Naarmate wij hoger kwamen werd de plantengroei spaarzamer. Weldra werd de bodem aan alle kanten geheel naakt, en aan het einde van onze tocht werden wij een groot plein gewaar dat zeer glad was en volledig kaal.
Wij deden enkele stappen naar een plek waar zich een soort bestratingstoestel bevond, dat door zijn vorm herinnerde aan heijuffers of straatstampers die worden gebruikt voor het egaliseren van bestrate wegen.
De heijuffer, die er licht uitzag, al was zij helemaal van metaal, hing aan een heldergele ballon die, van de onderkant af kringsgewijs wijder wordend, deed denken aan het silhouet van een luchtballon.
Daaronder was de bodem allervreemdst geplaveid.
Over een tamelijk groot gebied lagen overal menselijke tanden en kiezen, die een grote verscheidenheid van vormen en kleuren vertoonden. Sommige, die blinkend wit waren, contrasteerden met de snijtanden van rokers die het complete kleurengamma lieten zien van lichtbruin tot kastanje. Alle gelen kwamen voor in deze vreemde verzameling, vanaf de zacht beslagen tonen strogeel tot de ergste felle nuances. Blauwe tanden, zachtblauw hetzij donkerblauw, voegden het hunne toe aan deze rijke polychromie, gecompleteerd door een menigte van zwarte tanden en kiezen, en door de bleke of schreeuwende rode tinten van allerlei bloederige wortels.
De contouren en de onderlinge verhoudingen verschilden tot in het oneindige immense kiezen en monsterlijke hoektanden lagen naast vrijwel onzichtbare melktandjes. Heel wat metaalachtige glinsteringen bloeiden her en der open, afkomstig van plomberingen en gouden vullingen.
Op de plek die op dat moment werd ingenomen door de stamper brachten de tanden en kiezen, die vlak tegen elkaar lagen neergespreid, een werkelijk schilderij voort, nog onvoltooid. door niets anders dan door de afwisseling van hun tinten. Het geheel stelde een dragonder voor die lag te sluimeren in een sombere krypte, vadsig uitgestrekt aan de oever van een onderaardse vijver. Een ijle rook, voortgebracht door het brein van de slaper, gaf bij wijze van droom een elftal jongelieden te zien, die half gebogen waren onder de heerschappij van een angst welke werd ingeboezemd door een bepaalde bijna doorzichtige luchtbol die blijkbaar diende als doel voor de heersersvlucht van een witte duif, en die op de grond een lichte schaduw wierp die een dode vogel aan het gezicht onttrok. Een oud boek lag gesloten naast de dragonder, zwak verlicht door een toorts die rechtop was neergeplant in de vloer van de krypte.
Het geel en het bruin overheersten in dat zonderlinge tandenmozaiek. De andere, zeldzamer tinten zorgden voor levendige en aantrekkelijke accenten. De duif, gemaakt van prachtige witte tanden, had de houding van een snelle, sierlijke vlucht; deel uitmakend van de uitrusting van de dragonder, vormden een aantal handig geschikte wortels tezamen enerzijds een bepaalde rode veer die een sombere hoed versierde welke was neergevallen vlakbij het boek, anderzijds een grote purperen mantel die werd samengehouden door een koperen gesp, gevormd door ingenieuze rangschikkingen van gouden vullingen; een complex amalgaam van blauwe tanden schiep een hemelsblauwe broek, die stak in grote laarzen van zwarte kiezen; de zolen, goed zichtbaar, waren een samenklomping van hazelnootkleurige kiezen, waartussen tal van plomberingen regelmatig verdeelde spijkers moesten verbeelden.
De heijuffer was op dat moment opgehouden bij de linkerlaars.
Om het schilderij heen lagen overal tanden en kiezen in de grootste onsamenhangendheid, min of meer rondgestrooid, zonder enig schilderkunstig resultaat. Buiten de fictieve grens die in het rond was aangegeven door de kiezen en tanden die het verst verwijderd waren van het middenveld, strekte zich een ledige ruimte uit, die zelf weer werd omgeven door een dun touw, dat zo nu en dan was bevestigd boven aan kleine stokjes van enkele centimeters hoog. Wij stonden allemaal in een rij naast elkaar voor die veelhoekige barrière.
 
Plotseling ging de stamper uit zichzelf omhoog in de lucht en voortgedreven door een zacht windje kwam hij na een rechtstreekse, langzame luchtreis niet ver van ons weer neer, boven op een rokerstand, gebruind door de tabak.
Canterel, die ons met een gebaar meevoerde, stapte over het touw heen, overschreed het ledige grensgebied, en liep op het lucht-toestel toe. Wij volgden hem allen, erop lettend niet tegen de overal verspreide tanden en kiezen te schoppen, want hun ogenschijnlijke wanorde was zonder enige twijfel het moeizame resultaat van grondige studiën.
Van dichtbij nam het oor allerlei getik waar dat gemaakt werd door de heijuffer die glansde in de zon.
Zonder ons de allerverleidelijkste commentaren aan te smeren, vestigde Canterel onze aandacht op de verschillende organen van het toestel.
Precies op de top van de ballon, onbedekt gelaten door het ballonnet dat daar een soort reliëfloze kraag vormde, zat een automatisch aluminium ventiel met een ronde opening, voorzien van een sluitklep, en een kleine chronometer met een duidelijk zichtbare wijzerplaat ernaast.
Onder de ballon hielden de vertikale dunne touwwerken, die tezamen het onderste deel van het ballonnet vormden, geheel gemaakt van fijne, lichte, rode zijde, bij wijze van gondeltje een ronde aluminium schaal vast aan gaten die in de opstaande, zeer lage rand geboord waren; de schaal, die leek op een omgekeerde deksel, bevatte een okergele substantie die in een dunne laag op de horizontale bodem lag te pronken.
De onderkant van de schaal was in het midden vastgeklonken aan de top van een nauwe cylindrische, verticale paal van aluminium, die de romp van het object vormde.
Een lange buis, eveneens van aluminium, vastgemaakt van opzij in het bovenstuk van de paal, verhief zich schuin naar de hemel, hoger dan de ronde schaal, en eindigde in een drievoudige vertakking. Elk van de drie vertakkingen ondersteunde aan haar top een tamelijk grote chronometer, waar een ronde spiegel met dezelfde omtrek tegen aan zat; de drie wijzerplaten, die elkaar niet leken te willen kennen, staken uit in drie uiteenliggende richtingen, terwijl de drie van spiegelfoelie voorziene glazen schijven waren toegewend naar de gemeenschappelijke tussenruimte, en respectievelijk op het westen, het zuiden en het oosten waren gericht. Op dat ogenblik ving de eerste spiegel recht het beeld van de zon op, en beschoot daarmee volop de tweede, die het doorzond naar de schaal-gondel, terwijl de derde spiegel geen enkele rol scheen te spelen. Elke spiegel was met vier horizontale, fijn getande staafjes verbonden aan zijn chronometer; de staafjes waren individueel omhoog, omlaag, naar rechts en naar links gezet in de keerzijde van de omtrek; elk van de drie staafjes ging dwars door de chronometers heen, en stak een beetje lager aan de andere kant, in de periferische rand rondom de wijzerplaat, naar buiten, als een diameter voor het geheel van de beweging van het mechaniek.
