Mijn tante overleed toen ik veertien was. Ze liet twee gelijkluidende afscheidsbrieven na. ‘Vergeef me alsjeblieft!’ schreef ze. ‘Ik kan niet meer verder. Jullie liefhebbende Hedwig.’

Onderaan de eerste brief, die aan mijn moeder was gericht, stonden de woorden: ‘Ik kan niet, kan niet, kan niet.’

De tweede, die voor haar zoon was, bevatte de haast onleesbare en schuin naar beneden lopende toevoeging: ‘God zal me vergeven.’

Haar dood kwam voor ons als een verrassing. We kenden haar als een energieke en levenslustige vrouw. Ze was de jongste zuster van mijn vader en getrouwd met Kurt P., een electriciën, die net als mijn vader in de laatste maanden van de oorlog spoorloos verdwenen is. Wij hoopten destijds dat mijn vader en mijn oom gevangen waren genomen en op een dag onverwachts voor de deur zouden staan.

Toen haar man nog leefde had mijn tante zich, net als mijn moeder, beziggehouden met het huishouden en de opvoeding van de kinderen. De eerste jaren na de oorlog hielpen ze beiden bij het puin ruimen, later werkten ze bij J.W. Stalin, een fabriek voor electrische apparaten in Berlijn-Treptow; mijn moeder maakte schaalverdelingen, mijn tante stond aan de boormachine.

Mijn tante had minder moeite om zich bij de veranderde omstandigheden van na de oorlog neer te leggen dan mijn moeder. In het weekeinde ging ze vaak met een rugzak de boer op, ruilde kleine dingen van waarde die stadsmensen bezitten tegen levensmiddelen en deelde die met ons. Vaak sprak ze mijn moeder, die nogal sceptisch was, moed in. ‘Truitje’, zei ze, ‘je mag de hoop nooit opgeven’, vroeg om het kaartspel en begon de kaart te leggen. Steevast kwam dan hartenheer uit het spel.

Haar leven lang deed mijn tante haar best om te worden aangezien voor een rechtschapen en fatsoenlijk levende vrouw. Tegen haar omgeving wilde ze gunstig afsteken, zoals ze zei. Slordigheid kon ze niet verdragen. Zelfs in de eerste chaotische weken na de oorlog liet ze mij – als ik bij haar mocht logeren niet buiten spelen voordat ik mijn schoenen had gepoetst en mijn haar had gekamd. ‘Je wilt toch geen straatkind worden’, zei ze waarschuwend.

Mijn tante had één opvallende gewoonte die ik me nog precies herinner. Midden in de kamer staand begon ze plotseling haar handen tegen elkaar te wrijven, waarbij ze een onbeschrijflijk komisch gezicht trok. Met dat gebaar gaf ze te kennen dat ze zich kiplekker voelde. Nog altijd heb ik het eigenaardig knisperende geluid van haar wrijvende handen in mijn oren.

Mijn tante had een zoon die zich vlak voor het eindexamen van de middelbare school, na een onbeantwoorde liefde voor een bekende filmactrice, vrijwillig had aangemeld voor het front. Als vaandrig van de Duitse strijdkrachten raakte hij in januari 1945 in Amerikaanse gevangenschap, waaruit hij tweeënhalf jaar later werd ontslagen. In Beieren had hij een meisje leren kennen waar hij in het voorjaar van 1949 mee trouwde, nadat hij op haar verzoek tot het katholicisme was overgegaan. De grootste wens van mijn tante was dat haar zoon met zijn vrouw in Berlijn zou komen wonen, maar hij schreef in een brief dat dit voor hem onmogelijk was zolang de Russen daar nog lagen. Voorlopig wilde hij hier in Freising in Opper-Beieren, de woonplaats van zijn vrouw, een nieuw bestaan opbouwen.

