Tijdschrift Raster http://tijdschriftraster.nl Wed, 19 Jun 2013 07:00:52 +0000 en-US hourly 1 http://wordpress.org/?v=3.5.1 Zien wat er niet meer is, omdat het er nog is http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/zien-wat-er-niet-meer-is-omdat-het-er-nog-is/ http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/zien-wat-er-niet-meer-is-omdat-het-er-nog-is/#comments Wed, 19 Jun 2013 07:00:52 +0000 Kim http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5680 Misschien wel tien jaar geleden zwierf er tijdens de week van Poetry International een Engelse filmmaker door Rotterdam, die voor een klein televisiestation filmportretten van een aantal dichters maakte. Nogal bizarre portretten, realiseer ik me nu ik de videoband afdraai op zoek naar Bert Schierbeek. Zo zie en hoor je mij een gedicht voorlezen in [...]

The post Zien wat er niet meer is, omdat het er nog is appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Misschien wel tien jaar geleden zwierf er tijdens de week van Poetry International een Engelse filmmaker door Rotterdam, die voor een klein televisiestation filmportretten van een aantal dichters maakte. Nogal bizarre portretten, realiseer ik me nu ik de videoband afdraai op zoek naar Bert Schierbeek.
Zo zie en hoor je mij een gedicht voorlezen in een imposante zaal die op het eerste gezicht leeg lijkt, maar bij nader inzien één toehoorder bevat, die lang en aandachtig klapt terwijl ik tussen de rijen lege stoelen door de zaal verlaat.
Daarna schrijdt de nobele gestalte van de Toearegdichter Hawad (knielang blauw hemd fladderend in de wind, wijde witte broek tot halverwege de kuiten, sandalen) onder een grijze lucht door het grijze zand van de Maasvlakte, terwijl hij een lang gedicht zingt over een Toearegprinses. Op een gegeven ogenblik hurkt hij neer om met gespreide vingers tekens in het zand te schrijven – prachtige tekens die je graag in een of andere vorm aan de muur zou hebben. Heel ver achter hem schuift het reusachtige silhouet van een supertanker voor petroleumtanks en kranen langs.
De Poolse dichter Herbert zit met een lichtblauw jasje over een hemelsblauw overhemd achter een prachtige, oude houten tafel en leest een gedicht over Meneer Cogito voor. Dan kijkt hij verbaasd in de camera alsof een voor ons onzichtbare persoon hem een idiote opdracht geeft, staat op, begeeft zich naar de lift (we blijken in een hotel te zijn). Als de liftdeur achter hem dicht is geschoven, blijft hij door een patrijspoortachtig raampje naar de camera kijken tot de lift opstijgt. Het raampje blijkt bij de verdieping te horen en niet bij de lift. Herberts gezicht verdwijnt, tot het laatst toe verbaasd, en het raampje gunt ons een blik op zijn buik, zijn donkerblauwe pantalon, zijn wegflitsende, keurig gepoetste zwarte schoenen.
De poëzie confronteren met bizarre omgevingen, om te zien hoe ze zich handhaaft – was dat wat de filmer wilde?

Dat zou je wel denken als je ziet waar hij Bert Schierbeek mee naartoe heeft genomen.
Eerst verschijnt dat veelvuldig gerimpelde hoofd vriendelijk glimlachend Op het scherm voor een beeld van de Rotterdamse haven – veel tot rimpels geblazen water en snel voortdrijvende wolken – terwijl het voorleest:

zegt Li:
 
een pond veren
vliegt niet als
er geen vogel in zit

uit de bundel De tuinen van Suzhou, waarin de dichter de Chinese meneer Jansen of Cogito nog weI meer wijsheden in de mond legt die op het eerste gezicht open deuren lijken, maar die als ze doorzoemen in je hoofd open deuren blijken naar een reeks van kamers waarvan ook weer alle deuren open staan.
Als de camera uitzoomt, zie je dat de filmer Bert Schierbeek in een café aan de havenkant heeft neergezet, aan de korte zijde van de bar. Achter hem is het raam waardoor je de haven zag en waarop je in spiegelschrift het begin van de naam van het etablissement kunt lezen: West. De dichter heeft het soort kleurig versierde overhemd aan waarvan ik hem altijd nog eens had willen vragen waar hij het kocht.
Achter de bar staat een netjes gepermanente mevrouw van middelbare leeftijd met een grote bril op. Aan de lange kant van de bar, dus schuin tegenover de dichter, bevinden zich enkele gasten. Een mollige jonge vrouw met onwaarschijnlijk blond haar zit het dichtst bij hem, dan volgen vier mannen van wie één met een grote baard. Het is kennelijk druk in het café, op de achtergrond klinken luide stemmen. De bar is van donker hout met koperen randen; er staat een mooie ouderwetse bierpomp op. De camera gaat langs veel handen met glazen bier en sigaretten, en volgt aandachtig hoe de barmevrouw een kopstootje gereedmaakt voor de man met de baard. Schierbeek begint bedaard voor te lezen, hoewel de onzichtbare bezoekers nog rumoerig zijn. Het gezelschap aan de bar luistert wantrouwig.

licht op zee
 
ten opzichte van dat
ene licht op zee
een schip
staan alle sterren stil
tenzij zij vallen
 
bedrogen door het licht
van de ene ster reeds
eeuwen gevallen en nog
te zien
blootsoogs
 
zien wat er niet meer is
omdat het er nog is
 
zo valt ook de mens
in het ogenblik de
eeuwigheid in

Handen, jeneverglazen, bierglazen, sigarettenrook, maar het wordt stiller.
Na ‘de eeuwigheid in’ zegt de mollige blonde: ‘Daar zit wat in.’ ‘Ja hè?’ zegt de dichter verheugd tegen haar en de mannen. ‘Want het gekke is, van die sterren, dat je het licht ziet terwijl die sterren er allang niet meer zijn.’ Dat is dus het moment waarop de tranen bereid zijn op het papier te vallen – omdat het zo totaal Schierbeek is, de Schierbeek van wie je de lui de lach altijd in je hoofd zult blijven horen: het gemak waarmee hij daar zit, zonder enige gekunsteldheid, er volledig van overtuigd dat de poëzie het zal houden in deze omgeving waar poëzie hoogstens de herinnering aan het poezie-album is.
Dan leest hij ‘avond’, dat eindigt met ‘het komen en gaan van schepen’. De camera zwenkt naar het raam, waar een op de golvende dansend sleepbootje is verschenen met daarachter een schuin zwart vlak: de voorsteven van een enorm schip dat te groot is voor het raam. Als hij terugzwenkt zegt de dichter, trouwhartig de blonde vrouw aankijkend: ‘Dat is een mooi vers, hoor.’
‘Daar krijg ik nou tranen van in mijn ogen,’ zegt de vrouw.
‘Nou, straks dan maar,’ zegt de dichter. ‘Ik moet nog meer voorlezen.’
‘Lees nog maar zo’n gedicht,’ roept de stem van een onzichtbare gast.
‘Goed, dan lees ik er nog een,’ zegt Schierbeek. En hij leest voor:

zegt Li:
 
nostalgie
liever achteruit
kijken
 
dan vooruit
kijken
 
en liever ook
niet dood

En kijkt met een brede grijns in de camera. Zo is het. Liever niet. Maar als het dan toch moet, is het een kleine troost dat je ook een stem en een lach kunt horen die er niet meer zijn, omdat ze er nog zijn.

The post Zien wat er niet meer is, omdat het er nog is appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/zien-wat-er-niet-meer-is-omdat-het-er-nog-is/feed/ 0
Ei, ij http://tijdschriftraster.nl/de-mythe/ei-ij/ http://tijdschriftraster.nl/de-mythe/ei-ij/#comments Tue, 18 Jun 2013 07:00:39 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5684 IJ-polder de kleur van de lucht en de kleur van het gras : hoe leg ik dit uit aan een vreemde? de zee hierachter, die geen zee meer is, ligt zonder zeil – geen botter rondt de lichtbaak in het najaar de hemel grijs en het hooiland in mist, geen reiger, geen meeuwen geen wind: [...]

The post Ei, ij appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
IJ-polder

de kleur van de lucht en de kleur van het gras

: hoe leg ik dit uit aan een vreemde?

de zee hierachter, die geen zee meer is,

ligt zonder zeil – geen botter rondt

de lichtbaak in het najaar

de hemel grijs en het hooiland in mist,

geen reiger, geen meeuwen

geen wind: in dit grondsop ging op een middag

als deze mijn opa voor anker – de huik en

zijn fuiken al jaren verrot

november, dus te koud voor tranen: niets

leek uitzichtlozer dan die visser op het droge

drie ringen had het kijkglas dat

zijn wereld indronk – dijkland,

waaigat, kust van Pampus

: hetzelfde water en dezelfde wolken,

zelfs de horizon weer aan de haal

Raadselvers

een doop-, een doodshemd zonder naden,

een doos die eenmaal open nooit meer dicht

huis zonder uitzicht, maar vol licht

want, kijk, hier schuilt de zon

in een cocon van levenswater

geen voeten, handen en geen hoofd,

niet levend en niet dood: dat smaakt

een wieg voor hemeldier en drakenzoon, begin

van het bederf dat groeien heet, of kort

maar morsig sterven na een nekslag

wat dan nog rest verhuist de ziel

van heks en heksenmeester westwaarts

The post Ei, ij appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/de-mythe/ei-ij/feed/ 0
Onderweg verloren http://tijdschriftraster.nl/het-einde/onderweg-verloren/ http://tijdschriftraster.nl/het-einde/onderweg-verloren/#comments Mon, 17 Jun 2013 12:44:58 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5682 De vriendschap waarvan het einde me het zwaarst op de maag ligt, is die met Martin Walser. Ik heb over deze altijd wat precaire verhouding uitvoerig geschreven in Verder leven; daar duikt Martin op onder de naam Christoph. Hij bekende zich meteen tot dit personage. Ik heb hier zijn steun zo uitgebreid beschreven en zijn [...]

The post Onderweg verloren appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
De vriendschap waarvan het einde me het zwaarst op de maag ligt, is die met Martin Walser. Ik heb over deze altijd wat precaire verhouding uitvoerig geschreven in Verder leven; daar duikt Martin op onder de naam Christoph. Hij bekende zich meteen tot dit personage.

Ik heb hier zijn steun zo uitgebreid beschreven en zijn woorden over mijn werk geciteerd om het dilemma duidelijk te maken. Want juist toen ik dacht dichter bij Duitsland gekomen te zijn en een nieuwe verhouding te hebben tot het land dat toch onuitwisbare sporen bij mij heeft achtergelaten, ging de oudste verhouding die ik daar had verloren, en wel reddeloos en voor altijd. Walser lag vaak onder vuur en ik stond vaak aan de andere kant, alleen waren mijn opvattingen toen onbelangrijk en persoonlijk. Er was de Historikerstreit, een controverse met Jurek Becker, later de beroemdberuchte Friedenspreisrede in de Paulskirche en nog zo een en ander. Nadat ik zelf bekend was geworden, werd ik vaker naar mijn mening gevraagd – en hield mijn mond. Hij was, dacht ik, verwikkeld in ruzies binnen Duitsland die mij niets aangingen, ook al had ik daar zo mijn gedachten over die voor hem niet vleiend waren. Maar toen kwam er een boek uit zijn pen (letterlijk: hij schrijft immers nog altijd heel mooi en ouderwets met de hand), dat mij schokte. En het ging over mijn thema. Ik had al vaker over joodse personages in de Duitse literatuur verslag gedaan en gepubliceerd, ik wist er iets van. Tevoren dacht ik altijd: Martin is nu eenmaal een verdringingskunstenaar, iemand die niet luistert als je hem tegenspreekt maar alleen als je iets zegt dat hij kan verwerken. Maar ook dat klopt niet helemaal en daarom heb ik hem eerlijkheidshalve in extenso geciteerd. Het boek waartegen ik toen in het openbaar stelling nam – zoals ik dacht nemen moest – , was de roman Tod eines Kritikers. Ik schreef voor de Frankfurter Rundschau een recensie in de vorm van een open brief, weet nog hoe ik minstens een half uur lang het mailadres met trillende vingers verkeerd in de computer typte, zelfs met de krant telefoneerde en een nieuw adres vroeg, en elk moment precies wist, ik zal nooit meer aan een tafel zitten met mijn oude vriend Martin en zijn vrouw Käthe. Want zelfs als hij mij deze recensie vergeeft, wat niet aannemelijk is, ik vergeef hem dit boek nooit. En tegelijkertijd denk ik aan die keer dat Martin in Philadelphia was toen ik daar net in de kliniek lag, vanuit Princeton daarheen getransporteerd wegens een infectie aan mijn hart; toen hij dat hoorde liet hij zijn andere verplichtingen schieten en kwam mij opzoeken. En ik herinner me de blijdschap die ik voelde over dit bezoek, inclusief zijn geringschattende opmerkingen over de inrichting van de ziekenhuiskamer, alsof ik beslist wat beters had verdiend. Dat is allemaal afgelopen. Ging onderweg verloren.