In werking gezet door onzichtbare tandwieltjes die deel uitmaakten van het uurwerk van de chronometers, konden de staafjes, dankzij een grote gevarieerdheid van bewegingen vooruit en terug, aan de spiegels allerlei schuine standen geven; de voorzijde van elk staafje werd gevormd door een kleine metalen kogel, die voor tweederde gevangen werd gehouden door een volledige holte, die bevestigd was aan de achterzijde van de betreffende spiegel; deze wijze van bevestiging maakte gemakkelijk alle verplaatsingen van de schijf mogelijk, die zo in de meest uiteenlopende richtingen kon reflecteren.
Elke dag volgde het drievoudige systeem de zon in zijn omloop, van zonsopgang tot zonsondergang. Tijdens de ochtend ving de naar het oosten gewende spiegel als eerste de volheid van de fonkelende lichtstralen op; nadat het hemellichaam de middaghoogte was gepasseerd. werd hij werkeloos, en nam de tegenoverstaande spiegel zijn rol over. De op het zuiden gerichte spiegel, die van het ochtendgloren tot de avond weerbaar was, weerkaatste de lichtende uitstralingen die de ene of de andere glanzende buurschijf er zonder onderbreking op afschoot, altijd als tweede, om die dan in een vaste richting weg te sturen.
Op het midden van de schuine huis die aan zijn uiteinde drievoudig vertakt was, verhief zich een kort recht dwarsstuk, dat bijna dadelijk uitliep in twee kromme zijstukken, die een halve omtrek beschreven, met horens die naar het zenith staken. Deze halve cirkel, die loodrecht stond op het ideale vertikale vlak waarin zich de schuine buis bevond, kon dienen als gedeeltelijke omlijsting voor een krachtige ronde lens die, terwijl zijn horizontale diameter samenviel met de halfcirkel, van binnen met twee spillen was vastgemaakt aan het hoogste deel van de gebogen zijstukken.
De lens, met grote nauwkeurigheid geplaatst midden in de lichtbundel die indirect door de verste spiegel werd afgebogen, lag parallel aan de stralen die haar overgoten.
Een chronometer van minimale afmetingen, waarvan de wijzerplaat de buitenkant versierde van de bovenkant van één van de gebogen zijstukken, had tot opdracht de lens te laten wentelen op bepaalde, exact vastgestelde momenten, door middel van een subtiel samenspel tussen zijn bewegingen en de eraan bevestigde as.
Om de stevigheid van het geheel te verzekeren, was een horizontale metalen staak, die als een halve halter uitliep op een bolvormig tegenwicht, vastgeschroefd in de aluminium paal, precies aan de andere kant dan waar de lens en de spiegels zaten.
Een immense magneetnaald, die afkomstig scheen van een reusachtig kompas, stak loodrecht door de paal te halverhoogte, met aan beide kanten even veel lengte, en diende om dankzij zijn magnetisme het vliegtoestel tijdens het vliegen in een onwrikbare richting te houden. Zijn noordpunt zat recht onder de op het zuiden gerichte spiegel, terwijl zijn zuid-punt op overeenkomstige wijze, maar met een kleinere afstand ertussen, samenviel met het bolvormige tegenwicht.
Als voetstuk ondersteunden drie kleine aluminium klauwen, gebogen en samengebald, herinnerend aan kastpoten in miniatuur, de onderkant van de paal; elke klauw rustte met zijn uiteinde op de grond, en gaf de stamper een voldoende groot werkvlak; aan de lage buitenkant van zijn regelmatige en vooruitspringende gebogenheid vertoonde elke klauw een wijzerplaat van een zeer kleine chronometer, die ternauwernood groter was dan zijzelf.
Te halver hoogte van de drie klauwen waren respectievelijk aan de binnenkant convergerend verankerd: drie kleine horizontale spijkers, waarvan de punten heel lichtjes waren binnengedrongen in de omtrek van een minuscuul blauwmetalen schijfje, dat zodoende apart en vlak was opgehangen in de ruimte, juist onder de middenas van de paal. Een tweede schijfje van hetzelfde formaat, maar van een helder grijs metaal, zat direct boven het andere, met een tussenruimte van een millimeter, en dat was opgehangen aan een fijn vertikaal buisje dat de schijf aan de ene kant in het midden van zijn bovenvlak vasthield, en dat aan de andere kant in de paal verdween.
Iets hoger dan de hoogte waar de klauwen vast zaten, vormde de uiterste onderkant van de paal, op een punt van zijn omtrek, een schrijn voor een laatste chronometer.
 
Nadat Canterel ons de nodige tijd had gelaten voor een grondige bestudering van de heijuffer, liep hij op zijn voetstappen terug, gevolgd door onze groep. en enkele sekonden later stonden wij allen opgesteld als tevoren langs het touw waar wij opnieuw overheen waren gestapt.
Het geluid van een zwakke schok vestigde weldra onze ogen op het onderstuk van het toestel; tussen de drie klauwen was de grijze schijf naar beneden gezakt, door een drukkende beweging van zijn staafje, en kwam snel tegen de andere aan; beide schijven bleven vast tegen elkaar zitten. Precies op het ogenblik van hun samenkomst kwam de bruine kies, die er onder lag, van de grond af en bleef, gehoorzamend aan een vreemde magnetische kracht, tegen de onderkant van de blauwe schijf vastkleven. Voor het oor waren de twee botsingen, die tegelijk leken te gebeuren, samengesmolten tot één enkele.
Vlak daarna spoot een lichtstraal op vanuit de lens, die na het plotseling volvoeren van een kwartslag, wentelend om de as van zijn horizontale middellijn, om daarna de lichtstroom, die de op het zuiden gerichte spiegel schuin omlaag uitzond, loodrecht te breken. Ten gevolge van deze manoeuvre werden de stralen, die door het speciale glas heen vielen, met kracht geconcentreerd op het volledige oppervlak van de gele substantie die in de ronde schaal onder de ballon zat; een aantal van de onderste touwwerken van het ballonnet deden met een onmerkbare schaduw de plotselinge glinstering vervagen. Door de inwerking van de intense hitte die zo werd veroorzaakt, begon de okerige massa een licht gas vrij te geven, dat in de ballon terecht kwam via de wijd geopende klep, en de ballonhouder werd geleidelijk meer gevuld. De opstijgingskracht was weldra voldoende om het gehele toestel op te tillen, en dat sprong zachtjes de lucht in, terwijl de lens na een nieuwe kwartslag in dezelfde richting de gele massa in het duister liet, toen de concentratie van zonnestralen ophield.
