Het duurde lang voordat de dampen in mijn hoofd eindelijk oplosten in het schijnwerperlicht van de logica, maar deze drong zich té onafwijsbaar aan mij op. Er waren dagen van nadenken en reconstrueren als zand door de vingers weggelopen. Tegenstribbelen had geen nut meer; ik moest het inzicht accepteren dat ik onbewust verwikkeld was geweest, en zelfs een hoofdrol had gespeeld, in het drama dat Muzio tot in de finesses had uitgedacht en door mij, zijn marionet, laten voltrekken. Ik kon hem voor me zien, zoals hij geduldig naast de telefoon op het uitsluitsel van de rechter van instructie zat te wachten, bedaard zijn Lichtenberg lezend, die hij altijd als humorist had weten te waarderen en van wie hij vele maximes ten beste kon geven. Ik sloot de ogen en zag de rechter van instructie in zijn voortuintje staan wachten op de limousine met chauffeur die hem naar de plaats van de misdaad moest brengen; hij was vermoeid en somber. Na zorgvuldige analyse en gewetensvolle afweging van drijfveren, belangen en omstandigheden zou hij tot de conclusie komen dat de dader, zijnde een ‘vleesgeworden pleidooi voor herinvoering van de doodstraf’, op zijn minst levenslang verdiende. Het deed me weinig. Ik wist hoe snel mijn ster nu dalende was – zo ongeveer luidt de uitdrukking toch? Nog een paar huiveringen en het zou over zijn: ook mijn visioenen waren zo’n laatste stuiptrekking, een eenvoudig te dempen aanval van nervositeit. Ik liet haar opkomen, de spanning bezit nemen van mijn vezels en cellen, me door de elektrische stroom doordesemen, dan bracht ik een waterglas vol waterglas naar mijn klappertandende mond en hapte in het slijm. Een wonderbaarlijke flash vertakte zich vanuit mijn maag naar alle richtingen en ik wist dat het me gelukt was weer een trap af te dalen naar de rand van de wereld, de horizon, die al vervaagde in het vale licht van miljoenen nieuwe levens, gelukkiger geboorten, betere lichamen.
Vergroeid was ik geraakt met mijn rolstoel, waarin ik steeds schever en kleiner werd. Niet om aan een lichamelijke verlamming tegemoet te komen, maar uit luiheid en een buitensporige zucht naar gerief had ik de rolstoel aangeschaft. Soms ging ik er zelfs de straat mee op om noodzakelijke inkopen te doen of een brief te posten of zo maar een korte rijtoer te maken, een frisse neus te halen, zoals dat schijnt te heten. Voor de mensen in de buurt was ik een kleurrijke figuur die een fatsoenlijke bejegening verdiende, het sprookje van mijn rijkdom was intussen ruchtbaar geworden en men geloofde het, ondanks mijn uit de legerdump afkomstige officiersjas van modderkleurig leer en de versleten pantoffels aan mijn voeten. Zo liep of reed ik door de stad, door de buitenwijk waar de nieuwe kolonisten zich met hun kroost hadden gevestigd in een soort diepe etalages, waarin ik ongegeneerde blikken wierp als het donker was geworden en mijn verschijning hun niet opviel. Zelf woonde ik aan de bosrand in een bungalow waarvan ik slechts één kamer gebruikte. Dat wil zeggen, ik stookte er een kachel die een broeikasatmosfeer onderhield en zat aan het raam naar de bossen en de heuvels daarachter te staren, terwijl de avond viel, zonder licht te ontsteken, volstrekt gestagneerd in de herfst die onmerkbaar langzaam in winter overging, waarna het in de bossen wederom herfst werd. Ik las niet of nauwelijks, soms nam ik wat godsdienstige teksten tot me maar het lezen wekte mijn ergernis omdat al die onzin me van mijn ware intenties afleidde, het bestuderen van de veranderingen die in mijn wezen plaatsvonden: viel het uiteen, of werd het daarentegen minder verdorven, sterker, in heviger mate zichzelf onder de inwerking van de injecties waarvoor ik twee keer per week naar het centrum reisde?
