De fauna beweegt, terwijl de flora zich voor het oog ontvouwt.
Een hele soort van levende wezens waar de grond rechtstreeks voor zorgt.
Zij hebben op aarde hun vaste plaats, alsook naar gelang van hun anciënniteit hun dekoraties.
In afwijking van hun zwervende broeders worden zij niet aan de wereld toegevoegd, zijn zij de grond niet tot last. Zij dolen niet rond op zoek naar een plek om te sterven, aangezien de aarde hun resten zowel als die van de anderen zorgvuldig in zich opneemt. Voor hen geen voedings- of huisvestingszorgen, geen elkaar verslin-den: geen angsten, dol gehol, wreedheden, klagen, kreten, woorden. Zij zijn niet onderworpen aan opwinding, koorts en moord.
Vanaf het moment dat zij aan het licht treden, bezitten zij een huis of een buitenhuis. Zij bekommeren zich volstrekt niet om hun buren en dringen niet door verslinding in elkaar door. Zij komen niet via zwan-gerschap uit elkaar voort.
Zij sterven door uitdroging en door op de grond te vallen, of eerder door ter plekke ineen te zijgen, zelden door bederf. Geen enkele plek van hun lichaam is zo bij uitstek kwetsbaar, dat doorboring de dood van het totale individu teweegbrengt. Maar een relatief gezien lichtge-raaktere gevoeligheid ten opzichte van klimaats- en bestaansomstandigheden.

Zij zijn niet… Zij zijn niet …
Hun hel is van een andere orde.

Zij hebben geen stem. Zij zijn bijkans verlamd. Zij kunnen slechts door hun houdingen de aandacht trekken. Zij maken niet de indruk de smar-ten van het ongerechtvaardigde te kennen. Maar zij kunnen ook op geen enkele wijze deze obsessie ontvluchten of denken in de roes van de snelheid aan haar te kunnen ontkomen. Zij kennen geen andere bewe-ging dan die van de uitbreiding. Geen enkel gebaar, geen enkele ge-dachte, wellicht ook geen verlangen of intuïtie, die niet uitloopt in een monsterachtige groei van hun lichaam, in een onherstelbare uitwas.
Of liever, en dat is nog erger, niets monsterachtigs per ongeluk: on-danks al hun pogingen zich ‘uit te drukken’, komen zij nooit verder dan een miljoenvoudige herhaling van dezelfde uitdrukking, hetzelfde blad. In de lente, wanneer zij het moe zijn zich langer te beheersen en het niet meer kunnen houden, laten zij een vloedgolf een opwelling van groen ontsnappen en denken een gevarieerd gezang aan te heffen, buiten zichzelf te raken, zich in de ganse natuur uit te strekken, haar te omhelzen, maar brengen echter niets anders tot stand dan een in duizenden voorbeelden herhaalde zelfde noot, zelfde woord, zelfde blad

Men kan aan de boom niet met boommiddelen ontkomen.

‘Zij drukken zich slechts door hun houdingen uit.’
Geen gebaren, zij vermenigvuldigen alleen maar hun armen, hun handen, hun vingers, – op de manier van boeddha’s. Op deze ledige wijze denken zij hun gedachten ten einde. Zij zijn niets dan een wil tot expressie. Zij hebben voor zichzelf niets te verbergen, zij kunnen geen enkel idee geheimhouden, zij ontplooien zich volkomen, oprecht, zon-der voorbehoud.
In ledigheid brengen zij hun tijd door met het kompliceren van hun eigen vorm, met het met de grootst mogelijke analytische komplikatie vervolmaken van hun eigen lichamen. Waar zij ook geboren worden, hoe verborgen ook, zij houden zich slechts met het volbrengen van hun uitdrukking bezig: zij bereiden zich voor, zij tonen zich, zij wachten erop gelezen te worden. Zij beschikken slechts over hun houdingen om de aandacht te trek-ken, slechts over lijnen, en soms over een bijzonder signaal, een buiten-gewoon appèl aan de ogen en aan de reuk in de vorm van helle geurende ampullen of bommen, die men hun bloemen noemt en die zonder twijfel wonden zijn.
Deze verandering van het eeuwige blad heeft zeker iets te betekenen.

*

De tijd van de planten: zij lijken altijd verstard te zijn, onbeweeglijk. Je keert hen enkele dagen, een week de rug toe en hun houding is nog gepreciseerder, hun ledematen nog menigvuldiger. Aan hun identiteit valt niet te twijfelen, maar hun vorm heeft zich steeds beter verwezen-lijkt.

*

De schoonheid van verwelkende bloemen: de bloembladen kronkelen als door de werking van vuur: dat is trouwens ook het geval: een proces van wateronttrekking. Kronkelen om hun zaden vruchtbaar te maken, zaden die zij de kans willen geven, de vrije loop.
Dat is het moment waarop de bloem gekonfronteerd wordt met de natuur, de dwingende kracht zich te openen, zich te verspreiden: ze schrompelt ineen, kronkelt, deinst terug en laat de overwinning aan het zaadje dat valt uit haar die het gevormd heeft.