De wind was gedraaid tijdens ons oponthoud aan de overzijde van de touwenhindernis, en de heijuffer werd meegedreven naar het tandenschilderij; maar deze tweede tocht maakte een tamelijk grote hoek met de eerste, en het toestel bewoog zich naar de duisterste hoek toe van de krypte waar de dragonder sluimerde.
Onderaan strekte één van de klauwen zich tijdens de vlucht vanzelf uit dankzij een inwendige naald die een halve centimeter naar beneden schoof.
Weldra liet de ballon zichtbaar wat gas ontsnappen, en het toestel zette bij zijn daling zijn twee niet uitgestoken klauwen neer op een geheel van donkere kiezen, die toebehoorden aan één van de zijkanten van de onderaardse vijver, terwijl de sinds kort zichtbaar geworden naald op de kale grond neerkwam temidden van een leeg gebleven ruimte. Op het moment van de landing hadden we op de top van de luchtballon het nog wijd geopende ventiel gezien, dat na het laten ontsnappen van de gewenste hoeveelheid gas, weer geruisloos dicht ging door middel van zijn sluiter, een eenvoudige aluminium schijf die het vermogen had om beurtelings aan het oog te zijn onttrokken en dan weer te verschijnen door te draaien zonder van niveau te veranderen, om een as die aan een punt van zijn uiterste rand was bevestigd. Door een analogische redenering konden wij nu begrijpen hoe de eerste luchtreis van de straatstamper was volvoerd door middel van de lens en het ventiel, waarvan de respectieve handelingen toen aan onze oningewijde ogen waren ontgaan.
Tussen de drie klauwen was zojuist de grijze schijf, voortgestuwd door zijn staafje, naar voren gekomen, en opnieuw was hij door een millimeter afstand van de blauwe schijf gescheiden. Als bewijs dat door dat feit de magnetische kracht was teniet gedaan, verliet de met nicotine beladen kies, die met het toestel door de lucht was meegegaan, de onderkant van het blauwe schijfje en viel op de grond neer, waar hij een gedeelte van het onvoltooide stuk van het mozaiek bedekte. De tint van de nieuw geloste lading harmonieerde met die van de naburige kiezen, en het schilderij was iets verder gevorderd door deze zeer kleine toevoeging, die op de juiste plaats was gedeponeerd.
De lens volvoerde een kwartslag in de gebruikelijke richting, en de uitwasemingen van de okerachtige substantie, die met fel licht werd verhit, vulden de gummizak. De ballon verhief zich, terwijl de lens ten tweede male wentelde, en de schuifnaald de klauw introk, die een soort omhulsel ervoor vormde. De wind had nog dezelfde richting, en de heijuffer vervolgde haar tocht regelrecht tot aan een eenzame, ver verwijderde roze wortel, fijn en puntig van vorm, waarboven een manoeuvre van het ventiel het toestel liet dalen en op de grond neerkomen.
 
Canterel nam toen het woord om ons uiteen te zetten waarom het vreemde luchtvehikel tot stand was gekomen.
De meester had de kunst van de weersvoorspelling tot de uiterste grenzen van het mogelijke gebracht. Dankzij één blik op een groot aantal verbazend gevoelige en nauwkeurige instrumenten wist hij voor een bepaalde plek tien dagen van tevoren welke richting en kracht elk windje had, evenals het opkomen, de grootte, de doorschijnendheid en het condensatievermogen van de geringste wolk.
Om de uiterste volmaaktheid van zijn voorspellingen goed te doen uitkomen, dacht Canterel een apparaat uit dat in staat was een esthetisch werkstuk te scheppen dat slechts aan de verenigde krachten van zon en wind te danken zou zijn.
Hij bouwde de heijuffer die wij aanschouwden, en voorzag haar van vijf superieure chronometers welke alle bewegingen ervan moesten regelen de bovenste om het ventiel te openen of weer te sluiten, terwijl de andere door het instellen van de spiegels en de lens waren gericht op het met behulp van de zonnevuren vullen van de gaszak van de luchtballon, dankzij de gele substantie die middels een speciale samenstelling bij elke calorische stijging een bepaalde hoeveelheid waterstofgas vrijliet. De meester had de okerige stof zelf uitgevonden; de verlichtende uitwasemingen daarvan werden alleen voortgebracht wanneer de lens er de stralen van het gloeiende hemellichaam op concentreerde.
Zodoende had Canterel een instrument dat zonder andere hulp dan die van de min of meer ongehinderde zon een precies traject kon afleggen door te profiteren van een zodanige atmosferische stroming, welke lang van tevoren was voorzien.
De meester onderzocht van toen af welk materiaal gebruikt kon worden voor het ter wereld brengen van zijn kunstwerk. Slechts een fijn mozaiek leek hem geschikt voor een moeizaam en frekwent heen-en-weer vliegen van het toestel. En ook moesten de veelkleurige brokstukjes door middel van een onderbrekende aantrekkingskracht om beurten aangetrokken en losgelaten kunnen worden door de onderkant van de stamper. Canterel besloot ten slotte om een ontdekking te gebruiken die, sinds hij haar enkele jaren tevoren had gedaan, in de praktijk altijd uitstekende resultaten had afgeworpen.
Die ontdekking betrof een merkwaardig systeem dat het trekken van tanden en kiezen mogelijk maakte zonder dat dat pijn veroorzaakte, en waardoor het gevaarlijke en schadelijke gebruik van alle verdovingen werd vermeden.
Na langdurige onderzoekingen had Canterel twee zeer complexe metalen verkregen, die, tezamen gebracht, onmiddellijk een onweerstaanbare en speciale aantrekkingskracht teweeg brachten, welke uitsluitend vat had op de kalkbestanddelen waaruit mensentanden zijn opgebouwd.
