‘Dat gebeurt in geen honderd jaar’. ‘Duizendmaal dank.’ ‘Dat heb je nu al een miljoen keer gezegd.’ De dank is niet geteld, het juiste aantal angsten zal nooit bekend worden. Met (meestal) ronde getallen geven we in uitdrukkingen en woorden aan dat er erg veel van iets is. Maar wat bepaalt de keus van het ronde getal? Wanneer gebruik je honderd, wanneer duizend of iets nog hogers?

 

Het is duidelijk dat er, óók als het om tellen gaat, zoiets als een ‘menselijke maat’ bestaat. Getallen variëren van bijna oneindig groot tot bijna oneindig klein, maar echt thuis voelen we ons alleen op een betrekkelijk klein gebiedje ergens midden tussen de twee oneindigheden. Dat onze verbeelding slechts vat heeft op een heel beperkte bandbreedte, is makkelijk te illustreren. Er zijn maar weinig mensen die zich bij een geologisch tijdperk van veertig miljoen jaar iets kunnen voorstellen en de lengtes van zulke tijdperken überhaupt kunnen onthouden. En wie heeft een enigszins nauwkeurig besef van het aantal kilometers dat de maan van de aarde scheidt (384.000), of de aarde van de zon (150 miljoen)?
Misschien is het niet verwonderlijk dat de ‘hoogste’ getalsnamen het laatst zijn ontstaan. Veel verfijnde meetmethoden dateren pas uit de laatste paar eeuwen, een fractie van de tijd dat de mensheid al bestaat. Zo is het Nederlandse woord miljoen in 1510 voor het eerst opgetekend. Het is een leenwoord; het Franse origineel bestond uit het grondwoord mille, gevolgd door een achtervoegsel -on dat aangaf dat er sprake was van een vergroting (‘een dikke duizend’). Miljard volgde in 1578, zij het dat de betekenis anders was dan nu, namelijk ‘biljoen’. Ook miljard is gevormd op basis van mille, en ook het achtervoegsel -ard had een versterkende betekenis. Biljoen, eveneens uit het Frans, volgde in 1591. Het voorvoegsel bi- (‘twee’) gaf aan dat biljoen het kwadraat van miljoen is. In hetzelfde jaar 1591 verscheen triljoen, de derde macht van miljoen, in onze taal.
Dat ‘hoge’ getalsnamen als miljoen en miljard gevormd zijn op basis van het Franse grondwoord mille kan geen toeval zijn. Want het woord duizend en zijn buitenlandse tegenhangers zijn het symbool van aantallen die buiten ons bevattingsvermogen lagen. Dat mogen we opmaken uit het feit dat duizend in oude uitdrukkingen synoniem is met ‘niet meer te tellen’. Het kan dan op twee manieren worden gebruikt. Soms is het een overdrijving (ik heb het je al duizend keer gezegd), soms is het werkelijke aantal juist hoger, zoals in de lyrisch-toeristische omschrijving van Finland: het land van de duizend meren. De nijvere figuur die de meren werkelijk geteld heeft kwam tot niet minder dan 187.888. Het woord duizend suggereert hier: ‘we hebben tot duizend geteld en zijn toen maar opgehouden’. Het gebruik van duizend strekt zich overigens niet alleen uit tot dingen die objectief waarneembaar zijn. Met kapitein Haddock roepen we duizend bommen en granaten!, maar we staan ook duizend angsten uit of sterven duizend doden.
Is duizend nu hét getal waarmee we een onafzienbare hoeveelheid benoemen? Nee, ook honderd kan die betekenis hebben: ‘Dat gebeurt in geen honderd jaar.’ ‘Dat heb ik al honderd keer gezegd.’ In dit rijtje hoort ook de uitdrukking in het honderd lopen thuis. Honderd duidde hier oorspronkelijk een mensenmenigte aan; later kreeg in het honderd de betekenis ‘op goed geluk, lukraak’, en ten slotte de betekenis ‘ordeloos, chaotisch’.
Min of meer in het verlengde van het begrip ‘heel veel’, zoals dat door de getalsnamen honderd en duizend wordt uitgedrukt, ligt een ander symbool: dat van de volmaaktheid of alomvattendheid. Hoewel we misschien anders zouden verwachten wordt het begrip alomvattendheid niet uitgedrukt door een hoog getal als duizend of honderd, maar door het bescheiden getal zeven. In uitdrukkingen als in zeven talen zwijgen en de zeven zeeën is zeven synoniem met alle. Naast in zeven talen zwijgen hebben we trouwens de variant in alle talen zwijgen. Alomvattendheid wordt ook uitgedrukt door de uitdrukking op zijn zeven gemakken (‘op zijn dooie gemak’) en het Vlaamse gezegde met zeven haasten, dat het omgekeerde uitdrukt.