Ten slotte ontfermde het internet zich over mijn mail en mijn brief ging naar de redactie van de Frankfurter Rundschau.

Beste Martin,
was Der Tod eines Kritikers nu alleen maar een mislukte roman! Dat zou jij je best kunnen permitteren na al die veelgelezen en geprezen boeken die je hebt geschreven, en het zou je reputatie nauwelijks schaden. Maar het gif dat hier uit je pen vloeide is niet gewoon in een slecht boek, het is eerder in een kwalijk boek uitgemond. Als ik je goed lees gaat het je weliswaar oppervlakkig om een afrekening met corruptie en amusementsverslaving in het Duitse literaire wereldje. Maar dat is niet alles, dat zou niet ver genoeg gaan. Het belangrijkste thema – je zegt het diverse keren – is macht en nederlaag, het gaat om overwinnaar en overwonnene. ‘Overwonnen, dat betekent, daarvan herstel je niet meer. De overwonnene schaamt zich… Je kunt anderen beschuldigen maar je weet: jij alleen bent de oorzaak van je nederlaag. Zie Duitsland. Ervan afgezien dat het juist helemaal geen rol speelt waarom je bent overwonnen.’ Dus niet alleen over schrijvers en critici schrijf je, maar plaatsvervangend is ook het vaderland, het eens overwonnen vaderland dat zich nog altijd schaamt, erbij betrokken, erbij gedacht. Je hebt, niet voor het eerst, een Duitslandboek geschreven. En dan zal het geen rol spelen als een buitenlandse of teruggekeerde, in ieder geval door de verderfelijke geest bezielde criticus een jood is?

Als jodin die zich beroepshalve met Duitse literatuur bezighoudt en denkt met jou en je familie bevriend te zijn, voel ik me ook door jouw beschrijving van een criticus als joods monster geraakt, gekwetst, beledigd. Je zou beslist antwoorden: Maar jij wordt toch niet bedoeld, ik heb toch niets tegen joden, alleen tegen deze ene, illegitieme macht uitoefenende persoon, die toevallig jood is. Het toeval heeft weliswaar een plaats in de werkelijkheid, maar niet in de literatuur. Anders hadden we de literatuur helemaal niet nodig.

Natuurlijk hoeft de schrijver van een roman, ook van een realistische, zeker van een satirische, zich niet aan het werkelijke voorbeeld te houden, of alleen maar zo dat het mikpunt van de satire herkenbaar blijft. Een karikatuur is geen foto, het slachtoffer zal zich tevergeefs beklagen dat het in werkelijkheid een kortere neus en een hoger voorhoofd heeft. De satiricus kiest wat hij belangrijk vindt. Verantwoordelijk is hij dan wel voor de betekenis. En wanneer hij een weerzinwekkende criticus als jood schetst, dan mag je toch vragen of hij daarmee zoiets als de vernietigende macht van de joden in het hedendaagse Duitse geestelijke leven bedoelt.

Het snelle, afwerende antwoord zou zijn: volstrekt niet, Martin Walsers EhrlKönig is jood, omdat Marcel ReichRanicki nu eenmaal jood is. Realisme in de literatuur is echter geen kopie van de werkelijkheid maar de interpretatie ervan. De roman Effi Briest wordt niet onrealistisch omdat Fontanes voorbeeld niet van verdriet stierf en veel ouder is geworden dan de romanheldin. Fontane is niet verantwoordelijk voor het vrouwenleven dat hem inspireerde, maar wel voor wat zijn werk zegt over de maatschappelijke dwang van zijn tijd.

Maar, zeggen jij en je verdedigers, het is toch maar een komedie, een farce, waarom nemen jullie deze kleine roman zo serieus? Alsof komedies en slechte grappen niet sinds jaar en dag bijzonder geliefde vehikels van bespotting zijn geweest! Maar er wordt toch niemand vermoord, zeg je, de criticus keert heelhuids terug van zijn avontuur met de blonde Duitse adellijken, wier neus hij eerst, geil als hij is, in het bijzijn van iedereen obsceen heeft verfomfaaid, en wordt tenslotte nog zelfs in Engeland in de adelstand verheven (want hij heeft immers zo veel nationaliteiten). De Jodenmoord, zoals die in jouw boek staat, zeg je, was altijd alleen maar een fantasie in de hoofden van je fictieve schrijvers (vanzelfsprekend nietjoden) die de joodse criticus schade had berokkend. Alstublieft, lijkt de tekst te zeggen, wij zijn toch geen moordenaarsgespuis. Beste Martin, met op de achtergrond de Duitse geschiedenis – die nu eenmaal niet buiten beschouwing gelaten kan worden – is de komische terugkeer van de slechts schijnbaar vermoorde jood nog erger dan een stevige krimi met lijk zou zijn geweest.

À propos krimi. Vijftien jaar geleden heb je (samen met Asta Scheib) het draaiboek geschreven voor een televisieaflevering van ‘Tatort’, getiteld ‘Armer Nanosh’, dat bij Fischer ook als pocketboek verscheen. Die speelde in het ‘zigeunermilieu’, ging dus uitgebreid over Roma en Sinti. Die heb je zodanig stereotiep beschreven, dat de centrale raad van de Roma en Sinti zijn beklag deed; maar noch jij, noch de NDR luisterde naar de betrokkenen. Jij keerde destijds de rollen zelfs om en meende dat er nu ‘jacht op schrijvers’ werd gemaakt. De bezwaren van de betrokkenen, die toch eigenlijk beter moesten weten dan jij of ze zich gekwetst voelden of waar het pijn deed, ondervonden geen begrip bij jou. Jij beweerde koppig, zolang de dader in je verhaal geen Roma is, is het beeld niet discriminerend. Zo ook nu: De jood wordt niet vermoord, ergo… Toch is geen enkele combinatie van personage en handeling taboe. Bij voorbeeld, in de laatste roman van Günter Grass, Im Krebsgang begaat een jood een moord. Grass’ beschrijving is noch antinoch filosemitisch, ze is onbevooroordeeld en daarom is er niets op aan te merken.

Maar het antisemitisme komt in jouw boek toch helemaal niet voor, zeg je. Juist. Het zou er namelijk wel in moeten voorkomen. Had je er een thema van gemaakt, dan zou men het je niet hebben kunnen verwijten. In Tod eines Kritikers bederft de jood (of de halfjood of de veronderstelde jood, in ieder geval degene met het etiket ‘jood’) de schrijvers de prijzen en het publiek de smaak, maar, God bewaar me, niemand zou dat ‘de joden’ kwalijk nemen. Ondertussen zal wel overal bekend geworden zijn, en niet alleen onder joden en sociale wetenschappers, dat de afkeer van joden als groep in Duitsland hier en daar voorkomt. Daarvoor ben jij niet verantwoordelijk, ook al valt je boek plotseling middenin het Möllemandebat en komt het daarom in een zeer slechte tijd uit. Maar een persoonlijke aangelegenheid is zo’n boek nu eenmaal ook niet. En een beeld van Duitsland met kwaadaardige joden of voor mijn part de slechte jood maar zonder jodenvijandigheid is, zwak uitgedrukt, leugenachtig. Een leugenachtig beeld van de werkelijkheid in de fictie wordt gewoonlijk als kitsch beschouwd. Wanneer het in de evenwichtige zinnen met het onmiskenbare ritme van een echte schrijver voorkomt, noemen we het edelkitsch, ook dat is een goed Duits woord.

Hoe moeten wij de gecompliceerde verzameling gevoelens lezen die jouw protagonist, de schrijver Hans Lach, alias mystiekgeleerde Landolf voor zijn kwelgeest koestert, en die immers ook positieve emoties, zoals de behoefte aan diens erkenning, niet uitsluit? Juist in het onderbewuste volgt jouw beschrijving een gewoonweg klassiek patroon van discriminatie. De man die onze sympathie heeft, nadert blauwogig (in zowel metaforische als racistische zin) en met zelfvertrouwen, zoals hij nu eenmaal van nature is, de andersoortige en wordt door hem bedrogen, teleurgesteld, afgestoten.

Landolf verdiept zich in Seuse, de mysticus uit Konstanz, zijn alter ego Hans Lach zwijgt als het graf. Ikverloochening, stilte, nadenken, contemplatie, ascese, kalmte – dat is de tegenpool van de praatjesmaker en intelligente gifmenger EhrlKönig. Enerzijds gebergte en eenzaamheid met eerlijke gevoelens en gedachten, anderzijds de geruchtenmachine van de grote stad waar de vreemdeling, de jood met zijn meelopers heerst en waar afgunstig en zinloos wordt gezwetst.

Het Duitse prototype voor die constellatie is in Wilhelm Raabe’s Der Hungerpastor uit 1864 te vinden, een roman die ook over twee intellectuelen gaat, de een ootmoedig en op zoek naar de waarheid, de ander, de jood, alleen maar handig, slim en uit op zijn eigen voordeel. De goede laat zich argeloos uitbuiten door de slechte en merkt pas laat met wie hij te maken heeft. Laatstgenoemde houdt zich uiteindelijk bezig met onfrisse spionagezaken in Parijs, terwijl de christen een arbeidzame en liefdevolle predikant wordt in een arm maar met de natuur verbonden provincienest. De roman, die afwisselend bol staat van kwaadaardigheden en sentimentaliteiten, werd enorm populair en heeft zijn auteur een hoop geld opgeleverd. Raabe, die immers net als jij een belangrijke auteur was en die niet vond dat hij een antisemiet was (net zomin als zijn voorganger Gustav Freitag), betreurde weliswaar wat hij had aangericht, bedacht later ook nog, om het goed te maken, een paar armelijke positieve joodse vrouwelijke personages, maar de tekst van de Hungerpastor bleef wat hij was en heeft veel schade aangericht in het hoofd van zijn lezers. Ik wil maar zeggen: de zelfkennis van de schrijvers en hun ondoorgrondelijke ziel, dat is een ander verhaal. Wij hebben het hier over analyseerbare teksten.

Beste Martin, sinds we elkaar 55 jaar geleden leerden kennen is er veel water door het Bodenmeer gestroomd en niet alleen maar heilignuchter water, geschikt om Hölderlins zwanen in onder te dompelen. Toen was de grote moordgolf net voorbij en Duitsland stond aan het begin van de grote onverschilligheidsgolf. Daarop volgde de golf van het druipende filosemitisme. Nu ziet het er hier te lande uit naar een terugval in wat wij joden in de nazitijd ironischweemoedig ‘de goede oude Risches van 1910’ noemden, namelijk de gematigde Jodenverachting van veel bevolkingslagen van alle klassen, waarmee blijkbaar viel te leven. In je Friedenspreisrede heb je geklaagd over een moraalknuppel waarmee niet nader genoemden jou en andere Duitsers bedreigden. Nu speel je ‘overwinnaar en overwonnene’, en daarbij is onverhoeds de door jou opgeroepen knuppel uit je handen gegleden, maar alsjeblieft, waar is hier de moraal?

In oude vriendschap, Ruth

Natuurlijk vindt Martin me ondankbaar. Dat ben ik ook. Maar er zijn dwingender verplichtingen dan de dankbaarheid voor persoonlijke dienstbewijzen. Het is gemakkelijker zich wijs te maken dat ik met mijn mening over zijn boek bij de beledigde criticus in het gevlij zou willen komen dan in te zien hoe zeer de kwaadaardigheden daarin een jodin de schrik door het lijf jagen. Want het joodzijn is geen club waar je uit kunt treden.

En zo is Martin Walser en deze voorbije vriendschap nog altijd het summum van mijn Duitslandbeeld. De contradicties die ik hier heb geschetst zijn niet op te lossen. In ieder geval niet door mij, je begrijpt ze nauwelijks en leeft ermee.

______________________________________

Fragment uit: Ruth Klüger. unterwegs verloren. Erinnerungen. Paul Zsolnay Verlag Wien 2008.

Ruth Klüger, geboren 1931 in Wenen, overleefde de kampen van Theresienstadt, Auschwitz en Christianstadt. Emigreerde in 1947 naar de VS, waar ze germanistiek doceerde aan diverse universiteiten. De belangrijkste publicaties: Katastrophen. Über deutsche Literatur (1994); Frauen lesen anders (1996); weiter leben. Eine Jugend (1992), de Nederlandse vertaling, Verder leven. Een jeugd (1995), is van Marion Offermans. In 2008 verscheen unterwegs verloren. Erinnerungen. 