Het ene van deze metalen was grijs, het andere had een staalblauwe glans. Nadat hij uit elk van heide een schijfje had gemaakt met een straal van één millimeter, had hij het grijze schijfje vastgemaakt aan een fijn stijf staafje dat een beetje schuin op het vlak stond – en had hij in de omtrek van het blauwe schijfje op symmetrisch gelijke afstanden de punten van drie korte horizontale divergerende staafjes, die aan hun andere uiteinde vastzaten aan de bovenomtrek van een kleine cylinder die voorzien was van een zeer kleine handgreep, laten verzinken. Als het ogenblik gekomen was bracht hij met twee handen, die hij verschillend gebruikte, de cylinder in de mond van een patiënt, drukte de dikke en niet scherpe onderrand op de twee kiezen die aan twee kanten grensden aan de te verwijderen kies – drukte dan het grijze schijfje aan, dat hij exact tegen het blauwe aan hield. De aantrekkingskracht trad onmiddellijk op, zo onverwacht en zo sterk dat de zieke kies, gehoorzamend aan de oproep, zijn holte verliet zonder de belanghebbende de tijd te gunnen de geringste folterende schok gewaar te worden – en de kies schoot de cylinder binnen, welke volledig van platina was, net als de drie staafjes; de cylinder bleek een weerstand te hebben die tegen alles bestand was. Als het de onderkaak betrof, werd de cylinder normaal neergezet met het blauwe schijfje hoven; daarentegen, in geval het ging om de bovenkaak, vereiste de ingreep, al was die gelijk, de volledige omkering van de cylinder en van het grijze schijfje. Voor afgetakelde monden, als aan de ene kant een steunpunt ontbrak ten gevolge van een missende kies, koos de meester, met het oog op een heel eenvoudige toepassing, uit een gevarieerde partij volledig ivoren parallellopipida er eentje, die door zijn hoogte de beste aanvulling kon verschaffen; de cylinder die aan de ene kant rustte op een kies, en aan de andere kant op het stukje ivoor, kreeg zo de gewenste opstelling. Wanneer een volkomen leemte de ziekelijke, dubbel geïsoleerde tand omgaf, werden twee parallellopipida noodzakelijk. Geconfronteerd met twee steunkiezen van ongelijke grootte, putte Canterel uit een sortering kleine ivoren blokjes van uiteenlopende dikte, waarvan er één, op de laagste kies neergelegd, een volmaakte gelijkheid van niveau opleverde gedurende het kritische ogenblik.
Door een bedoeld gevolg van de bijzondere atoom-combinatie die dat teweeg bracht, deed de magnetische werking zich alleen voor aan de zijde die in het begin van binnen verduisterd was door de cylinder, op het strikte veld van een feilloze denkbeeldige buis van onbegrensde lengte, waarvan de as dwars door het middelpunt van de twee schijfjes was gegaan, en waarvan de middellijn die van de schijfjes had geëvenaard. Het grijze schijfje liep dus niet de kans om één van de tanden van de kaak tot zich te trekken, die niet bedoeld werd, en het blauwe schijfje richtte zijn inwerking slechts op een gedeelte van de bedoelde tand of kies, zonder ook maar enigszins de buurtanden te verstoren; gezien de uitzonderlijke intensiteit was deze begrensde werking voldoende om te leiden tot het nagestreefde resultaat, dat geheel pijnloos was door de onverwachtheid. Wanneer de tand of kies eenmaal was getrokken, en vastgekleefd zat tegen het blauwe schijfje. trok Canterel dadelijk het grijze schijfje los, uit vrees dat de aantrekkingskracht, die – zoals hij experimenteel had vastgesteld – zou blijven voortduren ondanks het obstakel. per ongeluk een gezond gedeelte van het gebit had losgewrikt, ten gevolge van een verkeerde beweging van de geopereerde of van hemzelf.
Dit procedee, dat al spoedig bekend werd, had een menigte bezoekers met ontstoken tanden naar Locus Solus toe getrokken, die allemaal verrukt over de prompte en prettige wijze waarmee de oorzaak van hun kwaal werd uitgerukt, zonder dat ze de geringste pijnlijke schok hadden gevoeld, weer daarvan terugkeerden.
De meester stortte de door zijn kunst ontzegelde tanden en kiezen kriskras op de vuilnishoop, en hij had nooit de gelegenheid zich bezig te houden met deze benauwende voorraad, waarvan de vernietiging voortdurend werd uitgesteld.
Na de ontluiking van zijn nieuwe project zegende hij die opeenvolgende vertragingen, die een bruikbare en praktische bouwstof binnen zijn beschikking hadden gebracht.
Hij nam het besluit zijn voorraad aan tanden en kiezen te bestemmen voor de uitvoering van zijn mozaiek. De schakeringen en kontoeren ervan verschilden voldoende om zich te lenen tot die fantasie, en een complexe verrijking zou worden verschaft door de min of meer felle bloederigheid van de wortels, tesamen met de stralende reflexies van de gouden vullingen en de plomberingen.
Nauwgezet maakte de meester aan de onderkant van zijn stamper, tussen de drie klauwtjes die tot steun dienden, twee nieuwe schijfjes vast, die gelijk waren aan de schijfjes die hij gebruikte voor zijn tand-operaties. Maar ditmaal had hij de samenstelling van de twee metalen zó geregeld, dat een veel minder overheersende aantrekkingskracht werd gevormd; het ging er inderdaad slechts om, tanden en kiezen op te pakken die eenvoudigweg op de grond waren neergestrooid, zonder die te hoeven lostrekken uit hun tandholten; tijdens een overtocht met hun lichte buit van het ene punt naar het andere, zouden twee even sterke schijfjes als de oorspronkelijke, anders alle tanden en kiezen hebben opgehapt van de bodem waarover hun werkingsveld was heengegleden, waarbij iedere laatst gekomen tand vertikaal zou opspringen om tegen de voorafgaande te kleven; dat zeer belangrijke ongerief was niet te vrezen nu de nieuwe schijfjes, die gelijk waren aan de eerste in grootte en in individuele verschijningsvorm, niet méér kracht hadden dan nét noodzakelijk was om van heel nabij een tand, die geen weerstand bood, op te lichten. Een chronometer die aan de onderkant van de aluminiumpaal was geplaatst, moest door het bewegen van een bepaald vertikaal staafje om beurten op bepaalde precieze ogenblikken er voor zorgen dat de twee metalen naar elkaar toe zouden gaan of van elkaar af, en maakte zodoende de magnetische werking onderbroken.
Canterel zou analoge resultaten hebben verkregen als hij voor zijn mozaiek stukken verschillend gekleurd ijzer had genomen, die een electromagneet moeiteloos zou hebben beetgenomen en daarna losgelaten door de werking van een onderbroken stroom.
Maar dat procedee had tot de moeizame installatie genoodzaakt van een gewichtsverzwarend batterijen-systeem dat vol ernstige bezwaren was.
De meester prefereerde dus zijn eerste idee dat hem, door zijn vroegere vinding, waarop hij terecht trots was, op een niet eerder vertoonde wijze uit te buiten, bovendien verleidde wegens het onverwachte dat het gebruik van afgezaagde en slechts door het toeval, met uitsluiting van elke artistieke en vooraf gekozen wil, gekleurde tandfragmenten zou geven aan het merkwaardige, op stapel gezette schilderij.
Nadat Canterel de heijuffer had voltooid door de toevoeging van de reuze-kompasnaald, zag hij zich nog geplaatst voor een onmisbare omstandigheid die vervuld moest worden. Het nomadische apparaat moest een volmaakte verticaliteit kunnen bewaren tijdens zijn uitstapjes naar de verschillende districten van het toekomstige werkstuk. Hoe meer het mozaiek vorderde, hoe groter het risico dus werd dat de drie steunklauwtjes het algehele evenwicht zouden verstoren bij het tegenkomen van tanden en kiezen als hun steunpunt; de stamper zou, door over te hellen naar een bepaalde kant, ernstig de zo precieze gerichtheid van de spiegels naar de regelmatige zonsomloop in gevaar brengen, en een nieuwe opstijging zou dan onmogelijk worden.