Ik had professor Van Puffelen leren kennen door bemiddeling van mijn oude vriend Muzio, die destijds als trompettist in de Submarine schnabbelde. Dat was een modieuze kroeg onderin een afgedankt tankschip, dat tot zwembad omgebouwd was en in de rivier lag die van de stadsplattegrond een gekartelde Yin-Yang-figuur maakte. Die lange zomer waren er ‘s middags en ‘s avonds in de kunstmatige golfslag massa’s energieke zwemmers bezig. De bodem van het bassin was uit dik, gewapend glas vervaardigd en vormde het plafond van het café. De vaste klanten hadden geen oog meer voor deze attractie; ik bleef het voorlopig een boeiende tijdspassering vinden om die onthoofde, dansende en fietsende lichamen van onderaf te beschouwen; ze voedden mijn afkeer van de jeugd. Nu en dan schoten er als duiveltjes in een delirium duikers op ons af met opengesperde ogen en langzaam wapperend haar, tikten spottend tegen het glas, drukten er hun geplette neuzen tegen en verdwenen naar boven, ons vol minachtig in de alcoholische onderwereld achterlatend. Het waren jonge, gespierde lichamen, en we hadden geen enkele sympathie voor hun zogenaamde vlotheid en frisheid, die de attributen van hun jeugdige zelfzucht uitmaakten. Vaak ventileerden we onderling onze haat jegens die ‘jeugd’ met haar behaagzieke ignorantie, haar seksloze hypocrisie die zichzelf nooit straft, doch immer en altijd beloont… We wensten onze Nachwuchs het allerergste toe: eindeloze armoede, verdelgende conflicten. We gunden die kinderen, ook de briljantste onder hen, de zelfmoordepidemieën en geheimzinnige virussen en stralingsziekten waarvoor wijzelf evenmin gespaard zouden blijven…
Ik kwam vaak in de Submarine en bleef er tot zonsopgang. Dankzij mijn vriendschap met Muzio kon ik er op de pof drinken, hij stond borg voor zijn ‘voogd’, zoals hij me tegenover anderen noemde omdat ik een paar jaar ouder was dan hij en hem had geholpen van de drugs af te komen, als bediende in mijn tweedehandsboekhandel had laten werken, hem bemoediging had verleend in perioden van vertwijfeling en identiteitscrisis. Inmiddels had ik mijn antiquariaat met verlies van de hand gedaan en was zonder verwanten, zonder verplichtingen aan de wereld achtergebleven. Mezelf overleefd hebbende, mijmerde ik sporadisch over een aangenamer lot, maar kon eigenlijk niemand mijn isolement kwalijk nemen en dat maakte me apathisch. Ik had geen schulden en precies genoeg liquide middelen om niet te verhongeren, er schoot niets over voor ‘een zeker extra’, de alledaagse maar absoluut onmisbare bevredigingen die het leven soms draaglijk lijken te maken voor een man zonder de fantasie of discipline om zijn toestand te transcenderen. Laat ik het niet nodeloos ingewikkeld maken, Muzio was ooit door mij behoed voor erger en nu onze betrekking op begraven na afgeleefd was, kwam hij bij wijze van tegenprestatie op een warme middag naar me toe met een idee, een oplossing voor mijn chronische geldprobleem. De airconditioning in de drukbevolkte Submarine was defect en op zijn huid parelden grote moleculen van bier en zweet. Zijn zware, lange vingers glommen, ze deden aan grote garnalen denken, aan iedere hand vier. Vrouwen merkten dat meestal pas als het te laat was, de krachtige vingers al tot hun doelen waren doorgedrongen. Een aangeboren afwijking die hem tot de trompet voorbestemd scheen te hebben. Drie vingers om de ventielen te bedienen en tegelijkertijd het instrument vast te houden in samenwerking met de eronder geschoven duim, die eigenlijk geen duim was maar een uniek lichaamsdeel, massief en rood, waar lange haren op groeiden. Hij speelde trouwens middelmatig. We zaten achteraf, weggekropen op een blauwe bank, hij sprak op fluistertoon en wierp steeds vluchtige blikken naar de zwemmers boven ons hoofd, waarvan een metersdikke doorzichtig-groene glaswand ons scheidde. Hij had een arm op mijn schouder gelegd.
