook dat tot literatuur, leidt dat tot Andrić’s, tot Krleža’s (ai, wat een onuitsprekelijke naam!), tot Miloš Crnjanki’s (nog meer rrrk!), Dragoslav Mihajlović’s en anderen, en anderen waar we uiteindelijk heel goed buiten kunnen… Voor ons Joegoslaven dus, voor ons de homo politicus, en voor anderen de hele rest, alle andere dimensies van dat fabelachtige kristal met duizend facetten dat homo poeticus heet, dat poëtische dier dat evenzeer van de liefde te lijden heeft als van de dood, evenveel van de metafysica als van de politiek… Hebben wij zo’n lot verdiend? Ongetwijfeld. Wij zijn schuldig en wij moeten onze schuld zonder morren op ons nemen. Want wij hebben niet de verleiding weerstaan, onze kleine (of voor mijn part grote) problemen van nationalisme en chauvinisme te exporteren, overal rond te bazuinen dat we in de eerste plaats niet zomaar Joegoslaven zijn, begrijpt u, maar vooral Serven of Kroaten, Slovenen of Macedoniërs en wat al niet meer, maar pas op, dat is heel belangrijk, dames en heren, dat mag men niet zomaar door elkaar halen, er zijn bij ons orthodoxen en katholieken en ook mohammedanen en, jazeker, een paar joden (laten we dat vooral niet vergeten!)… En zie, daar zijn wij, wij arme Joegoslaven, weer ondergedompeld in onze familiegeschiedenissen… Maar we wilden het toch over literatuur hebben, we wilden toch dat Kroatische kopstuk citeren, Miroslav Krleža (krrr, krrr!) en dat andere kopstuk, Ivo Andrić, Serviër of Kroaat, al naar u wenst… En zie hoe, bij gebrek aan voorzichtigheid van onze kant, dat (reeds) gebroken speelgoed, de literatuur, aan diggelen ligt, zie waarom wij het niet waard zijn, serieus te worden genomen… En bovendien – maar dat is niet meer onze schuld, dat is de schuld van Onze Lieve Heer – waar moeten we verdorie die literatuur en die taal, en die talen, plaatsen? Dat het om een Slavische literatuur gaat, daar is men het wel over eens, dat het om een van de Slavische talen gaat, daar is men het altijd over eens, het is dus een Slavisch land, zo is het, een socialistisch regiem, zeker, niet helemaal zoals de andere… Per slot van rekening zijn het een beetje Russen. Goed, dat is prachtig, laten we dan maar de Russen vertalen? Die maken tenminste geen kouwe drukte, die heb je ook in soorten en maten, maar die kun je tenminste allemaal in dezelfde sovjetzak stoppen, voor hen hebben we zelfs een aparte serie waar ze allemaal in kunnen (Azerbadzjani of Russen, Basjkirs of Kalmuks). En verder? Verder niets. Niet nodig een lelijk gezicht op te zetten. Je moet je alleen bewust zijn van het feit dat er grote tradities, grote literaturen zijn en altijd geweest zijn, en dat er kleine talen, kleine volken zijn en altijd geweest zijn, zoals er kleine en grote bankbiljetten zijn (dixit Andrić). Laten we daarom bescheiden zijn, laten we niet hoog van de toren blazen en niet iedereen in onze familiegeschiedenissen betrekken.
En we moeten ons vooral niet laten bedotten door die mottige mythe volgens welke wij Joegoslaven en andere Hongaren van de literatuur dienen af te zien, wij kunnen de grote wereld alleen maar trakteren op rooie politiek-exotische thema’s, waar wij ons aan te houden hebben, wij moeten ons absoluut tevreden stellen met het feit dat we homo politicus zijn, altijd en overal; de poëzie en de vorm, het spel en het speelgoed, de metafysische obsessies (wie ben ik? waar kom ik vandaan? waar ga ik heen?), de vervoeringen van de liefde, dat alles is kennelijk niet voor ons, en de zonsondergangen gaan ons niet aan, omdat ze voor de toeristen zijn die dol zijn op literatuur en poëzie, die dus het recht hebben er met een gerust hart van te genieten.
Immers, de poëzie, de literatuur (en ik plaats tussen die twee woorden, net zoals Pasternak dat deed, een gelijkheidsteken) zijn, voor jullie net zoals voor ons, onze barbaarse dromen en jullie dromen, onze liefdes en jullie liefdes, onze herinneringen en die van jullie, onze geschiedenis en die van jullie, ons dagelijks leven en dat van jullie, onze ongelukkige jeugd en de uwe (misschien even ongelukkig), onze doodsangst en (evenzeer, hoop ik) de uwe. Poëzie (= literatuur) is zoals ik weet, en dat steeds beter, ook de beschrijving van maatschappelijke onrechtvaardigheden, de hartstochtelijke veroordeling van die onrechtvaardigheden (zoals dat al in de tijd van Dickens het geval was), de beschrijving en de veroordeling van de kampen, van de psychiatrische inrichtingen en van alle vormen van onderdrukking, van alle onderdrukkingen die de mens willen reduceren tot de eendimensionale zoon politikon, politiek dier, en hem zodoende willen beroven van al zijn rijkdommen, van zijn metafysische denken en zijn poëtisch gevoel, die in hem iedere niet-dierlijke stof willen vernietigen, zijn neocortex, hem willen reduceren tot een nog alleen maar militant wezen, een geëngageerde en dan ook alleen maar geëngageerde mens, een fanatiekeling. Want die opvatting, die wij ook zelf vaak voorstaan – dat de literatuur geëngageerd zal zijn of niet zal zijn – toont aan hoezeer de politiek door alle poriën van de huid en van het zijn is binnengedrongen, zich overal heeft verspreid, alles een moeras, hoezeer de mens eendimensionaal en arm van geest is geworden, hoezeer de poëzie de aftocht blaast en het privilege is geworden van de rijken en de ‘decadenten’ – die zich die luxe kunnen veroorloven -, terwijl wij, de anderen… Dat is het gevaar dat ons bedreigt. Maar wij moeten beseffen dat de literatuur, de poëzie, een dam is tegen de barbarij en dat, als zij ‘niet de zeden en gewoonten beschaaft’, zij toch ergens toe dient: zij geeft een zin aan de leegte van het bestaan. En al was het maar door dit antropologische feit, ook wij maken deel uit van de gemeenschappelijke familie van de volkeren van Europa, en door onze tegelijkertijd joods-christelijke, byzantijnse en Ottomaanse traditie hebben wij evenveel recht, zo niet meer, om van die culturele gemeenschap deel uit te maken.
En daarna, pas daarna, komen de technische problemen: vertalingen, commentaren, verwijzingen, vergelijkingen, enz. enz. Want al het andere is alleen maar – literatuur.

Uit: Homo Poeticus (oorspronkelijk in Le nouvel Observateur 1980)