Om dat vraagstuk, dat van vitaal belang was, op te lossen, boorde Canterel gaten in de onderkant van de drie klauwtjes, en plaatste in elk daarvan een chronometer van zeer kleine doorsnee, waarvan de raderwerken op het gewenste ogenblik een bepaalde binnen-naald met een afgeronde punt in beweging zou brengen teneinde tijdelijk naar omlaag te gaan.
Wanneer één klauwtje zou neerkomen op een tand die al een onderdeel vormde van het mozaiek, zouden de twee andere van tevoren worden verlengd door hun respectieve naald waarvan het uiteinde de bodem zou bereiken; soms zouden er twee klauwtjes op een tand of kies gaan staan, terwijl alleen de andere zich van zijn naald zou bedienen.
De fijne inwonende staafjes zouden minder of meer naar buiten komen overeenkomstig de hoogte van de tanden of kiezen, die zeer verscheiden van dikte waren. Inderdaad zouden maalkiezen en voortanden, volwassenentanden en melktanden een immens aantal verschillende hoogten opleveren, als ze op de grond lagen, een aantal dat nog verhoogd werd door de individualiteit van elke kaak. Dat feit zou het eindresultaat niet schaden, aangezien de schilderkunstige kracht van het mozaiek niet zou lijden onder een eenvoudige ongelijkheid van oppervlak; maar Canterel zou zich gedwongen zien daar, voor de chronometrische regeling van de naalden, extra veel rekening mee te houden: tussen een mannenkroonkies en een kindersnijtand, om de twee uitersten te nemen, zou het niveauverschil relatief aanzienlijk zijn, en naar gelang één der klauwtjes de ene of de andere uit zou kiezen, zouden de twee overblijvende hun innerlijke aanhangsel een groot of klein traject laten verschuiven om de bodem te bereiken: bovendien zou, steeds wanneer twee klauwtjes tegelijkertijd afgingen op twee tanden van ongelijksoortige dikte, één van deze klauwtjes zijn toevlucht nemen tot zijn naald; gedurende de laatste dagen, wanneer de drie klauwtjes op het moment dat een geïsoleerde leemte moest worden opgevuld neer zouden komen op drie tanden, zou men vaak de inmenging opmerken van één of twee beweeglijke aanhangsels, ondanks de volledige afwezigheid van ieder contact met de aarde.
Deze verscheidene bijzonderheden gegeven zijnde, kon de afwerking van de drie laagste chronometers niet anders dan een uitzonderlijk moeilijke arbeid vragen. Gelukkig had de meester zich wat de verleng-naalden aangaat slechts zorgen hoeven te maken over het terrein voor het toekomstige mozaiek, en niet over de omgeving waar hij – omdat de ruimte daar niet voor hem op orde was gebracht de tanden en kiezen zodanig zou neerstrooien dat de heijuffer gewoon haar drie klauwtjes kon neerzetten op de grond, om daarvan elke tand weg te pakken. Als slaaf van de richting der atmosferische stromen die zich leenden voor benutting, zou Canterel naar zijn weldunken tenminste ergens op een oneindig rechte lijn het aankomstpunt uitkiezen van elke lucht-migratie die afging op de buitenkant van het tandenschilderij; daarvoor behoefde hij de chronometer van het ventiel alleen maar later of eerder te laten werken. Deze speelruimte zou hem de gelegenheid geven zelfs in het begin van het experiment elke vorm van opeenhoping te vermijden op het wijde veld dat was voorbestemd om geleidelijk leger te worden, en bij het grijp-gedeelte van zijn taak zou de stamper nooit de naalden van zijn klauwtjes gebruiken.
Aangaande het uit te voeren kunstwerk wilde Canterel een enigszins zwartbruin onderwerp kiezen, wegens de bruine en gelige tonen die noodzakelijkerwijs overheersten in de bouwstoffen van het mozaiek; een schilderachtig tafereel binnen in een diepe, zwak verlichte crypte, moest naar zijn idee het gunstige gegeven verschaffen, en hij herinnerde zich een bepaald skandinavisch verhaal dat Ezaïas Tegner, in zijn Frithiof Saga, ‘den Rytter’ (de dragonder) heeft genoemd, een zedevertelling en volksverhaal dat door de voornaamste episode, die volmaakt beantwoordde aan zijn zienswijzen, de Franse volkenkundige Fayot-Roquensie tot de volgende vertaling heeft geïnspireerd.
(Vanwege de omvang volgt hier van de betreffende vertelling een samenvatting. Red.)
Rond 1650 wil de ridder Aag (de dragonder, ‘reître’ heeft ook de bijbetekenis ‘oude zondenbok’) de schone Christel, de vrouw van baron Skjelderup, ontvoeren in opdracht van hertog Göbrtz die dodelijk verliefd op haar is. De ontvoering mislukt en Aag wordt opgesloten in een reusachtige grot onder het slotpark, waarna de ingang wordt dichtgestort. In afwachting van zijn dood dwaalt Aag rond en vindt in een stapel verschimmelde boeken nog één leesbaar exemplaar. Hij leest hierin het volgende sprookje getiteld ‘De geschiedenis van de waterkogel’.
Prins Rolfsen had zijn elf boze zonen onterfd en zijn gehele reusachtige vermogen nagelaten aan zijn geliefde dochter Ulfra. Razend roepen de broers de hulp in van de boze fee Gunvère die evenwel niet meer vermag dan Ulfra één jaar te veranderen in een duif die gedurende deze tijd in het vogelkoninkrijk zal verblijven en door de broers kan worden gedood. Na bijna het hele jaar verboemeld te hebben vertrekken zij te elfder ure naar het vogelrijk dat bewaakt wordt door een schrikaanjagende geest: een in de lucht zwevende middelgrote waterkogel wiens schaduw dodelijk is. Wanneer deze hen aanvalt blijken zij het toverwoord vergeten te zijn. De broers zouden reddeloos verloren geweest zijn als niet opeens een duif was opgedoken die van bovenaf, om aan de schaduw te ontkomen, de waterkogel leegdrinkt. De broers herkennen in de vogel hun zuster en vallen terstond berouwvol op hun knieën, waarna zij verenigd huiswaarts keren.