‘Ik kan je tekorten niet blijven dekken, Joe, het spijt me… Het engagement hier loopt vandaag of morgen af en dan vertrekt de band naar Torremolinos, naar oneindig veel engere kelders dan deze… Ik heb mijn connecties laten tinkelen, dat heeft uiteraard met het middelen-circuit te maken, maar puur in het onschuldige. Coke, meer niet… Luister, in hoeverre ben jij als aficionado serieus te nemen?’
Ik begreep niet wat hij bedoelde en gaf geen antwoord. Zijn adem was die van een trompettist: rauw, vochtig, aangetast door oxiderend koper.
‘Anders geformuleerd, hoe erg of onweerstaanbaar is die verdorvenheid van jou, Joe?’ Hij glimlachte welwillend met snor en tanden, maar ik zette mijn glas met een smak op het tafeltje en schoof van hem weg. ‘Je weet verdomd goed wat mij mankeert,’ riep ik, beheerste me echter meteen weer toen ik zag dat de aandacht van de omzittenden getrokken werd, ‘je kent mijn afwijkingen en ziektes. Je weet waarom ik de zaak heb opgedoekt, de kostbaarste boeken verkwanseld en me in de drank gestort – niet uit lafheid…’ – ‘Nee, zeker niet uit lafheid,’ herhaalde Muzio mompelend. Een tussen ons bestaand geheim wilde niet gewekt worden en we lieten het sluimeren. Hij ging verder: ‘Luister, ik ken een gesjeesde professor, schatrijk, die net als wij allemaal zijn aberraties heeft en in wetenschappelijke kringen voor een kwakzalver versleten wordt, maar nu een heel interessant serum heeft ontwikkeld dat de curve gladstrijkt… Een tegengif in je achterwerk dat de lust waarmee we onze atrofiëring bewerkstelligen’ – hij zocht stamelend naar de beste bewoordingen en toen rolde het er vol bezieling uit – ‘in een andere ontroering omzet, namelijk de waarneming der in melk besloten schoonheid, waarbij die van het bloed verbleekt!’Ik verbleekte zelf. Onthutst riep ik: ‘Muzio, je móet me helpen: je weet hoe vreselijk ik het vind om bloed in mijn melk aan te treffen!’ In opwinding stootte ik mijn glas om, het rolde van de tafel en viel op de grond aan scherven. Muzio stond op en schoof een hand onder mijn oksel, ik gehoorzaamde. Hij duwde me door de roezemoezende volte van het lokaal naar een vriendelijk lachende heer van middelbare leeftijd, eenvoudig gekleed. De professor zag er bescheiden en integer uit, men zou gezegd hebben een dominee of een klerk op het stadhuis. Muzio stelde me aan hem voor als zijn voogd die hem uit het schuim opgeheven had en liep weg naar het podium, waar zijn collega’s al een swingend Yes we have no bananas hadden ingezet. Hoe ondefinieerbaar ook, mijn verdorvenheid gold andere vruchten.
Van Puffelen zette het programma van de kuur uiteen: mits mijn gezondheid het toestond zouden we fors inzetten met maar liefst vijf injecties per week, daarna geleidelijk terug te brengen tot een of twee. De werking van het medicament berustte op het volgende principe (en terwijl hij het me in eenvoudige taal beschreef had ik het drukkende gevoel bekeken te worden. Op ons rustte de starende blik van een corpulent, donker meisje dat met gespreide armen en benen plat op de glasplaat lag. We zaten beiden in haar schaduw. Het water was groen, met gouden flikkeringen. Over de grijs geschilderde stalen wanden van de Submarine wemelden de schaduwvlekken van de zwemmers): het afval dat de ziel nu eenmaal voortbracht bij de aanmaak van aanvaardbare prestaties – dit afval van het psychische productieproces werd door het middel als het ware verbrand. Inspuitingen met fosfor zouden een soort innerlijk gloeien veroorzaken, waarin alle vuil smeulend zou wegteren. Ik beschouwde de op goedmoedige toon voortredenerende geleerde als een superieure gek en maakte me inwendig vrolijk over hem. Hij gebruikte weinig alcohol, ik des te meer en ik herinner me dat we op een laat uur nog steeds in de Submarine op een bank zaten met Lilli tussen ons in, een wat schaapachtig animeermeisje, waarmee we ons een ondeugend vermaak veroorloofden. Ik trok Lilli’s décolleté nog wat verder naar beneden, sjorde haar borsten over de rand en bedrukte de tepels om beurten met de wijsvinger. Van Puffelen keek nieuwsgierig toe en speelde het spelletje mee: steeds als hij met fonkelende ogen in de brillenglazen op de harde tepel aan zijn kant drukte zonk deze in en tegelijk kwam de tegenhanger aan mijn kant naar buiten. En vice versa. Van Puffelen kirde van plezier, iedere keer kinderlijk verbaasd als hij deze wonderlijke wisselwerking bij het meisje constateerde, dat dit gedoe geduldig toeliet. Haar borsten waren als communicerende vaten, met pap gevuld.
