Dit zijn de schoenen van een overledene, dit zijn de schoenen van Lian; het laatste paar, gekocht bij Cinderella in de januari-uitverkoop. Ze zijn zo goed als nieuw, geen looprimpels, alleen haar jubeltenen staan er in; en omdat ze altijd over de metalen stepjes van haar rolstoel zat te schuiven, zijn de achterranden van de hakken een beetje weggesleten.
En dit is haar oude en vertrouwde schoudertas, met de bijna lege strippenkaart (volle, hield zij vol); en met die geur erin van Je Reviens van Worth van vijftien jaar geleden. Toen ze nog liep, weliswaar zwaar steunend op de loopfiets – ja, zo noemden we dat ding nu eenmaal – hing ze hem doodleuk om haar nek; en doordat ze enigszins gebogen liep, slingerde hij voortdurend heen en weer. Een raar gezicht, dat heen en weer geslinger van die grote zwarte tas. – Waarom hang je hem niet aan het stuur? – Nee, dat gaat niet met die lange hengsels, dan schop ik er steeds tegenaan. – Wikkel ze dan rond het stuur, die hengsels, van de ene handrem naar de andere. – Nee, waarom, wat zeur je toch Andrea. Ik hang hem gewoon om mijn nek.

We kibbelden als mussen in die tijd, kortdurende en nogal kinderlijke ruzietjes waren het, over de duizend-en-een ongemakken en problemen die haar fysieke toestand met zich meebracht en waar wij voor de periode van de loopfiets een beetje lacherig over deden. Zoals over de borstprothese. Die was zo fors uitgevallen dat het ineens leek of ze niet links, maar rechts wat miste. Later bleek dat iemand in een dorpje aan de Waal haar prothese had ontvangen. Via de post. De gedachte aan borsten per post. De voorstelbare correspondentie: ‘Geachte mevrouw M. Abusievelijk heeft mevrouw A. te E. uw linkerborst ontvangen, terwijl uzelf…’
Arme mevrouw A., die haar boezem voortaan zo omslachtig voor zich uit moet dragen. Lian smeet haar prothese na een week al in de kast en prees zichzelf gelukkig omdat ze ‘klein geschapen’ was. Nee, die amputatie kon haar niet veel schelen, ze moffelde hem weg in bontgekleurde King Size bloezen, klaar. – Kom op Andrea, ik trakteer je op een Coupe Belle Helene bij Veneziana. Het was paasvakantie en de lentezon scheen alle dagen, we paradeerden langs terrassen vol kakelvers publiek en Lian genoot ervan gezien te worden: bruin, vitaal, aantrekkelijk.

Maar toen juni kwam begon ze scheef te lopen en op haar schoudertas te leunen, de lange strakgespannen hengsels schoten los, ze viel, niet eens zo hard, en brak haar pols en sleutelbeen. Voortaan ging ze naar buiten om gezondheidsredenen. Omdat het goed was af en toe een frisse neus te halen. En wat ze aantrok hing uitsluitend van het wel en wee van wasgoed af.

Dat gehannes met die loopfiets. Alleen al de benaming. De dame van het Groene Kruis sprak over een Rollator, zo op het oor een glad en rustig woord: de merknaam van een grasmaaier of een handig apparaat voor kappers. Ik ging hem bekijken in een winkel voor prothesen en orthopedische artikelen en toen ik hem zag staan, glanzend, groot en ongelukkig, schrok ik terug. Trouwens, voor alle dingen daar. Ze zijn zo nauwkeurig afgestemd op het manco van hun koper, dat je bijna medelijden met ze krijgt. Ze missen iets, ze lijken zelf wel invalide.
Enfin, ik wist ineens niet meer zo zeker of Lian er al aan toe was om per Rollator over straat te gaan en ik beide haar vanuit de stad. – Hoe ziet het er dan uit? – Denk aan een fiets, maar dan een zonder kettingkast en zonder zadel.— Zoiets noem ik geen fiets. — Nee, dat is het ook niet, nou goed, denk aan een looprek, of nee, een step, maar dan zonder treeplank, een soort loopstep is het eigenlijk. – Loopstep?! – O.K. Lian, stel je voor: een rijwielstuur, vrij breed, een doodgewoon rijwielstuur met handremmen en al en met een stang die zich ter hoogte van je knieën in een driepoot splitst Heb je dat? – Dus toch een looprek. – Nee, ja, zoiets. Maar er zitten zwenkwieletjes aan die pootjes. Snap je? Je steunt op het stuur en duwt hem tegelijkertijd vooruit. – Het klinkt heel raar. – Het is ook raar. — Neem hem maar, Andrea.

In de periode van de rolstoel en het bed begon haar wereld razend snel te krimpen. Ik weet niet of het door de opiaten kwam, maar het scheen haar niet te deren.
-Een huzarenmutsje, kijk Andrea, zo ziet het laatste beetje in een schuingehouden kopje thee eruit, zie je dat, net een huzarenmutsje.
– Dit stopkontakt heeft een gezicht, geen mond, toch is het een gezicht.
– Dit piepkleine behangoortje…

O, die manie van haar, op het laatst, om het kleinste aan te wijzen en te noemen. Ik werd er sikkeneurig van, het klonk als afscheid nemen; het leek alsof ze van die fijngehakte wereld louter taal wou trekken. Waarom? Om die mee te kunnen smokkelen?

Dit zijn de schoenen van Lian, haar rolstoelschoenen, het laatste paar.
‘Mijn laatste paar,’ zei ze tegen het meisje dat ons hielp bij Cinderella.
Het meisje zei er niets op terug, maar aan de manier waarop ze met het wisselgeld omging – alsof de dubbeltjes en kwartjes gouden pillen waren – kon je heus wel zien dat ze onder de indruk was. Dit was niet voldoende voor Lian. ‘Zie je,’ zei ze toen we weer buiten waren, ‘de mensen willen het niet weten, ze zijn bang.’
Ik zei niets terug.
Wat had dat meisje in die winkel moeten zeggen? Uw laatste paar mevrouw? O, maar dan krijgt u extra korting hoor.