Daarop besloot mijn tante om zelf met hem te gaan praten. Ze wilde heimelijk de grens over van de Russische naar de Amerikaanse zone. Mijn moeder raadde haar dat ten stelligste af. Volgens de verhalen die hierover de ronde deden was zo’n reis naar het westen voor een vrouw van even in de veertig geen ongevaarlijke onderneming. Maar mijn tante was niet van haar plan af te brengen en ze wreef zich in de handen van vreugde bij de gedachte, dat ze haar enige zoon na vijfjaar voor het eerst weer terug zou zien.

Ze kwam zonder moeite de grens over. Toen mijn tante terugkwam leek ze uiterst tevreden. Ze vertelde dat haar zoon het in zijn beroep en ook financieel weliswaar niet gemakkelijk had, ‘maar hij heeft ook niets geleerd!’, maar dat hij een aardige en goede vrouw had gevonden en over de terugkeer naar Berlijn nog eens na zou denken.

De zomer daarop verscheen hij inderdaad samen met zijn vrouw in Berlijn. Hij was enorm groot. Ik keek vreselijk tegen hem op. Hij vertelde me dat hij bij München 1860 speelde, als keeper van het tweede, en hij was er zeker van dat hij nog een schitterende sportcarrière voor de boeg had.

‘Wacht maar af, zei hij tegen me, ‘volgend seizoen speel ik in het eerste.’

De vrouw van mijn neef heette Toni, droeg een dirndl en kon op twee vingers fluiten.

Mijn neef wilde twee weken blijven, maar ging – wij hadden dat geen van allen verwacht, ook mijn tante niet – na drie dagen alweer terug. Mijn tante vertelde dat hij zich hier bij de Russen niet veilig had gevoeld, dat de angst hem overal had achtervolgd en met een bezorgd gezicht voegde ze eraan toe: ‘Wie weet wat hij in de oorlog heeft meegemaakt.’

Schijnbaar kreeg mijn neef ook meer vertrouwen in zijn kansen om hogerop te komen, want mijn tante raakte meer en meer verzoend met het idee dat hij zich definitief in Freising in Opper- Beieren wilde vestigen. ‘Als katholiek heeft hij daar ook meer mogelijkheden’, zei ze een keer. ‘En die streek! Een plaatje!’

In de winter van 1950 vroeg mijn tante een vergunning aan voor een reis van vier weken naar de Amerikaanse zone, ze kreeg toestemming om het voorjaar daarop te gaan. Zelden heb ik mijn tante tevredener gezien dan toen. Voor mijn veertiende verjaardag in januari gaf ze mij de jaargangen 1948 en 1949 van het tijdschrift ‘Natuur en techniek’, die ze na tamelijk veel moeite in een antiquariaat had gekocht. Verder kreeg ik van haar twee boeken uit de kleine bibliotheek van mijn neef, ‘Jörg Jenatsch’ van Conrad Ferdinand Meyer en een biografie van Nettelbeck. Bovendien beloofde ze me voor het komende paasfeest de windbuks van mijn neef. Ik kreeg een kleur van vreugde. Mijn tante vertrok haar gezicht, wreef ziet in de handen en glimlachte toen.

Toen ik veertien dagen voor haar vertrek de voordeur voor haar opendeed kende ik haar niet terug. Ze was doodsbleek, liep met een afwezige blik langs me heen en ging zwijgend op een stoel zitten. Mijn moeder liep geschrokken door de kamer en smeekte haar in godsnaam te vertellen wat er was gebeurd, ‘mijn god, Hete, zeg dan toch iets!’, maar mijn tante barstte in tranen uit en was pas na een kwartier in staat een woord uit te brengen. ‘Ik wilde Manfred toch niet onnodig op kosten jagen’, zei ze snikkend.