Marion Offermans vertaalde werk van onder meer Hans Magnus Enzensberger, Michael Krüger, Lothar Baier, Soma Morgenstern, G. C. Lichtenberg en Ruth Klüger.

The post Onderweg verloren appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/het-einde/onderweg-verloren/feed/ 0
Voorspelling in het Duits http://tijdschriftraster.nl/hoezo-europa/voorspelling-in-het-duits/ http://tijdschriftraster.nl/hoezo-europa/voorspelling-in-het-duits/#comments Fri, 14 Jun 2013 07:00:36 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5677 Ooit heeft men eens gezegd dat de natie geen fiaker is waar je bij de vol­gende hoek uit kunt stappen als de rit je niet meer bevalt. Dat blijft juist, ook al zijn de verkeersmiddelen moderner geworden; tegenwoordig is de natie veeleer een supersneltrein die door een landschap raast waarvan niemand weet of daar überhaupt [...]

The post Voorspelling in het Duits appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Ooit heeft men eens gezegd dat de natie geen fiaker is waar je bij de vol­gende hoek uit kunt stappen als de rit je niet meer bevalt. Dat blijft juist, ook al zijn de verkeersmiddelen moderner geworden; tegenwoordig is de natie veeleer een supersneltrein die door een landschap raast waarvan niemand weet of daar überhaupt rails liggen. De modernisering van de vergelijking heeft het voordeel dat je daarmee de vrees kunt omschrijven die zich steeds meer bij het reisgezelschap in de trein uitbreidt, de vrees namelijk dat al sinds geruime tijd niemand meer in de locomotief zit.

Dus stellen we de vraag, wat is tegenwoordig een natie? – waarbij met het woord ‘tegenwoordig’ het tijdperk van de acefale systemen wordt be­doeld; daarin maakt men zich geleidelijk los van de fantasma’s van de centrale besturing. Hoe ik op deze vraag zal antwoorden, kunt u na de bo­venstaande dodenbezweringen in het citaat en na mijn excursies in de land- en volkenkunde wel vermoeden.[1] Ik zal beweren dat de natie een stemmengegons is, een ruisen van informatie in de oren en lichamen van een bevolking. Stelt u zich eens voor dat u een hal betreedt waar twee-, drieduizend mensen aan tafels zitten te praten; probeert u zich dit zoemen en bruisen in de zaal eens voor de geest te halen; betreed dat geluidstapijt waar nauwelijks nog afzonderlijke stemmen bovenuit te horen zijn: voel die klankknevel van een helemaal van zichzelf en zijn levensuitingen doordrongen gezelschap. Vermenigvuldig dat geluidsbeeld nu tot een reusachtige omvang, hoor het simultane geluid van veertig, zestig, tach­tig miljoen Duitse stemmen, breng in uzelf de nationale detonatie teweeg, dat historische dreunen boven een territorium, dat angstaanjagende brui­sen van een nationale taal dat al sinds honderden jaren aanzwelt. Het lijkt mij dat men voor de volkeren niet alleen optische satellieten zou moeten bouwen maar ook akoestische en men zou ’s avonds bij het weerbericht een satellietopname van het simultane geluid van de naties moeten uit­zenden. En net zoals de wolkenspiralen boven Europa die we bijna dage­lijks op de beeldschermen zien niet aan de staatsgrenzen plegen te stop­pen, zou het ook nauwelijks mogelijk zijn de speciale Duitse toon zo hel­der uit het enorme klankentapijt der continenten te filteren dat die alleen te horen zou zijn.

Onze gehoorfantasie stuit op haar grenzen als ze zich inlaat met het spel met een politieke akoestiek. De natie als collectief geluid en als stem­mengegons boven een stuk aarde lost weldra op in het onvoorstelbare, ze blijft ongehoord, een onwaarneembaar geluid. Dat komt ook door de aard van de zaak: de taal. Want een nationale taal is evenzeer schrift als stem, ja misschien nog meer bibliotheek dan stemmengegons, meer drukkerij dan parlement. Ik wil dus mijn definitie uitbreiden en zeggen dat de Duitsers, evenals de overige volken, een neurologische bibliotheek zijn; in Duitse zenuwstelsels, in Duitse synapsenschakelingen is de encyclope­die van de Duitse geschiedenis opgetekend. De Duitse bibliotheek staat dus niet in Frankfurt, ze staat helemaal nergens; want deze feitelijke bi­bliotheek, dat zijn wij – levende aantekeningen in de Middeneuropese bi­bliografie. En we staan niet stil, we suizen rond, we wemelen, we zijn mobiel, we zijn een razende boekengemeenschap … Zeker, nauwelijks iemand weet hoe je deze bibliotheek intelligent gebruikt. Nog steeds le­ven we als analfabeten; we lezen onszelf niet genoeg. In talrijke schrift­systemen is de hoeveelheid informatie van heel Duitsland in onze eigen en in vreemde opnamemedia geregistreerd; op die manier hoeven we slechts in onszelf te bladeren of aan de hand van wachtwoorden de histo­rische programma’s op te roepen, en de Duitse tekst verschijnt vóór ons, in ons, door ons, precies zoals hij werd gefixeerd, in Gotische en Latijnse letters, met de hand geschreven, in lettertekens voor een optische lezer, ook in lichamelijke taal, in celgeheugens, zelfs in het in het lichaam ont­stane mineraalwater, als het zijn moet. U moet dat goed begrijpen – toen vier weken geleden Duitse mensen huilend door de muur liepen, toen speelde het toneel zich geheel af binnen de Duitse neurologische biblio­theek – op die plaats was in het tekstboek de mogelijkheid voor tranen ge­codeerd; onder het motto weerzien waren in het psychosomatische scena­rio van na de oorlog lachen en huilen verplicht – nu kwam het wacht­woord, het passeerwoord; de rest van de passage spellen we sindsdien vanuit onszelf – op zoek naar de juiste tekst voor het volgende Duitse hoofdstuk, die wijsheid en domheid om het hardst schrijven. Nulla dies sine linea.

Uit mijn privé-bibliotheek heb ik zoeven teksten geciteerd die ik een beetje misleidend als stemmen heb voorgesteld [2], hoewel ze voor ons vooralsnog geen zaak van het oor zijn geweest maar geschriften, aanteke­ningen uit de duistere tijd – geadresseerd aan mensen die zo lichtzinnig waren toen Duitsers te zijn, ja zelfs zo onbeheerst dat ze nog meer Duitsers op de wereld zetten; misschien dachten ze dat dit spel van de chromosomen, de letters, de stemmen in Midden-Europa ondanks de oor­log hoe dan ook door moest gaan. Mijn citaten documenteren Duitsland als aangesproken, als aangeschreven natie – en deze citaten zijn ten dele nog altijd op zoek naar hun geadresseerde. U ziet, dames en heren, ik speel hier een beetje de nationale postbode die zich ervan heeft overtuigd dat een natie vooral een adres is. De post van het bondgenootschap, waar­van de schrijvers de bestellers zijn, werkt langzaam; zoals men ziet zijn bestellingen met een vertraging van veertig jaar minder uitzondering dan regel. Er is zo veel post bij van na de oorlog; ook een hoop onduidelijk geadresseerde post tussen de generaties, veel psycho-historische fluistertekst uit het niet verwerkte leven van vroeger. Maar voor een natie is het goed beter vertraagd dan nooit de brieven overhandigd te krijgen waarin haar geboortebeloften werden geformuleerd.

De kinderen van de aangesproken, aangeschreven natie schrijven en spreken sinds een poosje zelf; maar omdat de nationale post zo aarzelend en onbetrouwbaar met hun bestellingen omging, is het nog altijd een beetje zo alsof onze taal historisch uit het niets komt. We zijn er alsof we uit de lucht zijn komen vallen. Je begint met elementaire zinnen, je pro­beert zo dicht mogelijk te blijven bij wat je zelf kunt weten, wilt niet overdrijven, geen woord te veel zeggen. Zo wordt het naoorlogse Duits een taal voor het vaststellen van feiten en voor dementi’s. Duits wordt een vreemde taal in het eigen land; we hadden immers alle reden geen woord te geloven dat niet door bewijs en eigen waarneming bekrachtigd was. De Duitse zin werd loodzwaar; de Duitse taal moest aan het werk als een teruggekeerde krijgsgevangene die de moed tot spreken is vergaan. Ze was het liegen en dwepen beu, ze bleef er weerloos tegen dat juristen haar nu lieten zeggen wat ze wilden, en dat politici van de frase overgin­gen tot daden. Het was alsof de taal rouwde en geresigneerd had voor haar opgave werelden te openen. De reden van die rouw en die vrijwillige zelfcontrole van de stemmen was voor het gevoel al lang duidelijk, ook al hadden we moeite de motivering voor deze toestanden nadrukkelijk uit­een te zetten. Ik wil maar zo zeggen: men kon in de Duitse naoorlogse taal fatsoenshalve geen zinnen meer vormen in de toekomende tijd; men kon in het Duits niets beloven; Duits was als taal van de voorspelling ge­ruïneerd en in haar kracht om toekomsten aan te kondigen net zo ver­woest als de Duitse steden. Maar haar wederopbouw duurt langer. Dat heeft niemand zo goed begrepen als de jonge Peter Handke, toen hij in de jaren zestig met zijn spreekstukken het woord begon te vragen. Laat me uit mijn nationale privé-bibliotheek een paar Handke-zinnen citeren die precies demonstreren hoe men toen, kort voor het einde van de jaren van de loodzware zin, in het Duits de profetische toekomende tijd uitpro­beerde.

abcd
En de veranderden zullen zich veranderd voelen.
En de tot zoutpilaren verstarden zullen staan als tot zoutpilaren verstard.
En de door de bliksem getroffenen zullen omvallen als door de bliksem getroffen.
En de gefascineerden zullen gefascineerd luisteren.
En de versteenden zullen versteend staan.
En de geroepenen zullen komen als geroepen.
En de verlamden zullen verlamd staan.
En de van de donder geslagenen zullen er staan als van de donder gesla­gen.
En de slapenden zullen lopen als in hun slaap.
En de bestelden en niet afgehaalden zullen staan als besteld en niet afge­haald.
En de verwisselden zullen zich verwisseld voelen.
En de gespiegelden zullen zich gespiegeld zien.
En de verslagenen zullen zich verslagen voelen.
En zij die van de aardbodem verdwenen zijn zullen als van de aardbodem verdwenen zijn.

Is Handke een apolitiek auteur? Ik zie niemand die het probleem van het Duits als uitgestorven taal van de profetie zo gevarieerd heeft aangepakt als deze Oostenrijker, die onder het mom van de niet in politiek geïnteresseerde, introverte schrijver een taalontologisch experiment ten uitvoer brengt: de functie van de toekomende tijd voor de Duitse taal opnieuw te ontdekken; zo precies als mogelijk, zo pathetisch als nodig. Vanuit het nulpunt van de profetie is Handke geleidelijk op de tast vooruit gescho­ven van de tautologie naar de inhoudrijke zin. Beginnen moest het onver­mijdelijk aldus:

c
De veer zal vederlicht zijn
b
De gal zal bitter als gal zijn
a
De kalk zal wit als kalk zijn.
d
De boter zal boterzacht zijn.

c
De gedachte zal als een gedachteflits zijn.
b
Het haar zal haarfijn zijn.
a
Het doodgaan zal doodvervelend zijn.
d
De doden zullen doodsbleek zijn.

c
De stervenden zullen zich doodziek voelen,
b
De raaf zal ravezwart zijn.
a
De planken zullen recht als een plank zijn.
d
Het vlies zal vliesdun zijn.

c
De vinger zal vingerdik zijn.
b
De draden zullen tot op de draad versleten zijn.
a
De steen zal steenhard zijn.
abcd
Elke dag zal een dag zijn als elke andere.