De volgende middag zocht ik hem op. Ik had geld nodig en mijn verdorvenheid was als een ballon, leeg en gezwollen. Een negatieve ervaringshonger, niet te kieskeurig voor de twijfelachtige paardenkuur waaraan ik me nu ging onderwerpen. Log besteeg ik de trappen naar de hoogste verdieping van het deftige oude huis vlakbij de dierentuin. In een kostbaar gemeubileerde kamer duwde de professor met een geheimzinnig gebaar tegen een lijvig farmaceutisch vademecum en de boekenkast draaide uit de muur weg als een deur. Hij liet me voorgaan naar een kleine vensterloze ruimte, wit betegeld en als laboratorium ingericht. ‘In de oorlog logeerden hier mensen,’ zei hij, ‘en er werden ook wel eens iemand de amandelen geknipt.’ Ik moest achterstevoren op een stoel plaatsnemen, de rugleuning tussen mijn dijen. Hij vulde een injectiespuit met een melkwitte vloeistof en stuwde deze ter hoogte van mijn zitvlak in mijn bloedbaan, waar hij met een soepele, trefzekere boog de naald in had geplant. Vervolgens moest hij niezen, bedankte me beleefd en schreef een cheque uit voor het beloofde bedrag, waarmee ik rechtstreeks naar de bank stapte.
Die avond was ik weer in de Submarine te vinden om tot in de kleine uren dit succes te vieren met Muzio. Gekscherend verklaarde hij dat de gunstige uitwerking van het middel nu al evident was: ‘De mensen schrikken niet meer zo als je binnenkomt.’ Na dit compliment produceerde hij een stuk krantenpapier, dat advertenties voor kennismaking en huwelijk bleek te bevatten. Ik barstte in een bitter, honend lachen uit maar Muzio wist me van mijn kansen te overtuigen nu ik door Van Puffelen behandeld werd. ‘Je hoeft jezelf niet meer zo hopeloos te verafschuwen. Ik heb er nooit aan getwijfeld dat een advertentie de ideale manier is om je Papaghena te vinden.’ ‘Ik ook niet,’ gaf ik toe. ‘Wat denk je van deze,’ vroeg hij en las voor:
Jonge welgest. vr., aantr., intellig., houdt v. reiz., kunst en lekk. et., zkt. oudere, sjof. partn. v. manl. gesl., afstot. humorl., versl. aan zinl. rondh., porn. en st. drank.
Ik trok hem het knipsel uit de handen en knipperde met mijn ogen. Het stond er allemaal letterlijk; had ik mijn redster gevonden? De volgende dag verzond ik een brief-onder-nummer naar de krant met een foto van mijn geperforeerde vollemaansgezicht en een korte levensbeschrijving vol onwaarheden, ter documentatie van de bekentenissen en waarschuwingen waartoe ik me moreel verplicht voelde. ‘Ik verdien sinds kort een aalmoes als proefkonijn in dienst van een professor, die zijn verstand maar niet zijn demonische neigingen kwijt is. Hij meent het geneesmiddel te hebben gevonden voor de bijzondere verdorvenheid waarmee ik sinds mijn vlegeljaren behept ben, en probeert dit nu op mij uit. Ik weet niet of het werkt, de testperiode is nog maar zeer onlangs ingegaan. Bovendien zou hij placebo’s en controlegroepen moeten gebruiken om het effect steekhoudend te kunnen aantonen. De bijwerkingen ondervind ik echter al in volle mate. In het donker emaneer ik een vochtig wit licht. Ik ben prikkelbaarder, wreder en sentimenteler dan ooit; mijn woede wordt o.a. gewekt door de gretigheid waarmee sommige vrouwen een ongelukkige in de val van een huwelijk willen lokken om hem naar hartenlust te kunnen treiteren als hij zich eenmaal heeft laten verschalken.’ Dit was de strekking, misschien had ik het iets hoffelijker gesteld, maar de hoofdzaak was de bekentenis van mijn aarzeling. Ik was bang dat deze onbekende dame een vamp was, want verscheidene vamps hadden al bewezen mij te kunnen breken, wat weer samenhing met die beroemde verdorvenheid van mij. Muzio probeerde me te sussen met het argument dat een vamp geen huwelijksadvertenties hoeft te plaatsen om haar slachtoffers te rekruteren. Ik liet me overtuigen en verzond de brief en ging door met mijn ‘kuur’ bij Van Puffelen, die tegelijk met andere (of dezelfde) stoffen en experimenten bezig scheen te zijn, want soms liep ik op de trappen naar zijn flat types tegen het lijf die in hun kraag wegdoken en zich duidelijk gehinderd voelden een soortgenoot in mij te herkennen.