Het volgende was gebeurd: Met het oog op haar reis naar het westen had mijn tante zich herinnerd dat er op de vliering nog oud materiaal van haar man lag. Nadat ze door een buurvrouw op die mogelijkheid was gewezen, had ze een paar kilo van het non-ferrometaal naar de westelijke sector van de stad gebracht en daar bij een uitdrager voor een verrassend hoog bedrag aan Westduitse marken kunnen verkopen. Vandaag had ze het grootste gedeelte van de voorraad, zeven en een halve kilo loden pijpen, de grens over willen brengen. Boven het gasfornuis had ze het metaal omgesmolten tot kleine staven. Ze had die in haar boodschappentas gedaan en was op lijn 4 gestapt, die toen nog door de Bernauer Strasse reed, waarvan de ene kant tot de Franse en de andere kant tot de Russische sector behoorde.

Bij de Eberswalder Strasse, vlak voor de grens met de Franse sector, was de tram gecontroleerd, wat nog niet zo lang gebeurde. Net als de eerste keer had mijn tante de tas onopvallend naast zich gezet en – zei ze snikkend – er had ook deze keer niets kunnen gebeuren als een van de controleurs niet toevallig met zijn voet tegen de tas was gestoten. Met een van pijn vertrokken gezicht had hij toen gevraagd of die tas van haar was en mijn tante had niet durven ontkennen.

Ze had moeten uitstappen en in een vertrek van het nabijgelegen postkantoor hadden ze haar tas gecontroleerd en had ze zich moeten laten fouilleren. Toen hadden ze haar met de politie-auto naar het hoofdbureau in de Neue Köningsstrasse gebracht, waar ze door een rechercheur was verhoord. Ze had onmiddellijk bekend. Ze hadden echter niet geloofd dat dit pas de tweede keer was. Daarna hadden ze haar – en toen mijn tante dit vertelde liet ze haar tranen weer de vrije loop, zodat mijn moeder haar lang en kalmerend moest toespreken voordat ze in staat was om verder te vertellen – daarna hadden ze haar vingerafdrukken genomen en vervolgens was ze naar een vertrek gebracht waar ze haar van alle kanten hadden gefotografeerd. ‘Van alle kanten’, herhaalde ze ongelovig en snikkend, ‘als een misdadiger’.

Ze zweeg en staarde langs mijn moeder door het raam naar buiten. Ik kan me niet herinneren mijn tante ooit zo ontdaan te hebben gezien als op dat moment.

De volgende twee weken kwam ze iedere avond bij ons. Ze zat op een van de beide stoelen tegenover mijn moeder, praatte nauwelijks en als ze toch iets zei, dan slechts over één ding: wat er nu in godsnaam ging gebeuren, ze had haar hele leven nooit iets met de politie te maken gehad: ‘Hoe moet ik mijn jongen nu onder ogen komen?’

‘Maar Hete’, zei mijn moeder dan en liet haar stem zo zorgeloos mogelijk klinken, ‘je bent toch geen zwarthandelaar. Het was toch je persoonlijk eigendom. Je moet het je niet zo aantrekken.’

Mijn tante zweeg dan meestal en leek gerustgesteld. Maar hoe vaker mijn moeder de bezorgdheid van mijn tante wilde wegnemen, des te geslotener werd ze. De verandering die zich in haar voltrok had iets tegenstrijdigs. Aan de ene kant ging ze door met de voorbereidingen voor de reis naar haar zoon. Ze kocht een nieuwe mantel en twee dagen voordat ze zou vertrekken verscheen ze met een nieuw kapsel. Aan de andere kant praatte ze veel rustiger als ze, een enkele keer, nog eens iets over haar zaak (zoals zij het noemde) zei. Ook heb ik nu het idee dat ze veel meer doordrongen raakte van de mogelijke gevolgen ervan. Wat me destijds al opviel: ze keek me niet meer in de ogen als ze met me praatte.

Op een avond, ze zat bij ons aan tafel zonder iets te eten, hief ze haar hoofd op en zei: ‘Truitje, ze houden me in de gaten.’

‘Maar Hete!’ zei mijn moeder.

‘Eerlijk waar’, zei mijn tante en ze leek volkomen zeker van haar zaak. ‘Gisteravond stond er aan de overkant een man in de hal van het trappenhuis. Hij heeft de hele tijd naar boven staan kijken.’