In de lektuur van deze legende had Aag enige vergetelheid gevonden. Als hij vervolgens inslaapt droomt hij van de broers en de waterkogel, en wanneer hij meent te worden aangeraakt door de duif wordt hij wakker en ziet naast zich Christel zitten. Uit medelijden met de opgeslotene was zij naar de bibliotheek gegaan en had daar in oude handschriften aanwijzingen gevonden voor een toegang naar de crypte vanuit het kasteel (zie voor een beschrijving van de ingewikkelde konstruktie de tekening van Jean Ferry). Dankbaar en vol berouw valt Aag voor Christel op zijn knieën en, in plaats van de gunstige gelegenheid waar te nemen om haar alsnog te ontvoeren, vlucht hij de nacht in en Christel keert stil terug naar haar vertrekken.
 
 
Roussel combi
 
‘Op bevel van de (…) kasteelheer werd Aag onmiddellijk naar een reusachtige grot gebracht (A), die zich onder het slotpark uitstrekte (B) en waarvan de geheime ingang (C) in een dicht struikgewas (D) lag (…)’
‘Dit toevluchtsoord. dat reeds lang niet meer gebruikt werd, stond ooit eens in verbinding met de kelderruimten (E) van het kasteel (F) (…)’
‘Een vijver (G) stond stil in de grot (…)’
‘De baron (…) ging langs dezelfde weg (H) naar boven, gevolgd door zijn bedienden die voor zijn ogen de ingang (C) kan de grot dichtmetselden met reusachtige rode stenen (…) Sinds meer dan een halve eeuw was de onderaardse eerbinding met het kasteel afgesloten door puin (I) (…)’
‘(…) vond hij (Aag) in een donkere hoek (J) een oud, enigszins beschimmeld boek (…)’
‘Christel daalde (…) midden in de nacht af in de kelders (K) van het kasteel en vond na veel rondtasten een onzichtbare veer (L) (…) Weldra ging een van de stenen vloerplaten (L.) kantelt omhoog (…); de opening eronder stond vol water (M). Christel drukte op een andere knop (2) (…) en meteen zakte het water waardoor enkele treden zichtbaar werden (N) die leidden naar een onderaardse gang (O) (…)’
‘Christel bracht onderaan de muur eerst rechts dan links twee keren in beweging (3-4) die ze nog niet had aangeraakt (…) waarop het water zakte en zijn vroegere hoogte weer bereikte (…) en de steenplaat (L) weer omlaag ging en de smalle geheime opening (…) hermetisch afsloot.’

‘(…) een onderaardse gang (P) verbond de vijver (G) in de grot met het Mjösa-meer (Q) dat zich drie kilometer verder oostelijk op hetzelfde niveau uitstrekte; de tweede veer (2) liet, zolang men hem ingedrukt hield, de straal lopen vaneen hydraulische leiding (R) in een vat (S) dat als het zwaarder werd en zakte een tegenwicht vormde; het gevolg hiervan was, dat een ingewikkeld systeem van drijfstangen en hefbomen (T) de gang versperde (U) en tegelijk in een van de wanden van de vijver (G) een afvloeiing (V) opende, die voor een deel leegliep in een natuurlijke bron (W) (…) De derde veer (3) (…) zette tijdelijk de afsluiter (X) in werking die onderin het vat was aangebracht en, zodra ze van de waterlast bevrijd was, naar haar oorspronkelijke positie terugkeerde, terwijl drijfstangen en hefbomen (T) (…) de afvloeiing (V) van de bron (W) afsloten en de onderaardse gang (P) openlegden (U), waardoor het Mjösa-meer (Q) de vijver (G) opnieuw liet vollopen. Overigens zetten de eerste en de vierde veer (1-4) volgens een analoog principe van een uit water bestaand tegenwicht (Y), dat afwisselend gevuld en leeggemaakt werd, de stenen vloerplaat (L) in beweging.’
 
Na het opvatten van dit onderwerp, dat de gewenste zwartbruine crypte opleverde, koos Canterel in zijn park een zeer kale plek uit die opviel door de onbestendigheid in waargenomen richting van de winden die er overheen bliezen. Die voortdurende veranderingen konden de talrijke verplaatsingen, die de heijuffer moest verrichten voor de uitvoering van het schilderij, slechts gunstig beïnvloeden. Hij liet met een grondige perfectie heel het terrein, dat hij zich voornam te gebruiken, egaliseren – en wachtte toen in zijn weersverwachtingen geduldig op de komst van een toekomstige periode van tweehonderdveertig uren die, vanaf het einde van een zonsondergang, geen regen noch storm met zich zou meebrengen. Het experiment was inderdaad niet denkbaar bij een buitengewoon sterke wind, en een min of meer striemende stortbui zou menige combinatie hebben gehinderd doordat de omhulling van de ballon verzwaard zou zijn, en de spiegels en de lens verzwakt.
Toen het moment gekomen was bracht hij de luchtstamper op het doorwaaide plein, evenals een omvangrijke kist die de tanden en kiezen bevatte die sinds de ontdekking van zijn twee aantrekkingsmetalen door hem waren getrokken.
Daar, over zijn weersvoorspellingen gebogen, gaf hij zich een volledige nacht over aan een verschrikkelijk zware arbeid, met het foutloos onderscheiden van de subtiele schakeringen van zijn tand-grondstoffen, dankzij het vreemde en verbazingwekkende licht van een speciale lichtbron die, sinds zij kort tevoren door hem was uitgevonden, in de wereld der ateliers en academies een revolutie teweeg had gebracht, doordat hij onverschillig welke schilder in staat stelde na de opkomst van de sterren met dezelfde trefzekerheid te werken als midden overdag. Met opzet had hij de avond voor zichzelf vastgesteld als beginpunt van de twintig profetische omwentelingen rond de klok, om voor zijn ingewikkelde voorbereidingen lange duistere uren te kiezen die noodzakelijkerwijs onbruikbaar waren voor de heijuffer die, door haar taak aan te vangen aan het begin van de daarop volgende dageraad om die te beëindigen in de avondkoelte van de tiende dag, het volle bruikbare daglichtgedeelte van de tijdspanne der weersverwachtingen kon besteden, zonder daar iets van te verliezen.
Er op lettend dat hij geen ogenblik verkwistte, legde hij zich erop toe de ontluiking van zijn kunstwerk daarmee te combineren, en hij richtte zijn blik van tijd tot tijd op een voorbeeld, volgens zijn aanwijzingen uitgevoerd in olieverf, door een bekwame portretschilder die elke tint in een min of meer grote kwantiteit had aangebracht in overeenstemming met het aantal tanden en wortels die de voorstelling moesten vormen. Het terrein van het toekomstige mozaiek vrijlatend, zaaide hij welbewust de tanddelen van alle schakeringen in het rond, om die geschikt te maken om te worden opgepikt tijdens de verschillende pelgrimages van de stamper.
Van tevoren waren de tanden en kiezen oordeelkundig neergelegd in de precieze richting die door hun diverse kontoeren was aangegeven in het schilderij, en evenzo de wortels die onderwijl steeds werden gescheiden van hun kronen door een klieving, die met een kleine zaag ad hoc werd verricht.