Ik leed onder de bijwerkingen van het middel: het tandvlees kroop op, ik had last van haaruitval, hoofdpijn, de lippen hadden een paarse kleur gekregen. Maar de ziel dreef prettiger rond op de taaie vloeistof van het wachten. Mijn afval lag ergens te smeulen, rook ontsteeg aan mijn achterhoofd, zeepbellen zweefden uit mijn ogen, mijn oren bewogen onwillekeurig. Ik was gestagneerd in mijn vergankelijkheid, met verlichting omdat er niets gebeurde, en tegelijk was mijn tijdsbeleving zo diep geperverteerd dat het me pijn deed. Ik beklaagde me niet, want in de ultieme wachtkamer is het de wachtenden niet toegestaan zich te beklagen. En het lichaam hield de ziel niet meer zo meedogenloos in gijzeling, zij harmonieerde met mijn lot, zonder nostalgie, zonder hoop. Sereen herkauwde ik het risico van de beroerte of bloedstolling waarvoor Van Puffelen me had gewaarschuwd en met zijn cheques nogal genereus schadeloos stelde. ‘Aan een zijden draad’ – die uitdrukking spookte door mijn hoofd als ik door de nachtelijke stad naar huis waggelde.
Er kwam tot mijn verbijstering een uitnodiging van de dame op vrijersvoeten, die zich Maria Pia noemde, om kennis te maken. In de late nacht vóór ons rendez-vous, dat in de ochtend zou plaatsvinden (ik zou bij haar op de koffie komen), werd ik na mijn vertrek uit de Submarine door drie jongemannen, die mijn antipathie feilloos hadden aangevoeld toen ze op me afkwamen in de nauwe straat, gemolesteerd, niet eens beroofd. Mijn bril vertrapten ze grondig, alvorens mijn gezicht door de winkelruit van een melkboer te drukken. De hals hielden ze op veilige afstand van de glaspunten. Toen ze verdwenen waren kroop ik als een hagedis over de muren naar mijn onderkomen (ik weet niet meer waar ik toen woonde, aan de bosrand in een buitenwijk van de stad? In ieder geval was er dichtbij een kazerne of fabriek) en toen ik me realiseerde dat ik dat nest nooit op eigen kracht zou bereiken hield ik stil en dacht na, want ik wilde niet thuiskomen om daar als een dier te creperen en ik hoopte dat Maria Pia (de naam waarmee ze haar enthousiaste uitnodiging had ondertekend) bereid zou zijn me onmiddellijk in haar huis op te nemen. Medeleven zocht ik (alsof ik door mijn smartelijke verwonding weer jong en narcistisch geworden was), de compassie die weet van de dubbelzinnigheid waarmee een lichaam, een mens, zijn vernietiging zowel wil zoeken als ontvluchten. Zonder haar gezien te hebben wist ik dat Maria Pia mijn volmaakte aanvulling was. Als tweecomponentenlijm zou onze nog amorfe liefde in onze vereniging, aan de droge lucht van de doorleefde tijd, steenhard worden. Op een kattensprong van Van Puffelens huis wachtte zij, in een permanente staat van beschikbaarheid, op de gevallen engel die zij tot bruidegom zou uitverkiezen. En zo bevond ik me nog steeds naar haar onderweg – met gescheurde neusvleugels en opengehaald voorhoofd, dat voortdurend door de regen werd gereinigd, het bloed werd door mijn zwaar pompende hart bij golven tegelijk ververst – toen ik wegens een onverwachte wending – plotseling zag ik aan de overkant van de straat Muzio en Lilli lopen, onder één paraplu haastig naast elkaar voortstappend zonder mij te zien en ik deed ook niets om hun aandacht te trekken – een kleine wijziging in mijn route aanbracht. Als een automaat liep ik naar Van