Handke noemde zijn tekst Voorspelling – hoe anders? Ik denk dat we toen iedereen die meer voorspeld zou hebben, een kletskous hadden ge­vonden. In Duitsland – zei Benn – heeft men de gewoonte denkers die taalkundig niet opgewassen zijn tegen hun wereldbeeld, zieners te noe­men. Welnu, dachten de kinderen van na de oorlog, als dat zo is, dan ver­wijderen we alles uit onze taal wat met zien, met vooruitzien, met voor­spellen te maken heeft. Wij werden de generatie zonder verwachtingen. Nauwkeuriger, de generatie die verwachtte dat ze niet te veel te verwach­ten had. Maar wat is te veel? Hoe weinig kun je verwachten? Hoe ver kun je gaan bij de poging in leven te zijn en er toch niets van te verwachten? Wie tot de generatie zonder verwachtingen behoorde, moest in de loop der tijd ondervinden dat menselijk leven zonder verwachtingen iets on­mogelijks is. De exploitatie van nieuwe, wilde, onnauwkeurige, politieke en pseudo-politieke verwachtingen heeft het sinds 1968 aangetoond. Je weer iets voorstellen – hoe doe je dat? Voor ons moest het conflict tussen het zich-niet-voorstellen-kunnen en het zich-voorstellen-moeten het mid­delpunt van de Duitse taal worden, ja niet alleen het middelpunt van de taal maar ook van de Duitse kwestie, het Duitse vraagstuk. Duits zijn be­tekent, er niet zeker van zijn watje van jezelf en de wereld mag verwach­ten. Ik denk dat deze onzekerheid over de verwachting niet meer te schei­den zal zijn van de Duitse rol in de wereld. Want niets weten we zo pre­cies: er is geen Duitse wereldmissie meer. – Juist omdat het zonneklaar is ontstaat daaruit een kritische missie tegenover de missies. Die erkent de noodzaak de machtige missionaire krachten in de wereld, zowel de poli­tieke als de religieuze, te bewegen er radicaal over na te denken hoe be­loofd moet worden en hoe niet, wat beloofd moet worden en wat niet. De wereldvraag stellen betekent tegenwoordig, beginnen met de kritiek van de missies en hun uitverkorenen. De Duitse taal is vermoedelijk de eerste taal in de wereld geworden waarin de overgeleverde toezeggingen en be­loften, heilig of profaan, niet gewoon verder verteld en nagepraat kunnen worden. Ze kan noch de Duitse, noch de Amerikaanse, noch de Russische way of life op planetaire schaal willen doorgeven zonder onheilspropaganda te maken. Ze mag ook de elfenkoningen van de economie zonder grenzen niet naar de mond praten. Wie in het Duits iets wil beloven moet radicaler nadenken over het wat en hoe van zijn woorden in de toekomst, dan zomaar iemand waar dan ook. Natuurlijk, zelfs tijdens de wereldoor­log was Duitsland als aangesproken natie niet volledig uitgesloten van de stromingen van de morele, poëtische en profetische beloften waarin het talige
zelfbesef van de mensheid wordt gevormd; niet in de laatste plaats moesten mijn citaten dat laten zien. Ik vraag dus, wat betekent het, tegen­woordig, vanuit de Duitse scepsis, vanuit de niet-profetische zwaarte­kracht van Duitse gemoedstoestanden, scherp te luisteren naar het ruisen van de talloze talen op de aarde waarin levensbeloften verder verteld zijn -houdbare en onhoudbare, verstandige en onduidelijke, banale en bui­tensporige? Door beloften organiseert de mensheid haar onbetrouwbaar­heid. Hoe past tegenwoordig onze voorzichtig geworden taal in het pla­netair zich – aaneenpraten van de volkeren? Wat betekent het tegenwoor­dig het gebruik van de toekomende tijd als legitieme functie van het Duits op een nieuwe en verstandige manier aan te leren? Hoe kunnen we leren betere beloften te doen – beloften die zonder zelfvernietiging van de spre­ker gehouden kunnen worden? Kunnen we binnenkort nog meer van zul­ke nieuwe, verstandige, vanzelfsprekend klinkende dingen zeggen als de twee kleine zinnen die Willy Brandt de avond van de 9de november voor het gemeentehuis van Schöneberg uitsprak: ‘De muur zal vallen en Berlijn zal leven.’ Dat is een van de eerste voorbeelden voor een toeko­mende tijd zonder holle frasen na de Tweede Wereldoorlog, en vandaag al zijn ze als gelukkige nieuwe verworvenheid niet meer weg te denken uit de nationale bibliotheek in het oor. Wanneer Handke bij zijn voorspellingsoefeningen schreef: Elke dag zal een dag zijn als elke andere, dan moet dat nu aangevuld worden met: die dag zal geen dag als elke andere zijn geweest. Vanaf die dag hebben de burgers van de BRD het vooruit­zicht ooit naast een iets sympathiekere, iets normalere, iets coöperatievere Duitstalige buurstaat te wonen – waarom niet naast een Pruisisch Oostenrijk? Dat zou meer zijn dan gehoopt kon worden; nog meer te ei­sen zou weer deel van een kwaadaardige belofte kunnen blijken te zijn die de verwoesting van Europa op de koop toe neemt om een Grootduitse fantasie verder uit te spinnen.

Ik ga eindigen. Er is geen tijd meer om scherper te luisteren naar de na­tionale dodenkoren; ik heb hier niet genoeg plaats om de belangrijkste stemmen van het Duitse stemmengegons te achterhalen. Ik zal van een andere gelegenheid moeten profiteren om de gedachte uiteen te zetten dat naties zowel oorsprongmythologische als politiekjuridische complexen zijn. Ze ontstaan territoriaal uit de binding met de begraafplaatsen van de voorvaderen; ze ontstaan psycho-akoestisch door bindingen van het in­nerlijke oor met de hypnose in de moedertaal; ze ontstaan psycho-historisch door betoverende missies en probleemdelegaties aan de ‘zonen en dochters van het land’. Ik heb hier niet genoeg tijd voor die dingen en evenmin om de indruk te corrigeren dat ik doof ben voor het vrouwelijke spreken en dat ik de stemmen van het verleden slechts als een Duits man­nenkoor hoor. Er is niet eens meer ruimte over om na te denken over de raadselachtige regel van Rose Ausländer: ‘Een lied bedenken betekent geboren worden en dapper zingen van geboorte tot geboorte.’ Maar ik wil niet eindigen met deze korte inmenging in het nationale stemmengegons zonder te verwijzen naar een passage uit een rede die enkele jaren gele­den aan dezelfde lessenaar werd gehouden – voor mijn oren de het meest te denken gevende passage uit de het meest te denken gevende rede. Alexander Kluge stond zes jaar geleden hier op het podium en trok zijn publiek mee in een duizelingwekkende gedachtengang. Hij vroeg, hoe kan ik überhaupt iets over Duitsland zeggen terwijl ik op Duitsland, op Duitse bodem sta? Hoe kun je praten over iets dat je draagt, dat je om­geeft, datje mogelijk maakt en domineert? Kluge zei toen:

Daarover is al in de scholastiek gediscussieerd bij het begrip sopra. Christoffel draagt het kindje Jezus. Het kindje Jezus draagt de wereld op zijn schouders. Waar zet Christoffel zijn voeten neer als die toch al­leen vaste grond krijgen als Christoffel de wereld op Jezus’ schouders beklimt, pas daar zet hij vaste voet aan de grond?
Vat u dat gerust ernstig op, want het betekent de zin: cogito quia na­tus sum. Ik zeg dat niet als geloofsbekentenis, maar alleen om een va­riant te geven voor cogito ergo sum, dat ik liever zou veranderen in: Ik ben in staat te denken omdat ik ervan kan afzien dat ik Ik ben. Een hulp daarbij is de zin: cogito quia natus sum (Ik denk zo en niet anders om­dat ik op een bepaalde plaats ben geboren)… natus sum = natie, – u kunt me geloven, iets heeft het met elkaar te maken …
(Nachdenken über Deutschland, 1988, 73/74)

Welnu, ik heb deze ochtend over niets anders gepraat dan over dat iets dat tussen natus en natie bestaat, over die relatie tussen nationaliteit en nataliteit, over het raadsel dat ons wordt opgegeven doordat we niet anders kunnen dan in een ‘natie’ te komen als we beginnen op de wereld te ko­men. ‘Natie’, in die etymologische en filosofische betekenis, is een con­stante in het proces van het ter wereld komen die voortaan aandacht vraagt, ook als de nationale staat een moderne uitvinding voorstelt die al­lang aan revisie toe is. Naties zijn, zo opgevat, politieke moederinstanties, ze zijn en hebben politieke schootfuncties, ze zijn vormen van het sa- men-geboren-zijn. Waarom waren de scènes van de 9de november eigen­lijk zo ontroerend? Het Berlijnse iets heeft de doorbraak tot de wereld aangeroerd, waaruit elk menselijk leven voortkomt, ook en juist als het zich zijn verschijnen niet op eigen kracht kan herinneren. Maar als ‘het’ gebeurt – als het naar buiten treden doorgaat door zich te herhalen -, dan wijzen de effecten in de richting van de oorsprong. De nationale vraag­stukken hebben daarom, als ze acuut worden, iets ontroerends of iets dat doet verstarren, iets dat ons doet smelten of het oerverzet oproept; daarbij horen de tranen en het onderscheiden van tranen; daarbij horen het uitwij­ken naar onverschilligheid en de terugkeer van wat niet onverschillig kan worden. Het zijn geen andere vragen dan die waardoor we ons terugvra­gen, terugdenken naar het veelomvattende, dragende, mogelijk makende en overweldigende. Natie is een genealogisch begrip; onder genealogie moet de wijze van denken worden verstaan die de bestaanskracht van din­gen en ordeningen uit oorsprongbetrekkingen duidelijk maakt. Daarom denkt wie aan zijn nationaliteit denkt in het krachtveld, om niet te zeggen in de ban van de oorsprongen. Nationalisme was daarom altijd een dub­belzinnige en in beide aspecten gevaarlijke factor, enerzijds het uithalen van de territoriale machten naar wereldwijde machtsverbanden, ander­zijds het verlangen van de subjecten naar het weer opgeslokt worden door datgene waaruit ze voortgekomen zijn. Juist hier speelt de Duitse les van deze eeuw een rol. Met het oog op wat we hebben meegemaakt bestaat er voor ons niets kwaadaardigers dan die schootnaties, die zuigende vader­landen, die grote gekrenkte moedergodinnen met hun allegorische boe­zems en vlaggen en tranen en met hun heidenzonen die ze eerst erop uit sturen grootse dingen te doen om ze vervolgens terug te slurpen in het vochtige, veelbelovende graf dat natuurlijk ook al placenta is voor heroï­sche wedergeboorten in het vaderland, we kennen dat verhaal. We heb­ben genoeg van die slachtoffers eisende, halfreligieuze, nationale porno­grafie; de schoten zouden er in de toekomst genoegen mee moeten nemen achter ons te liggen en voor meer dan korte bezoekjes niet in aanmerking te zullen komen. Stellig begint de levensweg van de kinderen van na de oorlog net zoals die van alle anderen: met de eigen politieke familie, de natie; dat wordt vermoedelijk bedoeld met Martin Walsers ‘machtige’ na­tionale grondlaag, waar zoveel onenigheid over was, terecht maar ook onterecht. Het geboren zijn in iets dragends dat door ons verder gedragen wil worden blijft het kleinste gemeenschappelijke probleem van alle mensen van stammen, volken en naties; maar het dringen naar de uitgang neemt toe, dat hebben de vluchtelingen en de vrije geest gemeenschappe­lijk; de weg naar de vrijheid gaat onvermijdelijk verder dan de natie. Zo mondt het nationale probleem, gezien in het licht van de wereld, uit in de vraag hoe pervers of hoe gezond – dat bedoel ik normatief – de politieke moederliefde is die overgaat op de jongere generaties of door deze gene­raties aan hun eerste milieu, hun geboortegrond, wordt geschonken. Als onze politieke uterus in de toekomst a good enough nation wil zijn, een natie die goed genoeg is om er in vrijheid te leven, dan moet die haar kin­deren loslaten voor de wereld. Moeder Duitsland weent zo zeer / heeft nu toch geen Hansje meer./ Dan bedenkt het kind zich / gaat terug naar huis – maar nee, het weet, het zou overal heen kunnen lopen, alleen niet naar huis, alleen niet meer naar het koele Duitse graf thuis in de moeder.

Dus wanneer zullen de Duitsers ophouden misbruik te maken van het zwoele woord hereniging? Het is een grondwoord van de Duitse neurose – een verbale zuignap die juist de mensen die tekort gekomen zijn, de identiteitsgehandicapten in het eigen slachtoffer aantrekt ten gunste van een bedwelmend, allesoverheersend geheel. Onthoud dus; weerzien is be­ter dan herenigen; vriendschap tussen twee mensen beter dan versmelten met iemand.

Toch is het waar, we hebben aanleiding te vragen, wanneer waren de Duitsers voor het laatst zo weinig onaangenaam als nu? Wanneer hebben ze voor het laatst zoals de laatste tijd met goed nieuws de nieuwsgierig­heid van de wereld gewekt? Sinds wanneer waren Duitse tekenen dat men iets wilde zeggen, vooral over ecologische aangelegenheden, zo nuttig als nu voor het ontstaan van planetaire zelfwaarnemingen? En tenslotte, hoe lang is het geleden dat mensen in Midden-Europa het gevoel konden hebben dat intelligentie op lange termijn het enige is, dat misschien toch niet onderdrukt kan worden?