*

De tijd van de planten raakt besloten in hun ruimte, in de ruimte die ze stukje bij beetje in bezit nemen, een stramien opvullend dat ongetwij-feld voor altijd is vastgelegd. Als dat achter de rug is, overvalt hen de matheid, dat is het drama van een bepaald seizoen.
Als de ontwikkeling van kristallen: een wil om zich te vormen en de onmogelijkheid zich anders dan op die ene manier te vormen.

*

Bij de levende wezens kan men een onderscheid maken tussen diegenen waarbij, afgezien van de beweging die hen doet groeien, nog een kracht werkzaam is door welke zij in staat zijn hun hele lichaam of delen daarvan te bewegen, om zich op hun wijze door de wereld te verplaatsen, -en diegenen waarbij geen andere beweging aanwezig is dan de uitbrei-ding.
Eenmaal verlost van de plicht tot groeien, drukken de eersten zich op verschillende manieren uit, al naar gelang de duizenden zorgen om-trent behuizing, voeding, verdediging, in bepaalde spelen wanneer hen tenminste een zekere rust wordt gegund.
Van de laatsten, die deze dringende behoeften niet kennen, kan men niet aannemen dat zij iets anders nastreven of willen dan groeien; hoe dan ook, iedere wil zich uit te drukken is machteloos, wanneer die niet op een ontwikkeling van hun lichaam gericht is, zoiets als wanneer wij bij ieder van onze verlangens de verplichting aangingen van nu af aan een bijkomende ledemaat te voeden en te onderhouden. Een infernale vermeerdering van substantie bij ieder opkomend idee! Ieder verlangen om te vluchten verzwaart mij met een nieuwe kettingschakel!

*

De plant is een in beweging zijnde analyse, een oorspronkelijke dialek-tiek in de ruimte. Vooruitgang door vertakking van het voorafgaande. De expressie van dieren is oraal, of mimisch, door gebaren die elkaar uitwissen. De expressie van planten staat geschreven, voor eens en voor altijd. Geen manier om erop terug te komen, spijtbetuigingen onmoge-lijk: korrigeren betekent toevoegen. Een geschreven, een verschenen tekst korrigeren, door toevoegingen, en zo maar door. Maar, daaraan moet worden toegevoegd dat zij zich niet tot in het oneindige vertakken. Aan een ieder is paal en perk gesteld.
Elk van hun gebaren laat niet alleen een spoor na, zoals dat bij de mens en zijn geschriften het geval is, maar een aanwezigheid, een onherroepelijke geboorte, die niet los van hen gezien kan worden.

*

Hun houdingen, of ‘tableaux vivants’:
stomme smeekbedes, dringende verzoeken, krachtige gelatenheid, triomfen.

*

Men beweert dat gebrekkigen, invaliden, hun bekwaamheden op verbazingwekkende manier tot ontwikkeling zien komen: zo ook bij plan-ten: hun onbeweeglijkheid maakt hun volkomenheid uit, hun nauwkeurigheid, hun mooie versieringen, hun kostbare vruchten.

*

Geen enkel gebaar van hun handelen haalt iets uit buiten henzelf om.

*

De oneindige gevarieerdheid aan gevoelens die het verlangen bij onbe-weeglijkheid oproept heeft geleid tot de oneindige diversiteit van hun vormen.
Een samenstelsel van uiterst gekompliceerde wetten, dat wil zeggen het perfekte toeval, heerst bij de geboorte en de plaats van planten op de oppervlakte van de aardbol.
De wet van de ongedetermineerde determinanten.

*

Planten bij nacht.
Het uitademen van koolzuur in het kader van de chlorofylaanmaak, als een zucht van tevredenheid die uren duurt, alsof de laagste snaar van strijkinstrumenten, zo los mogelijk gespannen, trilt op de grens van de muziek, van de zuivere toon van de stilte.

*

hoewel het plantaardige wezen eerder door zijn omtrekken en vormen bepaald zou willen zijn, wil ik vooreerst in hem een deugd van zijn substantie eren: de deugd namelijk zijn synthese te bereiken alleen met behulp van de anorganische wereld die hem omgeeft. alles om hem heen is voor hem niet meer dan een mijn, waaruit de waardevolle groene ader datgene put waarmee hij voortdurend zijn protoplasma aanmaakt, in de lucht door de chlorofylvormende functie van zijn bladeren, in de grond door de absorberende funktie van zijn wortels die de minerale zouten opzamelen. vandaar de essentiële eigenschap van dit wezen, bevrijd van alle huisvestings- en voedselproblemen door de hem omringende aanwezigheid van een oneindige voedselbron: de onbeweeglijkheid.

 

 

(uit: Le Parti pris des choses, 1942)