Aansluitend aan die inspannende zaaierij, stelde Canterel op één-duizendste seconde nauwkeurig de toekomstige fijne koppelingen in van een bepaald extra aandrijfmechanisme, waarvan hij elk van de negen chronometers had voorzien, die als ze eenmaal waren opgewonden tweehonderd drieëndertig volle uren konden lopen een wat grotere tijdspanne uit voorzorg, gezien de zonnefase van het jaar, dan de tijd waarin het avontuur zich zou afspelen, tussen de eerste dageraad en de laatste avondschemering.
Wanneer een windje op een bepaalde fractie van een minuut zou moeten opsteken in een bepaalde richting, zou de lens, in beweging gebracht door zijn speciale chronometer, de zonnestralen concentreren op de gele substantie – en langer of korter zijn warmteverwekkende stand bewaren volgens de zuiverheid van de atmosfeer en de thermische kracht van de stralende ster, die in verhouding staat met de kurve van haar kringloop, voorts en vooral ook volgens de relatieve doorschijnendheid en de verduisteringsduur van een bepaalde wolk die voor de vlammende schijf zou schuiven. In het onderdeel van zijn arbeid dat de lens betrof, hield de meester eens en voor altijd rekening met de fijne schaduwen die sommige van de zijden koorden van het ballonnet op de okerige stof zouden werpen.
De chronometrische regeling van het ventiel vereiste een grote inspanning. Bepaalde heftige winden hadden de stamper kunnen meevoeren gedurende zijn tijden van rust, en daarom zou een gedeeltelijk leeglopen soms nodig zijn, onafhankelijk van de luchtpelgrimages, met het loutere doel om het geheel te verzwaren met het oog op een resistentere stabiliteit. Die bijzonderheid zou een direct bijeffect hebben op de werking van de lens, die daarna genoopt was het gele amalgaam langer te bestralen teneinde de verliezen aan waterstofgas te compenseren.
Onderaan was de functionering van de twee schijfjes, die bestemd waren voor het aantrekken en daarna het loslaten van de tanden en kiezen, gemakkelijker in te stellen. Daarentegen dwong de schikking van de drie chronometers, welke gewijd waren aan de inwendige verlenging van de klauwtjes, Canterel tot verbijsterende berekeningen. Wat betreft de spiegels, hun volmaakt regelmatige verplaatsingen beoogden slechts het volgen van de zon in zijn omloop; mechanisch zou hun algemene stand elke dag iets veranderen, ten gevolge van de dagelijkse wijziging die in de optredende omloop van de stralende ster wordt aangebracht in de invalshoek die het equatorvlak met de zonnebaan maakt.
Het toestel zou van zonsondergang tot zonsopgang altijd stationair blijven – en dan nooit een aanraking ontvangen, want de chronometers zouden afgesteld staan tot en met de laatste dag. De wijzerplaten, die met opzet zichtbaar waren gelaten, maakten het voortdurend mogelijk te zien of de wijzerbewegingen, zonder de geringste storing, wel allemaal dezelfde en ware tijd bleven aangeven.
Canterel voltooide zijn toebereidselen bij het kraaien van de haan, en vulde toen de luchtballon met een evenwichtgevende basisvoorraad waterstofgas, die hij onderhand had toebereid, zonder iets te ontnemen aan de okerige stof. Profiterend van alle mogelijke grillen van de wind, zou de stamper in de schemer van de tiende dag zijn mozaiek voltooien, zeer getrouw het in olieverf gemaakte voorbeeld in vergroting reproducerend, afgezien dan van vier zeer smalle buitenstroken, die elk aan iedere kant zouden ontbreken, zonder door hun onbetekenende afwezigheid, die welbewust was uitverkoren boven ieder ander ontbreken, enige schade toe te brengen aan het geheel van de voorstelling. De tanden en kiezen, die eerst bestemd waren voor de uiterste rand van het schilderij, en die nu noodzakelijkerwijs ongebruikt zouden blijven, werden weggedaan als afval, en de meester, die publiekelijk zijn plannen had aangekondigd, liet de poorten van zijn domein openen opdat getuigen konden komen om op elk uur de lichte zwerftochten van het instrument bij te wonen en het volstrekt ontbreken van bedrog konden vaststellen. Een touw dat was gespannen op lage paaltjes vormde rondom de boeiende plaats een veelhoekige hindernis, die de bezoekers op een voldoende afstand kon houden om te voorkomen dat de windjes ook maar de minst merkbare hinder zouden hebben. Ten slotte werd de heijuffer boven op een lichtgele oogtand neergezet, waar zij het moment heeft afgewacht om motu proprio het eerste gunstige zuchtje te benutten.
Het experiment dat bijna ten einde liep, duurde thans zeven dagen, en tot nu toe had het verplaatsbare werktuig, dankzij de wonderbaarlijke afstelling van zijn chronometers, steeds tanden of wortels overgebracht naar de gewenste plaatsen. Soms volgden de trajecten elkaar tamelijk snel op, ten gevolge van de voortdurend grillige beweging van de wind; vaak ook, als de bries oneindig lang bleef blazen in een vaste richting, wachtte het toestel uren lang op een gelegenheid om weer op te vliegen. Van tijd tot tijd kwamen er vreemdelingen in kleine groepen naderbij, en sinds Canterel aan het woord was waren er verschillende personen discreet dichterbij gekomen om de volgende opstijging van de luchtballon te aanschouwen.
 
Terwijl de meester de laatste woorden uitsprak van zijn geïmproviseerde voordracht, vestigde een droog geluid, dat wij al kenden, onze aandacht op de drie klauwen waarop de heijuffer steunde. Onder de invloed van de druk van zijn stang, in beweging gezet door het mechaniek dat aan de in de onderkant van de paal gevatte chronometer was toegevoegd, was de grijze schijf, die opnieuw naar beneden was geschoven, aangedrukt tegen de blauwe, waaronder nu de wortel kleefde die daarstraks gediend had als doelwit van het toestel, en die onmiddellijk door de plotselinge magnetische kracht werd opgetild.
De lens wentelde als gewoonlijk teneinde een extra hoeveelheid waterstof toe te voegen – en draaide toen een tweede maal, terwijl de straatstamper wegvloog, de wortel met zich meevoerend.
Een vrij traag zuchtje dreef de heijuffer naar de opstaande veer op de hoed van de dragonder; het ventiel functioneerde precies op de goede sekonde, en het toestel liet bij de landing zijn geringe en lichte prooi los door het uiteenbrengen van de schijfjes, zodoende een bleek roze plek voltooiend die in subtiele overgangen de rand vormde van de veer, waarvan de middenschacht gemaakt was van scharlakenrode wortels. Daar de klauwen drie koraalrode steunpunten hadden gevonden van gelijke hoogte, was er geen van de fijne inwendige verlengstukken naar buiten gekomen.