 

______________________________________

[1] Deze tekst betreft het laatste hoofdstuk uit Versprechen auf Deutsch (Frankfurt 1990), een ‘rede over het eigen land’, die Sloterdijk op 10 december 1989 in het kader van de ‘Münchner Kammerspiele’ heeft gehouden. Verwijzingen hebben betrekking op eerdere, hier niet vertaalde delen uit de rede. (Noot van de red.)

[2] Bedoeld zijn de ‘stemmen’ van onder meer Albert Camus, Peter Weiss en Paul Tillich, die zich tijdens de oorlog (gedeeltelijk via de radio, gedeeltelijk in geschrifte) tot de Duitsers richtten. Sloterdijk brengt die in het begin van zijn rede (in de boekuitgave op p. 16 e.v.) ter sprake.

The post Voorspelling in het Duits appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/hoezo-europa/voorspelling-in-het-duits/feed/ 0
Bert voor, tijdens en na de opnamen voor ‘Het witte kasteel’ http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bert-voor-tijdens-en-na-de-opnamen-voor-het-witte-kasteel/ http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bert-voor-tijdens-en-na-de-opnamen-voor-het-witte-kasteel/#comments Wed, 12 Jun 2013 07:00:38 +0000 Kim http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5670 Toen wij nog op school zaten kwam Bert Schierbeek een lezing houden. Op zaterdagmorgen trad er om de zoveel weken een spreker op in de gymzaal. Dat heette Schooltribune. Iets over cultuur of iemand van Philips over de werking van tv. Bert tekende onmiddellijk na aankomst een grote cirkel op het schoolbord, in de segmenten [...]

The post Bert voor, tijdens en na de opnamen voor ‘Het witte kasteel’ appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Toen wij nog op school zaten kwam Bert Schierbeek een lezing houden. Op zaterdagmorgen trad er om de zoveel weken een spreker op in de gymzaal. Dat heette Schooltribune. Iets over cultuur of iemand van Philips over de werking van tv. Bert tekende onmiddellijk na aankomst een grote cirkel op het schoolbord, in de segmenten waarvan hij de woorden lucht en aarde, water en vuur zette (misschien waren het ook andere) – het totaalbeeld opgebouwd uit tegengestelde en aangrenzende gebieden. Dit totaalbeeld uit te drukken, daar was het hem om te doen – dat was wel de portee van wat hij zei.
We waren allemaal gecharmeerd door zijn radicale aanpak van het verschijnsel lezing, hij was lollig en las knetterend. Voor een avant-gardist vond ik hem verrassend boers. Zijn accent was misschien duidelijker Gronings dan nu, maar dat maakte het juist onvergetelijk: die bezeten zinnen gesproken door die hese boerse stem. Enkele wat oud uitgevallen leerlingen stelden tijdens de Vragen de bandeloosheid van dit soort literatuur aan de kaak. Bert had niet eens hoeven antwoorden: hij hàd het en zij zouden het waarschijnlijk nooit krijgen.

Omstreeks die tijd kwam ik ook in het bezit van ‘Het Boek IK’, uitgegeven op grauw papier en met een heel intrigerende, eigenlijk lelijke omslag. Dat woord Ik dat gedurfd de hele pagina vulde. Ik wist natuurlijk niet hoezeer Bert zich door het raadsel van het ik getild en opgeheven voelde (wat is zo bijzonder aan dat ik… )
Ik slaagde er nog niet in het hele boek uit te lezen, maar er stonden zinnen in die je altijd bijblijven, omdat ze hun betekenis nooit helemaal prijsgeven, zoals: wie het einde niet heeft gezien zal dit geloof nooit begrijpen.

In 1972, toen ik met Bert aan het werk ging, las ik ‘De andere namen’. Dat duurde drie maanden. Bert zei tegen iemand: ‘Het heeft hem net zoveel tijd gekost om het te lezen, als het mij kostte om het te schrijven.’ Ik voelde het als een compliment, terwijl ik gewoon erg traag lees. Vaak glijdt de concentratie weg en moet je een paar bladzijden terug. Er staan ook veel referenties in die ik niet ken. Ik geloof dat Bert vindt dat er een hoop onbekend, ongeweten mag blijven – als je het maar weet. Maar ook werd ik hele stukken meegesleept door de ritmische verschuivingen van kleuren en betekenissen, door afmetingen, drift en stem. Een werkelijkheid vormt zich. Een wereld gaat open.
De opvatting, dat mens en die door zeer velen aardig gevonden worden, oppervlakkig in hun contacten zijn, wordt door de praktijk van Schierbeek weerlegd. Het verblijf op zijn eiland Formentera, waar hij ons had heengebracht om er onze film op te nemen, bracht een bijna ononderbroken reeks ontmoetingen met oude en nieuwe bekenden die allemaal evenveel prijs stelden op zijn aanwezigheid. Het terugvinden van dierbare herinneringen, het in zich opnemen van al die mensen en plaatsen was voor hem van zo’n allesoverheersend belang, dat de filmopnamen maar traag op gang kwamen. Ieder onderwerp werd een ontmoeting. Als de ontmoeting tot stand kwam, was voor Bert de film eigenlijk al gemaakt. Hij was zo sterk betrokken bij de mensen die we filmden, dat hij dikwijls luid pratend het beeld inliep. In menige scène hoorde je zijn bulderende gelach ergens op de achtergrond, terwijl niets in het beeld reden tot vrolijkheid gaf. Er was voor hem geen onderscheid tussen de posities vóór en achter de camera. Hij kon geen toeschouwer zijn zonder deel te nemen.

(Onlangs stond ik tegen Sjef Diederen een beetje te klagen over het thema tijdnood. Als ik wat tot stand wil brengen, moet ik zoveel uren met mijn werk bezig zijn dat ik mijn vrienden verwaarloos. Ik verbaas me over Bert, die een groot oeuvre heeft geschapen terwijl hij toch gezellig tussen de mensen rondgaat. ‘Ja maar Bert die doet zijn werk al pratend, hè. Hij haalt het direct uit de mensen,’ zegt Sjef. ‘Kijk maar het nieuwe boek “Weerwerk”, wie daar allemaal aan het woord zijn.’)
Voor zo’n schrijver is ieder ander medium dan het woord te traag. Het waarnemen, reageren, denken gebeurt in het leven. Het schrijven is slechts het openen van de verbinding tussen het leven en de wereld van de fantasie, ook wel het Andere genaamd.
Toen ik dat begrepen had liep de film op rolletjes. We wisten hoe we de rollen moesten verdelen. Wat voor observaties droeg hij daar achteloos aan! De slager met het schaap op de brommer, de ezel die in een tractor verandert, het gemeenschappelijk getto voor gasten en gastarbeiders. Alles wat Bert mij voorspiegelde was waar.
Later projecteerden we al het materiaal dat we hadden opgenomen. Urenlang keken we. Bert praatte er ontspannen doorheen, wat ik eigenlijk niet kon hebben, omdat ik vond dat je tegenover de beelden stilte in acht moet nemen. “t Is goed,’ zei hij na afloop, alsof het allemaal heel gewoon was. Ik vroeg hem om een signaal, een uitspraak. Bert tekende een golvende lijn, bracht daarop een aantal punten aan en verbond die met elkaar. ‘Volgens mij zou je het zó kunnen doen,’ zei hij. ‘Het kan nu niet meer mislukken.’ En zo was het ook.

(De schrijver voor wie alle media te traag zijn is wel dé samenwerker met makers in andere media – de prachtige boeken samen met Diederen, waarvan je zou wensen dat ze in reuzenpockets beschikbaar zouden zijn. En behalve de schilders, de musici, de theatermensen, de typografen, de fotografen, de filmers: de ‘Brief aan Vorster’ met Roeland Kerbosch.)

Toen hij zich heel verdrietig voelde danste hij heel alleen een fantastische tango in de vertrekhal van vliegveld Ibiza.

Hij praat en praat. De wereld die hij in taal tot een geheel monteert, is versplinterd door denkbeelden, rituelen, instituties. Wanneer hij met zijn woorden de waarheid even aanraakt, stellen zijn ogen zich op oneindig in. Een zeer zachte oogopslag.

Zoals men weet bracht het verlies van Margreetje Bert tot het maken van de gedichtenbundel ‘De Deur’, die zeer veel weerklank vond. Na het verschijnen van de volgende bundels toonde hij zich enigszins opstandig over het in gebreke blijven van de critici: de tragische, buiten-poëtische omstandigheden waren voor hen de vette kluif geweest. Helemaal gelijk had hij toch niet. De tragiek én het hoge niveau waarop hij die verwerkte maakten indruk. Dezelfde moedige levenshouding vind je ook weer in ‘Vallen en opstaan’, opgedragen aan Thea. Er voltrekt zich daar een omschakeling, van persoonlijke en van poëtische aard. Die omschakeling maakten de critici blijkbaar niet direct mee. Dat is ook weer niet zo heel belangrijk. Tenslotte is Bert pas 60 en nu al klassiek, ook al weet het hele volk het nog niet.
Soms denk ik: we hebben geen tijd. ‘Nee, geen tijd,’ lijkt Bert te zeggen, ‘en wat dan nog.’
Geëngageerd zijn en zo hoog mikken.

september 1978

The post Bert voor, tijdens en na de opnamen voor ‘Het witte kasteel’ appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bert-voor-tijdens-en-na-de-opnamen-voor-het-witte-kasteel/feed/ 0
Agenda en Grenzen van het voorstellingsvermogen http://tijdschriftraster.nl/nuttige-gedichten/agenda-en-grenzen-van-het-voorstellingsvermogen/ http://tijdschriftraster.nl/nuttige-gedichten/agenda-en-grenzen-van-het-voorstellingsvermogen/#comments Mon, 10 Jun 2013 07:00:43 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5673 Agenda Belastingconsulent bellen, en aan het werk. Piekeren over de foto van een vrouw die zich van kant heeft gemaakt. Opzoeken wanneer het woord Feindbild voor het eerst is opgedoken. Na de donder de luchtbellen bekijken die de wolkbreuk op het wegdek blaast, en de natte lucht drinken. Ook roken, zonder geluid televisiekijken. Zich afvragen [...]

The post Agenda en Grenzen van het voorstellingsvermogen appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>

Agenda

Belastingconsulent bellen, en aan het werk.
Piekeren over de foto van een vrouw
die zich van kant heeft gemaakt.
Opzoeken wanneer het woord Feindbild
voor het eerst is opgedoken.
Na de donder de luchtbellen bekijken
die de wolkbreuk op het wegdek blaast,
en de natte lucht drinken.
Ook roken, zonder geluid televisiekijken.
Zich afvragen waar de sexuele kriebels
midden in een saaie bijeenkomst vandaan komen.
Zeven minuten lang aan Algerije denken.
Ongeremd als een twaalfjarige vloeken
over een afgebroken vingernagel.
Terugdenken aan een bepaalde avond,
eenentwintig jaar geleden, in juni,
een zwarte pianist speelde cha cha cha
en iemand huilde van woede.
Niet vergeten tandpasta te kopen.
Gissen waarom eπі = -1;
waarom God de mensen nooit
met rust laat, omgekeerd evenmin.
Lampen in de keuken vervangen.
De levenloze, natte, verfomfaaide kraai
met lange vingers van het balkon af halen.
Naar de wolken kijken, de wolken.
Slapen ook, slapen.

 

Grenzen van het voorstellingsvermogen

Teveel verlangd dat je begrijpt
wat het getal 9 tot de 17de macht tot de 17de macht betekent,
dat je weet hoe de ander eraan toe is
wanneer hij tandpijn heeft,
dat je aan de slachtoffers van de aardbeving denkt,
wanneer je Nununu
bij je vriendin in bed ligt
en verder helemaal niks.
Analfabeet van de armoede,
zolang je geld hebt,
en als arme sloeber
heb je geen flauw benul van de zware zorgen
van miljardairs. Eeuwige autochtoon,
verbannen in je eigen nest,
kun je niet meepraten.
Beste eerste persoon enkelvoud,
jij toonbeeld van fantasieloosheid –
probeer je voor te stellen
hoe jij de virus smaakt
die zich in je longen nestelt,
hoe de kat je ziet
of een of andere God.
Stel je voor, onooglijke kiezel,
hoe je in het water zinkt
en boven jou sluit zich
de spiegel van de wereld
spoorloos en glad.
Maar dat kun je niet.