 

Verschillen in ouderdom

De woordenschat is te vergelijken met het bodemarchief. Zoals de archeoloog door te graven de opeenvolgende bodemlagen in kaart brengt, stelt de lexicograaf de ouderdom van woorden en uitdrukkingen vast. Zoals we zagen zijn de getalsnamen miljoen en miljard veel jonger dan duizend, ze vormen de bovenste ‘bodemlaag’ als het om getalsnamen gaat. Maar hoe zit het met honderd en duizend? Behoren die tot dezelfde ouderdomslaag?
Slaan we de etymologische woordenboeken eropna, dan blijkt dat honderd veel ouder is dan duizend. Beide woorden hebben verwanten in de andere Germaanse talen: hundert, hundred enz. Dat betekent dat ze al bestonden in de tijd dat er nog één Germaanse oertaal bestond, dus rond het begin van onze jaartelling. Vergelijken we de twee woorden echter met hun pendanten in niet-Germaanse talen, dan wordt een verschil zichtbaar. Honderd heeft verwanten buiten het Germaanse gebied, het is bijvoorbeeld verwant met het Latijnse centum. Misschien valt de verwantschap niet meteen op, maar ze wordt iets duidelijker als je weet dat het Latijnse woord oorspronkelijk met een k werd uitgesproken. Deze k zien we in het Germaans in een ‘afgezwakte’ vorm terug als een h. Honderd moet dus dateren uit de tijd dat er nog één Indo-Germaanse oertaal was: dat was, laten we aan de veilige kant blijven, tot 3.000 jaar voor Christus.
Duizend heeft géén verwanten buiten het Germaanse gebied en kan dus pas zijn ontstaan nadat een Germaanse oertaal zich had afgesplitst van de Indo-Germaanse oertaal. Maar er is nóg een reden om aan te nemen dat duizend jonger is dan honderd. Volgens F. de Tollenaere (Etymologisch woordenboek, 21e dr., 2000) is duizend zelfs een regelrechte afleiding van honderd. De etymoloog acht het goed mogelijk dat duizend een combinatie was van een versterkend voorvoegsel thus (waarvan de th moet hebben geklonken als in het Engelse thus) en chund (uispraak: goend), een voorloper van honderd; thus-chund betekende dan ‘een dikke honderd’.

 

Inflatie

De woordenschat is dus klein begonnen. Er waren voor huidige begrippen nog maar weinig getalsnamen. Als je in de verre prehistorie, duizenden jaren voor de jaartelling, met een getalsnaam wilde aangeven dat iets ‘erg veel’ was, was honderd waarschijnlijk de enige mogelijkheid. Pas veel later kwamen daar druppelgewijs de ‘hogere’ getalsnamen bij, om te beginnen duizend, en van die hogere getallen moet dankbaar gebruik zijn gemaakt. ‘Erg veel’ is in veel situaties een emotioneel geladen begrip, en de geschiedenis leert dat woorden met een hevige gevoelslading bij uitstek vatbaar zijn voor taalinflatie. Dit valt goed te illustreren met een verschijnsel dat we op dit moment meemaken. Turbowoorden met het voorvoegsel mega (megaformaat, megahit, megatop; mega = miljoen) krijgen sinds kort concurrentie van het voorvoegsel giga (gigaformaat, gigahit enz.); giga betekent ‘miljard’. Net zo zullen onze voorouders de aandrang hebben gevoeld om, naast honderd, ook het heftiger woord duizend te gebruiken voor een niet nader te bepalen grote hoeveelheid. Dat het inderdaad zo gegaan moet zijn zien we aan de geschiedenis van de namen voor de duizendpoot, een beestje dat in werkelijkheid minder dan 200 pootjes telt. Aanvankelijk heette het dier dan ook een honderdvoet; onder deze naam staat het geboekstaafd bij de 16e-eeuwse lexicograaf Kiliaan. In 1770 sloeg de inflatie toe en kreeg het dier de naam duizendbeen. De huidige naam duizendpoot dateert uit 1881.
Het verschijnsel van de woordinflatie, vele eeuwen geleden begonnen bij honderd, heeft intussen allerminst haltgehouden bij duizend. Integendeel, de ontwikkeling ging onstuimig door. Er kwamen verschillende opvolgers, om te beginnen duizend en één. Deze uitdrukking voor ‘heel veel’ belichaamde een paradox: ze drukt niet alleen onmetelijkheid uit, maar ook precisie. De uitdrukking was van oosterse oorsprong en werd in het westen bekend door de verhalenverzameling De vertellingen van 1001 nacht, waarvan het oudst bekende handschrift uit de vijftiende eeuw dateert. Het werkelijke aantal verhalen daarin bedraagt 271. De schrijver van de vertellingen was overigens niet de bedenker van de uitdrukking, want die bestond al langer; in het Arabisch betekende de uitdrukking gewoon ‘veel’. De 1001 Nacht werd in de achttiende eeuw voor het eerst in het Nederlands vertaald, en in 1871 borduurde Multatuli op de uitdrukking voort met zijn Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten. De inhoudsopgave achterin het boek maakt melding van 167 items.
Ook langs een andere weg werd er op de uitdrukking duizend en één voortgeborduurd: het werd opgehoogd tot duizend en twee – over intertextualiteit gesproken! De nieuwe uitdrukking komt voor in de titel van Ed van Eeden’s boek Wisecracks, oneliners & wijsheden: 1002 afmakers voor de erudiete conversatie (1994).
Een andere concurrent van duizend, als symbool van een zeer groot aantal, was de uitdrukking duizend duizend, die in de zestiende eeuw was ontstaan maar allang weer uit onze taal verdwenen is. Duizend duizend betekende niet, zoals men zou kunnen denken, ‘tweeduizend’ of ‘een miljoen’, maar ‘oneindig veel’. Matthijs de Castelein dichtte in zijn Const van Rhetoriken (1555):