Bijna dadelijk volvoerde de lens een nieuwe manoeuvre ter verwekking van opstijgende kracht – gevolgd door een tweede draai van een kwartslag; zonder uitzondering vonden zijn gedeeltelijke omwentelingen plaats in de richting die is gekozen voor klokkewijzers.
De stamper, die regelrecht voortging langs de as van zijn laatste overtocht, ging dankzij het ventiel omlaag naar een wonderschone hoektand, witter dan een parel, die volgens Canterel afkomstig was van het blinkende gebit van een hartveroverende Amerikaanse.
Op het moment dat de magnetisering optrad, die te danken was aan de toenadering van de schijfjes, bedekte een snelle wolk de volledige zonneschijf, hetgeen verschillende storingen teweeg bracht in de luchtlagen, waar nieuwe stromingen opstaken.
De lens ging weer heftig in zijn aktieve stand staan.
Het opkomen van de mistsluier was vanaf het begin door Canterel voorzien, en hij had dienovereenkomstig de koppelingen van de chronometer afgesteld. De militante opstelling van het brandglas hield dus veel langer aan dan de twee voorafgaande keren, toen door de kracht van de zon die niet gestoord werd door welke dampen dan ook enkele sekonden voldoende waren geweest om een rijke hoeveelheid waterstof geboren te doen worden.
 
 
Roussel 3
 
‘… de heijuffer hing aan een heldergele ballon (A) die, van de onderkant af kringsgewijs wijder wordend, deed denken aan het silhouet van een luchtballon.’
‘Precies op de top van de ballon, onbedekt gelaten door het ballonnet (…) zat een automatisch aluminium ventiel (B) met een ronde opening, voorzien van een sluitklep, en een kleine chronometer met een duidelijk zichtbare wijzerplaat ernaast (C).’
‘Onder de ballon hielden de touwwerken (D) (…) bij wijze van gondeltje een ronde aluminium schaal vast (E) die (…)een okergele substantie bevatte … (F) De onderkant van de schaal was in het midden vastgeklonken aan de top van een nauwe cylindrische verticale paal van aluminium (HIE)…’
‘Een lange buis, vastgemaakt van opzij (G) in het bovenstuk van de paal, verhief zich schuin naar de hemel, hoger dan de ronde schaal, en eindigde in een drievoudige vertakking. Elk van de drie vertakkingen ondersteunde (…) een tamelijk grote chronometer (H), waar een ronde spiegel met dezelfde omtrek tegen aan zat:’
‘Op het midden van de schuine buis die aan zijn uiteinde drievoudig vertakt was, verhief zich een kort recht dwarsstuk (I), dat bijna dadelijk uitliep in twee kromme zijstukken (J) (…) Deze halve cirkel (…) kon dienen als gedeeltelijke omlijsting voor een krachtige ronde lens (K) …’
‘Een chronometer van minimale afmetingen (I.), waarvan de wijzerplaat de buitenkant versierde van de bovenkant van één van de gebogen zijstukken (…)’
‘Om de stevigheid van het geheel te verzekeren, was een horizontale metalen staak (M), die uitliep op een bolvormig tegenwicht (N), vastgeschroefd in de aluminium paal, precies aan de andere kant dan waar de lens en de spiegels zaten.’
‘Een immense magneetnaald (O) (…) stak loodrecht door de paal te halverhoogte (…)’
‘Als voetstuk ondersteunden drie kleine aluminium klauwen (P) (…) de onderkant van de paal: elke klauw vertoonde aan de buitenkant (…) een wijzerplaat van een zeer kleine chronometer (Q) (…)’
‘Te halver hoogte van de drie klauwen (…) drie kleine spijkers (…) in een blauw-metalen schijfje (…) een tweede schijfje (…) van een helder grijs metaal (…)’
‘Iets hoger dan de hoogte waar de klauwen vast zaten, vormde de uiterste onderkant van de paal, op een punt van zijn omtrek. een schrijn voor een laatste chronometer (R).’

 
Toen de oplicht-manoeuvre was voltooid, vloog de heijuffer geluidloos op, en dankzij een plotselinge windvlaag stortte zij zich op de droomduif, waarvan het uiteinde van een vleugel aangevuld werd met de witte hoektand die op de goede plaats was thuis gebracht. Ditmaal was de binnennaald van één van de klauwen, gehoorzamend aan zijn chronometer, ver naar beneden geschoven met het oog op het terrein, om zijn onschuldige punt op de grond te zetten; hierdoor bleef het evenwicht in stand, terwijl de andere klauwen wat hoger neerkwamen op twee kiezen van gelijk niveau.
De luchtballon, die het ventiel zojuist had laten leeglopen, werd weer gevuld en daarna opgetild door de langdurige tussenkomst van de lens, en terwijl de verlengnaald mechanisch in zijn klauw verdween, ging het toestel, vasthoudend aan dezelfde richting, zich ver weg meester maken van een bijzonder regelmatige blauwe kies, die gelijk was aan de kies die, volgens de kronieken van het Second Empire, op zijn eentje het schitterende kauwapparaat van de hertogin van Castiglione ontsierde, en die zodoende de enige en sensationele onvolmaaktheid vormde van deze ongeëvenaarde schoonheid.
Op dat moment versluierde de wolk, die vrij snel voorbij schoof, de zon niet langer, en deze heroverde zijn volle kracht.
Die herverschijning betekende het einde van de tegenstromen die waren opgetreden gedurende de voorbijgaande zonsverduistering, en de bries herkreeg vrijwel zijn vroegere richting.
Het kostte de lens niet lang moeite om het opstijgen van de zwerfmachine teweeg te brengen, en deze sprong sierlijk weg tot aan de broek van de dragonder, waar een plotselinge handeling van het ventiel haar naar beneden liet vallen.
Hier vonden de klauwen drie aankomstpunten van zeer verschillende hoogte, gevormd door de grond en twee ultramarijne tanden van verschillende dikte; maar tevoren waren twee naalden ongelijk naar buiten gedoken onder de respectieve invloed van hun chronometers, en nu raakte de langste de aarde, terwijl de andere steunde op de tand van de geringste kubieke inhoud.
De nieuwe indigo aanvulling viel precies neer waar dat moest, en de ballon die terstond voorzien werd van een extra hoeveelheid kracht, zette zijn rechtlijnige tocht voort tot aan een zwarte maalkies, die enorm en afzichtelijk was, en waar omheen de heijuffer zachtjes haar klauwen neerzette, alle drie sinds kort gelijkelijk verstoken van een zichtbare naald.
Canterel, afgaande op zijn herinneringen, kondigde aan dat er een onafzienbare tijd gewacht zou moeten worden op de volgende automatische verplaatsing, en hij voerde ons met langzame pas naar een ander stuk van het onmetelijke plein.