The post Agenda en Grenzen van het voorstellingsvermogen appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/nuttige-gedichten/agenda-en-grenzen-van-het-voorstellingsvermogen/feed/ 0
Over de turbulentie http://tijdschriftraster.nl/hans-magnus-enzensberger/5674-2/ http://tijdschriftraster.nl/hans-magnus-enzensberger/5674-2/#comments Mon, 10 Jun 2013 07:00:09 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5674 Het pluralisme ontziet niets. Ook de toekomst is er niet tegen gevrijwaard. In alle natuurlijke talen is ze, alsof dat vanzelf spreekt, een singulare tan­tum, evenals het verleden en het heden, waarvan de meesten van ons nog steeds denken dat ze maar een keer voorkomen. Als we daarentegen den­ken aan wat ons te wachten staat, [...]

The post Over de turbulentie appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Het pluralisme ontziet niets. Ook de toekomst is er niet tegen gevrijwaard. In alle natuurlijke talen is ze, alsof dat vanzelf spreekt, een singulare tan­tum, evenals het verleden en het heden, waarvan de meesten van ons nog steeds denken dat ze maar een keer voorkomen. Als we daarentegen den­ken aan wat ons te wachten staat, duizelt het ons. Het vermogen om wat er nog niet is onder het enkelvoud te rangschikken, hebben we verloren. In die zin hebben we niet te weinig toekomst voor ons, of zelfs helemaal geen, zoals het stoffige parool No future ons wil wijsmaken, maar te veel, dat wil zeggen: vele. De toekomst is als homogene voorstelling ondenk­baar geworden. Elke overweging die op haar betrekking heeft, splitst zich als een eindeloos vertakte boom van beslissingen en brengt een veelsoor­tigheid voort die we noch kunnen ontwijken, noch de baas kunnen wor­den.

Al deze mogelijke toekomsten concurreren met elkaar en stoten zich in het gedrang de ellebogen bont en blauw. Dat maakt ze stuk voor stuk min­der en tast hun waardigheid aan. Vermoedelijk heeft het veel betreurde verdwijnen van de utopie zijn grondslag in deze zelfrelativering van het mogelijke. Niet omdat ons niets meer te binnen zou schieten, maar omdat het aanbod van toekomstfantasma’s ons bevattingsvermogen te boven gaat komen ons de beschikbare ontwerpen, of het nu een eutopie of een metopie is, vrijblijvend, om niet te zeggen banaal voor.

De futurologie is de wetenschap van het koffiedik. De patronen en structuren die ze wil verklaren schrijft ze toe aan haar materiaal, om ze vervolgens daaruit te concluderen; op deze manier is Mars aan zijn kana­len gekomen en de maan aan haar gezicht. Dit psychedelisch proces kan steunen op een stilzwijgende overeenkomst met onze alledaagse projec­ties. Het is amusant om te zien hoe de mathematische term indruist tegen de psychoanalytische zonder dat er bij de betrokken disciplines een licht opgaat.

Het toekomstpluralisme behoort inmiddels bij de inrichting van de nor­maliteit. Iedereen die ‘een dag verder denkt’ – en wie zou dat bespaard blij­ven? – ontwikkelt onvermijdelijk hele reeksen scenario’s, die onderling niet alleen inconsistent zijn, maar elkaar wederzijds uitsluiten. Dezelfde mens die ervan overtuigd is dat er een wereldwijde catastrofe voor de deur staat, sluit, zonder met zijn ogen te knipperen, een levensverzekering af met een looptijd van dertig jaar. Het heen en weer pendelen tussen Waterman-tijdperk en Apocalyps, New Age en pensioenberekening, Nir­wana en beleggingsadviezen, is allang een massaal fenomeen geworden. Over de grovere scenario’s waarin het bijgeloof nestelt, kun je je gemak­kelijk vrolijk maken; maar ook bij mensen die zichzelf heel verstandig vinden, heeft de toekomst haar conjuncturen, waarvan de wisselvallighe­den rationeel waarschijnlijk moeilijk te verklaren zijn.

De nucleaire oorlog in Europa, enkele jaren geleden nog een obsessieve nachtmerrie, is zo goed als helemaal verdwenen uit de collectieve fantasie. In plaats daarvan wordt in talloze versies de ecologische ondergang be­zworen. Zo verschijnt het onvoorstelbare nog alleen als variant, het uit­sterven van de soort als vervangbaar speelmateriaal.

Ook de ‘visioenen’ van de ondergang gehoorzamen aan de gebruikscyclus van de media. Hun volledigheid is schijn; het definitieve karakter waar ze aanspraak op maken, laat ruimte voor andere, die net zo exclusief optreden: alles wordt totaal anders omdat de wereldeconomie eerstdaags ineenstort, omdat de kunstmatige intelligentie het subject vervangt, om­dat rampzalige epidemieën alle andere catastrofen overbodig maken, om­dat de genentechniek een eind maakt aan de mens, enzovoorts.

Maar ook het pessimisme is niet te vertrouwen. Niet alleen de maande­lijkse aflossingstermijn voor het eigen huis zorgt voor een stilzwijgend, maar hardnekkig voorbehoud. Dezelfde mondige burger die van de on­stuitbare vergiftiging van de aarde, van het smelten van de poolkappen, van de uitputting van alle bronnen overtuigd is, houdt tegelijk vast aan de ideologie van de technological fix en verwacht de verlossende uitvin­ding, het reddende serum, de goede truc, die alle energieproblemen eens en voor altijd zal oplossen.

De co-existentie van het onverenigbare heerst ook in kringen van ex­perts. Als pioniers van de moderne waarzeggerij kunnen de economen doorgaan. Sinds mensenheugenis presenteren ze de economie, volkomen ongehinderd door elke weerlegging door de realiteit, met een serieus ge­zicht hun horoscopen. De orthodoxe marxist berekent de datum waarop het kapitalisme definitief ineenstort, de onbetrouwbare beleggingsadvi­seur voorspelt in hoogglansprospectussen de volgende beurshausse. Beide treffen een goedgelovig publiek aan. Hun prognoses hebben slechts een ding gemeenschappelijk: de onwankelbare zekerheid waarmee ze naar vo­ren worden gebracht. Op dit punt is de Club van Rome het net zo eens met de kernenergielobby als de klimatoloog met de demograaf: ieder heeft de toekomst, zijn toekomst, voor zich in pacht.

De plaats op de wip wordt ingenomen door degeen voor wie deze in­spanningen bestemd zijn. De media stellen hem bloot aan een voortduren­de wisseling van ondergangs- en geruststellingsparolen en er blijft nauwe­lijks iets anders over dan te wennen aan het labiele evenwicht van paniek en apathie. De common sense, die gelooft in het zich erdoor slaan, wordt op den duur immuun tegen de handelingsinstructies, die zowel in positieve als in negatieve voorspellingen verborgen zijn. Wie een blik werpt op de toekomstscenario’s uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, zal moeten toe­geven dat het gezonde mensenverstand het er in zijn beperktheid niet slechter heeft afgebracht dan alle think tanks van deze wereld.

Het zijn dus behoorlijk concrete ervaringen die de bodem onder de ge­schiedfilosofie hebben weggenomen. De naïviteit van alle theorieën, die uiteindelijk alleen maar geseculariseerde versies van de heilsgeschiedenis zijn, is ook voor iemand die weinig weet te beginnen met het speculatieve denken, eclatant geworden. Om het even of ze optreden in ‘progressieve’ of in ‘conservatieve’ gedaante – hun zelfvertrouwen heeft zeer geleden, en men ziet het ze aan dat ze alleen nog maar hun eigen boedel beheren.

Op verrassende en gedenkwaardige wijze is het uitgerekend een bepaal­de fractie van de ‘harde’ wetenschappen die in deze situatie nieuwe voor­stellen moet doen, en wel juist doordat ze afscheid neemt van haar eigen traditie, de dogmatiek van de exacte berekening. Uit de thermodynamica, de evolutie- en systeemtheorie, maar ook uit de wiskunde en de theoreti­sche fysica zijn aanzetten voortgekomen, die misschien uit de oude impas­ses zouden kunnen leiden.

Het gaat daarbij om nieuwe paradigma’s van zelforganisatie, om dissipatieve structuren en niet-lineaire logica’s. Daarbij is tenminste één ding onomwonden gebleken: dat de evolutie van complexe systemen princi­pieel niet exact voorspeld kan worden. Hun verloop wordt door singuliere gebeurtenissen, vaak van grote onwaarschijnlijkheid, doorslaggevend beïnvloed. Zeer kleine inputs kunnen zeer grote ensembles laten ‘kante­len’, terwijl anderzijds enorme invloedsfactoren dynamisch opgevangen worden, zonder dat het tot oncontroleerbare turbulenties komt. Natuurlijk kun je dat ook eenvoudiger uitdrukken. Je zou kunnen beweren dat de wetenschap hard op weg is het toeval weer in zijn oude metafysische rechten te herstellen. Met een terugval in een voorwetenschappelijke be­gripswereld zou evenwel niets gewonnen zijn.

Interessanter is de vraag, of zulke nieuwe denkwijzen ook toe te passen zijn op maatschappelijke processen. Hun uitvinders houden zich in dit op­zicht op de achtergrond, vermoedelijk niet alleen omdat ze zich niet com­petent voelen, maar ook omdat ze terugschrikken voor de ideologische implicaties van zo’n toepassing. Ze hebben geen zin zich door de politiek te laten afmaken. Omgekeerd vinden sociologen en maatschappijcritici het sinds hun zegerijke polemiek tegen het sociaaldarwinisme, dus sinds honderd jaar, een uitgemaakte zaak dat van de natuurwetenschappen niets te leren valt. Dit voorbehoud is allang versterkt tot een links denkverbod. Pas de laatste tijd komt men voorzichtig dichter bij de vraag of over mogelijke homologieën tussen natuurkundige, biologische en sociale pro­cessen al mag worden nagedacht of niet.

Daarbij geeft juist de grondwet van de rijkste maatschappijen van te­genwoordig aanleiding tot zulke onderzoeken. Ze hebben afscheid geno­men van het idee dat alles te plannen is. Machtigen en machtelozen, enke­lingen en groepen streven nog steeds hun particuliere doelen na, maar de beweging van het geheel onttrekt zich aan hun bedoelingen, zelfs aan hun voorstellingsvermogen. Niemand zou op het idee komen een ‘vijfjaren­plan’ te bedenken om het dan te realiseren. Om nog maar te zwijgen van verderstrekkende doelen. Ook heeft men het opgegeven anderen, derden, bij voorbeeld de Derde Wereld, ontwikkelingsstrategieën à la Rostow aan te bieden of zelfs voor te schrijven. Daarmee is er een einde gekomen aan de eens zo populaire samenzweringsconcepten, die het historisch proces gestuurd zagen vanuit geheimzinnige almachtige centra, en het zoeken naar een subject van de geschiedenis, revolutionair danwel evolutionair, is vruchteloos gebleken.

Een instantie die ze centraal zou kunnen sturen, is in deze ‘geavanceer­de’ landen helemaal niet meer te bekennen; ja, je zou zelfs kunnen bewe­ren dat het hier om acephale maatschappijen gaat – dit zou de ironische herleving zijn van een toestand die de etnologen bij prehistorische volke­ren ontdekt zeggen te hebben. Natuurlijk betekent dit geenszins dat macht, rijkdom, kansen in zo’n ensemble gelijkmatiger of zelfs rechtvaar­dig verdeeld zouden zijn. Het wil alleen zeggen dat zich na de ontbinding van gevestigde, hiërarchisch geordende stands- en klassenverhoudingen, een instabiel, dynamisch vloeiend evenwicht vormt, dat zich voortdurend op goed geluk reproduceert en dat voortdurend verandert. Regeringen en partijen zijn in zo’n systeem allang opgehouden ‘de richtlijnen van de po­litiek te bepalen’ of zelfs, zoals in de oude fysiologische metaforen, als hoofd, brein, centraal zenuwstelsel van het geheel te fungeren; ze probe­ren in het gunstigste geval, om op de hoogte te blijven, een soort hormona­le sturing, om te verhinderen dat de turbulenties de omvang aannemen van een catastrofe. Zelfs deze taak schijnt te veel van hen te vragen. Waar ze proberen zich frontaal tegen de resultante van het ongeplande, sociale proces te verzetten, falen ze regelmatig: ‘dat is’, zoals de functionarissen dan plegen te zeggen, ‘politiek niet haalbaar’.