Mijn moeder schudde ongelovig het hoofd.

‘Eerlijk waar’, hield mijn tante vol, ‘ik ben hem ook in de tram tegengekomen. Hij hield me in de gaten.’

‘Hete, je vergist je vast’, zei mijn moeder bezwerend.

‘Nee’, zei mijn tante, ‘zo kun je je niet vergissen.’

‘Je maakt jezelf iets wijs’, zei mijn moeder. ‘Volgens mij pieker je te veel’.

‘Truitje, zei mijn tante, ‘ze zullen me nog in de gevangenis stoppen.’ Ze sloeg haar handen voor het gezicht, blijkbaar geschrokken over haar moed om iets uit te spreken dat je in onze kringen – als het betrekking had op jezelf – niet eens durfde te denken. Ik weet nog dat dit woord haast net zo’n vreemd gevoel in mij opriep als het woord pest, als ik dat in een boek tegenkwam. Ik herinner me ook nog het verbijsterde gezicht van mijn moeder, alsof er iemand binnen was gekomen en verteld had dat mijn vader, die voor vermist doorging, dood was. Maar zelfs dat, lijkt me nu, had ze beter kunnen bevatten dan dit woord, dat voor haar, net als voor mijn tante, het begin van een onuitwisbare schande, van een eeuwige vloek leek te zijn.

‘Maar Hete!’ riep mijn moeder toen ze zichzelf weer in bedwang had, ‘je moet toch niet meteen het ergste denken. Ga nu eerst maar eens naar Man- fred en laat al het andere gewoon op je afkomen.’

Toen mijn tante die dag naar huis ging keken we haar, net als altijd, door het raam na en als ze zich omdraaide zwaaiden we, tot ze de hoek om was.

Mijn tante woonde in de vroegere Weissenburger Strasse, op nr 38 vier hoog. De volgende ochtend, de dag dat ze zou vertrekken, heeft zij, zo is ons verteld, de aandacht van enkele voorbijgangers getrokken door in de vensterbank te gaan staan en aanstalten te maken om naar beneden te springen. Er is toen snel een oploopje ontstaan en de mensen hebben gebaard en geschreeuwd dat ze achteruit moest gaan. Inderdaad is ze van de vensterbank gestapt en heeft ze het raam dichtgedaan.

Een buurvrouw, wier aandacht was getrokken door het lawaai op straat, belde aan en ging toen naar binnen omdat er niemand opendeed. Ze was al in het bezit van de reservesleutel, mijn tante had hem voor de duur van haar reis aan haar gegeven, omdat in die tijd de gasopnemer zou komen. In de kamer aan de straatkant was niemand geweest, vertelde ze ons later. Maar toen ze de deur opendeed van de keuken die uit kijkt op de binnenplaats had ze mijn tante op de vensterbank zien zitten, ze zat met de rug naar haar toe, haar benen bungelend in de lucht. Nog voordat zij, de buurvrouw, een woord had kunnen uitbrengen was mijn tante naar beneden gesprongen.

Toen de artsen het lijk van mijn tante onderzochten constateerden ze een dubbele schedelbasisfractuur, twee gebroken dijbenen en letsel aan de belangrijkste inwendige organen.

Twee weken later kreeg mijn moeder post uit Freising in Opper-Beieren. Er werd gedetailleerd in aangegeven hoe de begrafenis moest plaatsvinden. Verder werden de redenen uiteengezet, waarom mijn neef onmogelijk aan de plechtigheid kon deelnemen zonder zijn werk in gevaar te brengen.

De brief eindigde met de zinnen: ‘Al mijn gedachten zijn bij jullie. Ook al zal ik om redenen van geloof de vrijwillige dood van mijn geliefde moeder nooit kunnen billijken, toch respecteer ik haar motief zichzelf en mij het ergste te willen besparen.’

____________________________

Uit: Klaus Schlesinger, Berliner Traum. Rostock, Hinstorff Verlag 1977.