links van de oever loopt het veer naar de andere oever
dat is de overkant van onze oever waar wij staan om uit te kijken
naar de overkant
over het water tegen de walkant
hoog over de beschoeiing hoog over de strekdam naar de landen van
de overkant
waar het malse gras ligt met de liggende koeien en de kauwende koeien
en de koeien met de knotwilgen en de bel voor het veer voor de man
van het veer
dat hij weet dat ze willen dat ze willen naar onze oever
ze willen nodig en haastig naar onze oever
schiet op man van het veer trage veerman maak haast kom over
we willen weg naar hun oever weg van onze oever van onze koeien van
onze knotwilgen van onze bel voor het veer naar hun oever met
koeien en gras en knotwilg en een bel voor het veer opdat jij bij ons
komt op onze oever waar wij staan als wij naar hun oever willen waar
zij nu staan
en wij staan hoog op de walkant van onze oever en wij zien hen staan
naast de bel die ze luiden met haast opdat van onze oever de veerman
vertrekt over het water naar hun oever
hij kan ze brengen hij kan ze halen wij zien dat hij ze haalt en brengt
en zij stappen aan land op onze oever en wij verbergen ons
wij leggen ons plat op de grond met onze hoofden wat omhoog zodat
wij alles zien kunnen
zij komen er aan haastig naar ons toe haastig zij zien ons wel maar
lopen door haastig groeten niet maar stappen vlug door haastig en
zijn al ver in ons land wij verschuilen ons niet langer maar staan
rechtop boven de walkant van onze oever en kijken uit over de rivier
die meestroomt met het water
kijken naar hun oever waar nu alleen nog maar gras is met koeien met
wilg en een bel voor het veer die zacht natrilt
maar zij zijn er niet meer
zij zijn bij ons op de oever niet dichtbij ons maar al ver weg diep in het
land in ons land en wij kijken stil naar hun land leeg waar de mist op
ligt en de donder begint.
 
 
 
 
 
er roept wat.
dat is de brug die instort.
eens overspande ze en nu is ze stort en val.
wij zetten onze voet op het brugdek
en al is het er niet
toch blijft onze voet staan op het brugdek
onze hoogmoedige voet staat
zweeft niet
zinkt niet
maar staat doodstil
hoewel ook niet helemaal stil
maar veert zoals een balk een stalen legger een bamboe veren
terwille van hun onbreekbaarheid.

stevig is onze voet
en wij zetten onze tweede voet neer
en onze talrijke voeten
telbaar en talrijk
zetten wij neer
stevig onwrikbaar
zacht verend op
de plaatsen van de verdwenen bruggen
en wij kijken vooruit naar de overkant
en soms kijken wij neer in de verre diepte
waar wat roept, waar de verdwenen brug roept.
uit zijn gebroken ruggegraat ontstaan de klanken die wij noemen:
het roepen van een gebroken brug, de kreet van een brug die in de
verre diepte beland is, op de bodem van diepte, verte, of die wij
noemen: er roept wat.

en onze voeten
betredend de zilveren kabels
de uit lucht gevlochten kabels
staan hoog boven de dragende luchten
en los wiegend maar stevig verplaatsen wij ons en luisteren niet naar
wat er roept even luisteren wij niet omdat wij vooruit zien en boven
ons roepen vermoeden boven ons willen wij roepen horen om daar
naar toe te klimmen met onze voeten die vastberaden de treden zullen
bestijgen
maar dan horen wij weer het roepen beneden
de lucht raakt weer onze voetzool en nog steeds betreden wij
de verdwenen bruggen
en de lucht kittelt zachtjes aan onze eeltige voeten met daarin
in het gele in het bruine in het oranje eelt verborgen
de vele plekken waarmee wij luisteren naar alles wat onder ons is
en naar alles wat tegen ons drukt en ons draagt of weg van ons wil of
ons roept.
en al sluimert een schoen met zijn versleten of scheve of nieuwe sterke
rubberen leren zolen tussen onze voetzool en alles wat onder ons is
toch voelen onze voeten
de woorden de strelingen de prikkels de weerstand van alles
wat onder ons is
de roep van:
er roept wat uit de verlamde brug
uit de rug van die neergestorte kat
die brug die hing tussen daar en hier.

en wij zijn erop
hoog
onze voeten bijna in het midden
en dan staan onze gehoorzame voeten stil op de stalen rust van de
lucht en wij buigen ons naar voren en met ons hele lichaam wenden
wij ons naar beneden en van ver leggen wij ons neer over beneden
wij strelen het eindeloos
onze handpalmen vormen zich tussen zacht en hard
ze welven zich om daar ver beneden te horen en zacht nog
sturen onze handpalmen onze stem om te roepen
er roept wat in ons
zacht nog.
naar beneden
uit onze buiken
vormt zich naar alle verten onze stem die ons uit alle richtingen
verlaat en roept naar beneden
en met de nevels van de avond vloeit onze stem naar beneden en legt
zich over de rug van de verdwenen gebroken
de in zijn breuken rustende brug.

dan richten wij ons weer op
verzetten geen voet
wind speelt
rood roept ons de morgen
 
 
 
 
 
bij een leeg landschap horen de hulzen van patronen
die zojuist zijn afgeschoten.
de trein dendert langs de lege hulzen,
een trein vol bleke passagiers die uit de raampjes hangend
de aantallen van de hulzen opnemen en de uitkomsten noteren
in zeer kleine boekjes, die eigenlijk alleen passen in fijne
tasjes van dames naast het paarlemoeren alarmpistool.

de dappersten van de bleke passagiers springen uit de coup├ędeuren
wanneer de trein in razende vaart de kleine dorpen passeert,
in razende vaart om het tellen van de hulzen niet te stagneren,
en zij rennen naar de telegraafdraden om de laatste optellingen
door te seinen.
dankbaar ontvangen de stadsbewoners de laatste gegevens en zij
verzekeren de treinpassagiers dat daarmee heel wat bereikt is
en dat de berichten in goede handen zijn, en dat dit alles dus
heel belangrijk is.
 
 
 
 
 
een voet
een hand raakt de voet
warm is de hand, maar niet de voet, die is koel
en wanneer de hand reikt naar de voet dan smelt soms het ijs van de
koelte en begeeft de voet zich in de warmte van de hand, nee de hand
grijpt de voet en in haar heldere koelte laat de voet zich nemen om tot
warmte te komen, nee zij herneemt haar ongenaakbare koelheid en in
een flits, in een onpeilbare flits in een flits die de snelheid verdampt,
werpt de voet zich in zijn baan en begint, waaraan begint toch die voet
die zich, argeloos nu, opstelt en een weg gaat, en de hand blijft achter
en kijkt, voelt nog na, en lacht wat omdat zij gevoeld heeft hoe die
voet haar verlaat en zij weet best hoe die voet rust in haar hand en dan
werpt ze de voet ver weg hoog over land en ijlend over de gekromde
aarde belandt die koele voet in het ijs, in het drijvende pakijs met zijn
weelderige kragen van sneeuw en de voet trekt een spoor en staat stil
en scharlaken rood en purper rood plant zich die voet in de koelte van
kou en vloeit moeiteloos uit.