Maar niet alleen de overheid heeft aan doorzettingsvermogen verloren, ook de economische macht staat er ondanks, ja misschien dankzij haar hoge concentratie niet meer zoals eertijds, monolitisch en duurzaam bij. Bedrijfsmonumenten als Krupp, dynastieën als die van de spoorwegkoningen en van de grootindustriëlen doen ons denken aan fossielen uit de 19de eeuw. De multinationals van tegenwoordig lopen door niet te voor­ziene storingen, crises, inzakken van de conjunctuur, takeovers, verschui­vende eigendomsverhoudingen, plotselinge rooftochten, het gevaar fail­liet te gaan. Zoals het internationale kapitaal dagelijks in biljoenentrans­acties oncontroleerbaar om de aardbol wordt gestuurd, zoals de waarde van de valuta in een permanent electronisch experiment stochastisch wordt vastgesteld, zo is ook de economische macht, belichaamd in enor­me maar precaire bronnen, onderhevig aan een onbeheersbare floating, aan een snelle opeenvolging van voor- en achteruitgang, groei en verval.

In een dynamisch regime, dat in autokatalytische hypercyclussen voort­durend verandert, zijn echter ook zones van traagheid en van resistentie, die door politici en technocraten systematisch worden onderschat. We hebben in West-Duitsland en, misschien nog frappanter, in Spanje gezien, hoe maatschappijen in zeer korte tijd tot in hun blijkbaar onverbeterlijke trekken, tot in hun collectieve onbewustzijn toe (als zoiets al bestaat) ver­anderen; we hebben anderzijds meegemaakt hoe alle pogingen om hun veelsoortigheid te niet te doen, zijn mislukt. Ook de verandering heeft haar grenzen die zich onttrekken aan de berekenbaarheid. Zo stuiten bij voorbeeld projecten als de afschaffing van het brood of van het schrift op een moeilijk te verklaren, maar blijkbaar hardnekkig verzet; deelsyste­men als het zogenaamde gezin blijken, tegen alle verwachtingen in, uiterst resistent te zijn.

Deze wisselende verhouding tussen acceleratie en traagheid, condensa­tie en uithoudingsvermogen, maakt het geheel alleen nog ondoorzichti­ger. Het is denkbaar dat zulke ambivalenties het proces enkel gevoeliger maken voor beïnvloedende, kwantitatief onbeduidende factoren, die ech­ter op het pregnante moment en op de juiste plaats optreden. Het plotse­linge overschrijden van kritieke drempels speelt niet alleen in de ecologie, maar ook in de politiek een steeds belangrijkere rol. Daarmee komt ook een oud, pijnlijk onderwerp, waarvan de marxisten vonden dat het allang was afgehandeld, in een nieuw licht te staan: de ‘rol van de persoonlijk­heid in de geschiedenis’. Het opduiken van een Khomeini of een Pol Pot kan miljoenen mensen de kop kosten; wanneer een verlichte tsaar ver­schijnt, zijn de gevolgen niet te overzien; zou een gek het Witte Huis be­trekken, dan hoefden we ons over de toekomst van ons pensioensysteem niet meer lang het hoofd te breken; en wat er zou gebeuren als een geniale godsdienststichter zich meester zou maken van de media durven we ons niet voor te stellen. Ook voor iemand die de lust om hypothesen over de toekomst op te stellen nog niet verloren heeft, moet het duidelijk zijn dat ze allemaal en te allen tijde door een minimale factor x, die de bliksem­inslag teweegbrengt, verijdeld kunnen worden.

Over het einde van de geschiedfilosofie kunnen de meesten van ons zeker gemakkelijk heen komen. Dat betekent echter niet dat we zonder perspec­tieven voor het leven, strategieën, ‘plannen’ zouden kunnen. Het gevolg is dat de kloof tussen theoretisch begrip en praktijk van het leven steeds groter moet worden. Als hetgeen ik hier (tamelijk luchtig) heb proberen aan te duiden ook maar enigermate juist is, dan volgt daaruit een gedrag dat geen aanspraak meer kan maken op algemene verplichting: iedereen is erop aangewezen zijn vermoedens te volgen, en zelfs die staan onder een onuitgesproken voorbehoud: ik handel zo alsof ik onder de voortdu­rend oscillerende toekomsten mijn eigen toekomst zou kunnen vinden.

Op het gevaar af dat het met een bekentenis kan worden verwisseld (en bekentenissen zijn zoals bekend slechts interessant voor wie ze aflegt), zou ik zo’n vermoeden willen uiten. De alom gewenste en geroemde flexibili­teit, die allengs tot de rang van een sociale, kardinale deugd wordt verhe­ven, vind ik een slechte strategie. De pure sociaalautomaat, die altijd al­leen maar op tegenwoordige toestanden reageert, verliest niet enkel het laatste restje controle over zijn eigen lot, hij zal ook altijd te laat komen. De haas die hijgend achter de egel aanloopt, is zeker van diens hoon. Maar ook de omgekeerde oplossing deugt van dag tot dag minder. Wie denkt dat het er om gaat zich frontaal tegen het systeem te verzetten, als conser­vatieve of revolutionaire strijder, valt – als mijn beschrijving niet verkeerd is – ten prooi aan een illusie; want zo’n houding is slechts zinvol wanneer men over een objectief stringent toekomstperspectief beschikt (de ‘zin van de geschiedenis’ kent).

De vraag of het er op aan komt met de stroom mee of er tegen in te zwemmen, lijkt me verouderd omdat ze een onverdraaglijke vereenvoudi­ging veronderstelt. Vruchtbaarder lijkt me de methode van de zeiler, die zowel met de wind mee als ook er tegen in laveert. Zo’n handelwijze met betrekking tot de maatschappij vereist extreme oplettendheid en stoïcijns ongeloof. Wie ook maar het eerste het beste doel wil bereiken, moet zet voor zet met duizend onvoorziene factoren rekening houden en mag op geen daarvan vertrouwen.

Maar met tegenwoordigheid van geest alleen kom je er niet. Angst voor het anachronisme kan niemand zich permitteren die wil ontsnappen aan de idiotie van de gelijktijdigheid. Een zekere eigenzinnigheid, die afziet van laatste motiveringen, kan daarbij geen kwaad.

The post Over de turbulentie appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/hans-magnus-enzensberger/5674-2/feed/ 0
Schrijver met de zweep. Over Canetti en Kraus http://tijdschriftraster.nl/berlijn-praag-wenen/schrijver-met-de-zweep-over-canetti-en-kraus/ http://tijdschriftraster.nl/berlijn-praag-wenen/schrijver-met-de-zweep-over-canetti-en-kraus/#comments Fri, 07 Jun 2013 07:00:34 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5664 Het is niet overdreven Elias Canetti (1905-1994) een Weens schrijver te noemen, ook al werd hij geboren in de oriëntaals aandoende stad Rustschuk in Bulgarije, in het zelfbewuste, beschermde en rijke koopmansmilieu van uit Spanje afkomstige joden. Via Manchester, Wenen (waar hij het uitbreken van de eerste wereldoorlog meemaakt), Zürich en Frankfurt komt hij in [...]

The post Schrijver met de zweep. Over Canetti en Kraus appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Het is niet overdreven Elias Canetti (1905-1994) een Weens schrijver te noemen, ook al werd hij geboren in de oriëntaals aandoende stad Rustschuk in Bulgarije, in het zelfbewuste, beschermde en rijke koopmansmilieu van uit Spanje afkomstige joden. Via Manchester, Wenen (waar hij het uitbreken van de eerste wereldoorlog meemaakt), Zürich en Frankfurt komt hij in 1924 andermaal, maar nu voor langere tijd, naar Wenen om er scheikunde te studeren. Afgezien van een paar onderbre­kingen, waarvan één, in 1928, in Berlijn, verblijft hij daar tot 1938, als hij naar Londen emigreert. In Wenen doet Canetti de voor zijn schrij­verschap beslissende maatschappelijke en intellectuele ervaringen op; de ingrijpendste is de ontmoeting met Karl Kraus.

Canetti heeft zijn levensgeschiedenis tot 1937 uitgebreid en met een onwaarschijnlijk geheugen voor data en details van allerlei aard be­schreven in een drietal intrigerende boeken vol pregnante portretten en karakterschetsen: Die gerettete Zunge (1977), Die Fackel im Ohr (1980) en Das Augenspiel (1985), die alledrie ook in het Nederlands zijn vertaald. In Die Fackel im Ohr, de titel verwijst natuurlijk al naar Kraus, vertelt Canetti hoe hij op 17 april 1924 getuige was van diens driehonderdste lezing, en wel in bewoordingen die in grote lijnen over­eenkomen met die van het uit 1965 stammende essay over Kraus, waar­van hierna de vertaling volgt. Nog meer dan door het retorische en pan­tomimische talent van de spreker wordt Canetti geobsedeerd door de toehoorders, die al bij de eerste de beste pointe, in feite niet meer dan een toespeling voor de goede verstaander, in een gelach uitbarsten waar hij van schrikt. Het klinkt fanatiek en dreigend, ja zelfs ‘hongerig’- de suggestie is duidelijk, zo meteen zullen ze het door Kraus aan de kaak gestelde slachtoffer verscheuren.

Verderop in dit boek vertelt Canetti een anekdote die voor zijn gees­telijke ontwikkeling waarschijnlijk de belangrijkste uit de levensge­schiedenis is: die over de gebeurtenissen van 15 juli 1927. Canetti leest in de krant dat er op arbeiders is geschoten en dat de moordenaars door de rechtbank zijn vrijgesproken, volgens de krant is dat een rechtvaardig vonnis. Dat veroorzaakt bij Canetti eenzelfde woede als bij de Weense arbeiders, die zich vanuit alle richtingen spontaan en in groten getale naar het Paleis van Justitie in Wenen begeven, waar Canetti zich bij hen aansluit. Ze steken het paleis in brand, waarna de politie het vuur op hen opent met het gevolg dat er negentig doden vallen. Dan ziet Canetti in een zijstraat een ambtenaar die vertwijfeld en met de armen omhoog staat te jammeren dat nu alle akten verbranden, een groteske scène die Canetti zo verbijstert dat hij de man bits toevoegt: ‘Beter dan mensen!’

Het belang van deze anekdote is meervoudig. Om te beginnen vor­men deze gebeurtenissen voor de schrijver de directe aanleiding zich intensief met het verschijnsel massa en macht te gaan bezighouden, ze­ker ook omdat hij hier aan den lijve heeft ervaren wat het betekent om willoos op te gaan in de massa; het is een zo indrukwekkende gebeurte­nis dat hij de opwinding van die dag drieënvijftig jaar later, als hij er in zijn levensgeschiedenis verslag van doet, nog steeds voelt tot in zijn botten. Vervolgens is het zo dat die over zijn akten jammerende ambte­naar in veranderde vorm, als amorele, van de wereld geïsoleerde boekengek, als ‘een hoofd zonder wereld’, is terug te vinden in Canetti’s belangrijkste literaire schepping, professor Kien (aanvankelijk, en niet erg gelukkig, Kant geheten) in Die Blendung (Het martyrium), die hij samen met zijn bibliotheek in vlammen laat opgaan. En ten slotte is de nasleep van de gebeurtenissen van deze 15de juli, door Canetti aanslui­tend verteld, van grote betekenis gebleken voor zijn absolute opvattin­gen over de verantwoordelijkheid van de schrijver. En zo kom ik van­zelf weer terug bij Kraus.

Zwaar aangeslagen als hij was, werd Canetti wekenlang achtervolgd door de herinneringen aan de brand en het massacre. Het verbijsterde hem dat de Weense intelligentsia er het zwijgen toe deed, dat niemand zijn stem verhief – op Karl Kraus na.

Dat kan hem niet echt verbaasd hebben: Kraus was ook een van de weinigen die principieel en met inzet van al zijn satirische krachten protest had aangetekend tegen de eerste wereldoorlog, ‘en niet pas toen hij door de nederlaag tot andere gedachten was gebracht, zoals de meeste anderen. Uit haat tegen de oorlog heeft hij zijn eigen partij (…) van meet af aan de nederlaag toegewenst, zoals tal van profeten; de par­tij waar hij werkelijk toe behoorde, was die van de slachtoffers en dat sloot zowel mensen als dieren in.’ (Boeiend, en indirect blijk gevend van zelfkennis, is trouwens de observatie die Canetti hierop – ik citeer uit zijn aantekeningen in Das Geheimherz der Uhr. Aufzeichnungen 1973-1985, 1987 – laat volgen: ‘Het zou naïef zijn te verwachten dat zo’n activiteit zonder pathos te volvoeren was. Wij, die zeer goede re­denen hebben om pathos te wantrouwen, kunnen niet met terugwerken­de kracht uitgerekend hem pathos kwalijk nemen of het zelfs willen uitbannen. Zo er al een legitiem pathos bestaat, dan is het wel het zij­ne.’)

Zoals gezegd: ook nu protesteerde Kraus. Overal in Wenen had hij aanplakbiljetten opgehangen, waarop hij de commandant van politie die verantwoordelijk was voor het bevel op de arbeiders te schieten, op­riep om af te treden. Zonder succes, natuurlijk, maar voor Canetti was dit eenzame protest niet alleen het superieure bewijs van Kraus’ morele moed, het was ook het enige wat hem in deze vertwijfelde dagen over­eind hield.