 

Haer crachten [van Venus, RR] zyn ghebleken in daude croniken An dusent duust auwers [voorouders].

 

Ruim een eeuw geleden ten slotte heeft ook miljoen zich aangediend als aanduiding voor een niet te bevatten hoeveelheid. Het woord komt als zodanig voor in de term miljoenpoot. Dit diertje, een onderklasse van de duizendpoten, heeft minder dan honderd poten en had dus best toegekund met de meer bescheiden naam honderdpoot of desnoods duizendpoot. Maar ook hier klopt de gang van zaken met het algemene beeld: miljoenpoot is de jongste in de reeks namen; hij is pas voor het eerst aangetroffen in 1873 – ná honderdbeen, duizendbeen en duizendpoot.
En het getal zeven ten slotte, heeft dat nooit aan inflatie bloot gestaan? In beperkte mate wel. Uit de bijbel weten wij dat we iemand zeventig maal zevenmaal moeten vergeven. Net als zeven is het tienvoud zeventig een heilig getal: inflatie door vermenigvuldiging. Voor het overige is er maar één ‘krachtiger’ woord dat van tijd tot tijd de plaats van zeven inneemt, namelijk alle. Zo schreef de VPRO-gids onlangs dat een bepaald filmpersonage in alle sloten tegelijk liep, in plaats van de gebruikelijke zeven. Dat zeven niet echt door inflatie is aangetast, is ook wel te verklaren. Het getal staat symbool voor ‘alle’, en dit begrip is per definitie immuun voor inflatie.

 

Verruimd bewustzijn

Ik begon dit artikel met de opmerking dat de ‘bandbreedte’ waarop we in het alledaagse leven met getallen omgaan, smal is. Toch zou de sterke groei van ons getalsysteem de suggestie kunnen wekken dat daarin, zeker de laatste vijf eeuwen, grondig verandering is gekomen. Sinds de zestiende eeuw zijn we vertrouwd met getalsnamen als miljoen, miljard en hoger, we schrikken niet meer van getallen met zes of zeven cijfers. En, zoals we hebben gezien, ook de bovengrens van wat we in het dagelijks bestaan kunnen bevatten lijkt fors te zijn opgeschoven, als we afgaan op de getallensymboliek. Maar hebben we de grote getallen ook echt ingelijfd in de dagelijkse werkelijkheid? Kunnen we ons er nog iets bij voorstellen? Is ons getalsmatig bevattingsvermogen groter geworden? Het gemak waarmee de honderdvoet plaats heeft gemaakt voor de duizendpoot – zonder dat het aantal pootjes meegroeide – maakt duidelijk dat die hoge getallen, wanneer ze een grote, niet nader te benoemen hoeveelheid aanduiden, vooral aan een emotionele behoefte beantwoorden. We zijn ze niet gaan gebruiken omdat we in grotere aantallen zijn gaan denken. En dat sluit aan op de bevindingen van de psychologie. Mensen die een kort moment een verzameling voorwerpen te zien kregen met de opdracht er zoveel mogelijk van te onthouden, bleken er vervolgens maar hooguit zeven te kunnen noemen. Zeven, een omineus getal. Waarvan was dat ook alweer het symbool?