Puffelen, van wie ik nog steeds twee keer wekelijks geld en injecties betrok. Niet uit nood, maar omdat ik me belachelijk voelde wilde ik hem verzoeken, of desnoods dwingen iets aan mijn wonden te doen. Want het is tactloos je onaangename aspecten onverhuld te tonen, geen broek te dragen als je een napgat, geen donkere bril als je blind bent. Alles was onscherp en trillend. Ik strompelde de hal door en de trappen op naar het laboratorium. De deur van de flat stond op een kier, wat me meteen achterdochtig maakte. Druipend en morsend ging ik naar binnen en kwam in de kamer, er lagen opengevallen boeken op de grond, uit de kasten gerukt en als projectiel gebruikt in wie weet wat voor gevecht, verder ettelijke flessen en de inhoud van asbakken. Achter de geheime deur naar het lab klonk het zwakke hijgen en kreunen van Van Puffelen. Vervuld van twijfels, me in verwarring afvragend of mijn optreden dom of juist verstandig was, duwde ik de boeken weg, in de verwachting een zwaar gewonde professor aan te treffen die onmiddellijk bijstand nodig had. Of was het al te laat? Ik vergat dat ik zelf een machteloos slachtoffer was van grotestadsgeweld en deed een stap naar voren.
In het laboratorium was het donker. Alleen door de deuropening, waarin mijn gestalte zich nu aftekende, wijdbeens zwaaiend als een dronkaard, viel wat grijs morgenlicht naar binnen. Een hoge stem riep: ‘Help me hem uit te schakelen! Hij is gek geworden!’ Ik tastte naar de lichtknop en vond die na enig zoeken. In de drie, vier korte knipperingen waarmee de TL-buis startte deelde het toneel zich met toenemende duidelijkheid aan mijn waarneming mede en ik riep iets als ‘Wat doet u daar!’ en ondernam toen een fatale poging om de jongen te redden. Kende ik hem? Was ik hem wel eens op de trap tegengekomen? Misschien, maar daar ging het niet om. Ik was buiten zinnen, kookte van drift omdat dit mijn huwelijk met Maria Pia torpedeerde – ik dook naar de grond en griste een gebruikte, weggegooide injectiespuit uit een afvalemmer. Met dit ding in mijn vuist stortte ik me toen, zelf een wrak, op Van Puffelen, een oude schrale man die met afgezakte broek over de jongen gebogen stond, tussen diens naakte benen in. Deze bungelden over de rand van de tafel in het midden van het vertrek, de jongen lag achterover op het blad dat van wit, roestbruin dooraderd marmer was. Bloed in de melk! Ze zaten aan elkaar vast (en zo zouden ze later gevonden worden). De professor schrok van mij, misschien herkende hij me niet. Er ging een gedempt, beschaafd klinkend schot af uit het damespistooltje waarmee hij de ander in bedwang had gehouden. De schedel van zijn prooi explodeerde. Toen liet hij het wapen vallen, totaal verslagen.
Zijn bovenlijf wrong zich in een bocht, keerde zich naar mij toe en hij sloeg zwakjes met de armen om de steek af te weren die ik hem recht in het hart toediende zonder dat de naald het begaf.
Bloed in de melk… Hoe was het ook weer… Zat er in melk geen fosfor? Was het niet zo?
Wat Muzio betrof: ik had een adder aan mijn borst gekoesterd. Niemand anders dan hij kende het ware karakter van mijn verdorvenheid; dus waarom kostte het me toch nog zo veel tijd en moeite om zijn machinatie te doorzien? Op grond van zijn vingerwijzingen zou de rechter van instructie [manuscript door onbekende oorzaak afgebroken]