Voor Canetti’s hoge opvattingen over de morele dimensie van het schrijverschap is zijn verblijf in Berlijn, in 1928, van belang, de stad die hem, in vergelijking met het nogal steriele Wenen, als een levendig bolwerk van intellectuele en artistieke activiteiten voorkwam. Maar toch stelt Berlijn hem hevig teleur. De kunstenaars die hij leert kennen – Brecht, de gebroeders Herzfelde en Grosz vooral – zijn hem te cynisch (Isaak Babel is de enige uitzondering), de Dreigroschenoper be­schouwt hij als het schoolvoorbeeld van onwaarachtige kunst. De zelfingenomenheid van zowel de maker als het publiek vervult hem met afschuw. Met Brechts idee van satire is hij het volledig oneens, en voor de tekeningen van Grosz geldt hetzelfde – in Canetti’s ogen kan het geen echte satire zijn als iemand door de obsceniteiten die hij uit­beeldt eerder wordt aangetrokken dan afgestoten.

Omstreeks deze tijd begint ook het absolute gezag van Kraus te ta­nen. Beslissend in dat proces is Canetti’s kennismaking met Büchner, kort nadat hij (op 26-jarige leeftijd!), Die Blendung heeft voltooid. Na Lenz geeft hij alle verdere romanplannen (aanvankelijk had hij een reeks van acht boeken op het oog) op. In Das Augenspiel maakt hij dui­delijk dat het vooral Büchner is die hem de ogen heeft geopend voor wat hem aan Kraus niet bevalt: ‘De ondergangsvisioenen die ik tot dus­ver aaneengeregen had, stonden nog onder de invloed van Karl Kraus. Alles wat er gebeurde, en er gebeurde altijd het ergste, gebeurde zonder opgave van redenen en het gebeurde naast elkaar. Het was vanuit een schrijvend iemand gehoord en het werd aan de kaak gesteld. Het werd van buiten aan de kaak gesteld, en wel door degene die schreef, en bo­ven alle ondergangstaferelen hield hij zijn zweep. Deze zweep gaf hem geen rust, zij joeg hem overal langs, hij hield alleen stil als de zweep gehanteerd moest worden, en nauwelijks was de straf ten uitvoer ge­bracht, of zij joeg hem verder.’ Zo’n schrijver, zo’n ‘schrijver met de zweep’, wil Canetti niet meer zijn. Voor zijn toekomstige eigen toneel­werk (Hochzeit, Komödie der Eitelkeit en Die Befristeten) zou het zo­veel humanere ‘zichzelf-aan-de-schandpaal-stellen’ van Wozzeck bepalend worden.

The post Schrijver met de zweep. Over Canetti en Kraus appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/berlijn-praag-wenen/schrijver-met-de-zweep-over-canetti-en-kraus/feed/ 0
Karl Kraus, school van verzet http://tijdschriftraster.nl/berlijn-praag-wenen/karl-kraus-school-van-verzet/ http://tijdschriftraster.nl/berlijn-praag-wenen/karl-kraus-school-van-verzet/#comments Fri, 07 Jun 2013 07:00:13 +0000 Erik http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5665 Het is kenmerkend voor de onverzadigbaarheid maar ook voor de fel­heid van de jeugd dat het ene verschijnsel, de ene belevenis, het ene voorbeeld alle andere wegdrukt. Je bent heetgebakerd en expansief, je grijpt nu eens naar dit en dan weer naar dat, maakt daar een afgod van, onderwerpt je aan die afgod en bent [...]

The post Karl Kraus, school van verzet appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Het is kenmerkend voor de onverzadigbaarheid maar ook voor de fel­heid van de jeugd dat het ene verschijnsel, de ene belevenis, het ene voorbeeld alle andere wegdrukt. Je bent heetgebakerd en expansief, je grijpt nu eens naar dit en dan weer naar dat, maakt daar een afgod van, onderwerpt je aan die afgod en bent hem met een hartstocht toegedaan die al het andere uitsluit. Zodra hij je teleurstelt, trek je hem van zijn voetstuk naar beneden en vernietigt hem zonder aarzelen; rechtvaardig wil je niet zijn, daarvoor heeft hij teveel voor je betekend. Op het puin van de oude afgod installeer je de nieuwe. Het kan je niet veel schelen dat hij zich hier onbehaaglijk voelt. Je bent wispelturig en willekeurig ten opzichte van je afgoden, naar hun gevoelens vraag je niet, zij zijn er alleen om verheven en neergehaald te worden, en ze volgen elkaar op in verbazingwekkende aantallen, in een verscheidenheid en onverenig­baarheid waarvan je zou moeten schrikken als je ooit op het idee zou komen ze eens allemaal tegelijk te bekijken. Een enkeling van hen brengt het tot God, hij blijft bestaan en wordt ontzien, aan hem vergrijp je je niet. Zo iemand kan verweren of langzaam maar zeker in de zachte bodem wegzakken, maar desalnietmin: hij blijft, al met al, intact, hij verliest zijn gezicht niet.

Men stelle zich de verwoesting van dit tempelcomplex voor dat een mens met zich meedraagt als hij een tijd geleefd heeft. Geen archeo­loog zou tot een redelijke voorstelling van zijn bouwplan kunnen ko­men. Alleen al de onbeschadigd gebleven, herkenbare godenbeelden vormen op zichzelf een raadselachtig pantheon. Maar hij zou nog veel meer lagen puin vinden, steeds merkwaardiger en fantastischer. Hoe zou hij kunnen begrijpen waarom juist deze brokstukken op die brok­stukken terechtkwamen? Het enige wat ze met elkaar gemeen hebben, is de manier waarop ze verwoest zijn, en zodoende kan hij uit hun be­staan slechts tot één conclusie komen: dat het telkens dezelfde barbaar was die hier zijn woede heeft botgevierd.

Het zou het verstandigste zijn dit hele ruïne- en tempelgebied met rust te laten. Maar ik heb me vandaag voorgenomen onverstandig te  zijn en over één van mijn afgoden te spreken die een God was en desondanks, na een alleenheerschappij van ongeveer vijf jaar, werd ver­drongen en na nog een paar jaar volledig neergehaald. Het is erg lang geleden en zodoende kan ik het enigszins overzien. Nu weet ik waarom Karl Kraus voor mij als geroepen kwam, waarom ik aan hem ten prooi viel en waarom ik me ten slotte tegen hem te weer moest stellen.

In het voorjaar van 1924 – ik was een paar weken eerder pas naar Wenen teruggekeerd – werd ik door vrienden voor de eerste keer mee­genomen naar een lezing van Karl Kraus.

De grote zaal van het Concertgebouw was afgeladen. Ik zat daar ach­teraan en kon vanaf die afstand maar weinig zien: een kleine, of mis­schien liever tengere man, licht voorovergebogen, met een gezicht dat naar beneden spits toeliep en dat van een enorme, onbegrijpelijke be­weeglijkheid was, hij had iets van een onbekend wezen, een nieuw ont­dekte diersoort, al zou ik niet hebben kunnen zeggen welke. Met zijn scherpe en opgewonden stem, zijn onverhoedse, om de haverklap voor­komende stemverheffingen, had hij de zaal zonder moeite onder con­trole.

Maar wat ik zeer nauwkeurig kon observeren, waren de mensen om me heen. In de zaal hing een sfeer die me vertrouwd was van grote po­litieke bijeenkomsten: alsof alles wat de spreker te zeggen had al be­kend was en verwacht werd. Voor de nieuweling die in geen acht jaar, misschien de belangrijkste, die van zijn elfde tot zijn negentiende le­vensjaar, in Wenen was geweest, was het helemaal, tot in elk detail, nieuw en vreemd: want wat daar gezegd werd, wat daar als iets heel be­langrijks en met hartstochtelijke nadruk gezegd werd, had betrekking op talloze bijzonderheden van zowel het openbare leven als het privé- bestaan. Het was vooral overweldigend om te voelen dat er in een stad zoveel gebeurde wat het verdiende op de voorgrond te worden geplaatst en wat iedereen een beetje aanging. De oorlog en zijn naweeën, laster, moord, winzucht, huichelarij, maar ook drukfouten, alles werd met eenzelfde onstuimige kracht uit elk denkbaar verband gerukt, benoemd en aangeklaagd en in een soort razernij over duizend mensen uitgewor­pen, die het volledig begrepen, afkeurden, toejuichten en bejubelden.

Moet ik bekennen dat het plotselinge van het massale effect me aan­vankelijk het meest bevreemdde? Hoe kwam het dat iedereen precies wist waar het om ging, het al bij voorbaat had geweten en afgekeurd en hier naar de veroordeling ervan snakte? Alle aanklachten werden in een merkwaardig onwrikbare taal naar voren gebracht, in formuleringen die leken op wetsparagrafen, nooit afbraken of ophielden en die klonken alsof er al jaren geleden een begin mee was gemaakt en alsof ze nog jaren precies zo konden worden voortgezet. De nabijheid tot de sfeer van het recht was ook in zoverre voelbaar dat alles gebaseerd was op een vaststaande en absoluut zekere, onaantastbare wet. Het was duidelijk wat goed en wat verkeerd was. Het was hard en natuurlijk als graniet waar niemand iets op had kunnen krassen of kriebelen.

Maar het was toch een heel bijzonder soort wet, en zo kon ik al de eerste keer, hoewel geenszins vertrouwd met de strafbare overtreders, voelen hoe ik me aan haar begon te onderwerpen. Want het ongrijpbare en onvergetelijke – onvergetelijk voor iedereen die het ooit heeft mee­gemaakt, al zou hij driehonderd jaar oud worden – was dat deze wet gloeide: hij straalde hitte uit, verschroeide en vernietigde. Uit deze als cyclopische vestingen gebouwde zinnen, die altijd precies in elkaar pasten, schoten plotseling flitsen, geen onschuldige, geen lichtgevende, ook geen theaterflitsen, maar dodelijke; en dit geval van een vernieti­gende straf, die zich in alle openbaarheid, in alle oren tegelijk voltrok, had iets zo huiveringwekkends en zo enorms dat niemand er zich aan kon onttrekken.

Elk oordeel werd ter plekke geveld. Eenmaal uitgesproken, was het onherroepelijk. Wij allemaal waren getuige van de terechtstelling. Wat een soort snijdende spanning bij de mensen in de zaal veroorzaakte, was niet zozeer het vonnis zelf alswel zijn onmiddellijke voltrekking. Onder de onwaardigste slachtoffers waren er die zich verzetten en hun executie niet accepteerden. De meeste keken wel uit zich in een open strijd te begeven, maar een enkeling deed dat wel, en de onbarmhartige vervolging die dan werd ingezet was het schouwspel waar de aanwezi­gen het meest van genoten. Het heeft decennia geduurd voor ik begreep dat het Karl Kraus was gelukt een hetzemassa uit intellectuelen te vor­men, die zich bij elke lezing verzamelde en net zolang acuut bestond totdat het slachtoffer geveld was. Zodra het slachtoffer verstomde, was deze jacht ten einde. Dan kon de volgende beginnen.

De wereld van de wetten waar Karl Kraus met ‘kristallen stem’, als ‘toornige magiër’ — het zijn de woorden van Trakl – over waakte, ver­enigde twee sferen die zich niet altijd in een zo nauwe verbinding ma­nifesteren: die van de moraal en die van de literatuur. Misschien was in de intellectuele chaos die op de eerste wereldoorlog volgde, niets nood­zakelijker dan deze versmelting.

Over welke middelen beschikte Kraus om zijn werking te bereiken? Ik wil nu alleen de twee belangrijkste noemen: letterlijkheid en ontzetting.

De letterlijkheid, om daarmee te beginnen, bleek uit zijn soevereine gebruik van citaten. Het citaat, zoals hij het gebruikte, getuigde tegen degeen die geciteerd werd, vaak was het het eigenlijke hoogtepunt, de voltooiing van alles wat de commentator tegen iemand had in te brengen. Het was Karl Kraus gegeven om mensen zogezegd uit hun eigen mond te veroordelen. De oorsprong van dit meesterschap – en ik weet niet of die samenhang al eerder helder werd gezien – lag in wat ik het akoestische citaat zou willen noemen.

Kraus werd door stemmen achtervolgd, iets wat helemaal niet zo vreemd is als wel gemeend wordt – maar er is één verschil: de stemmen die hem achtervolgden bestonden echt in de Weense werkelijkheid. Het waren flarden zinnen, woorden, uitroepen die hij overal kon horen, op straten, pleinen, in cafés. De meeste schrijvers destijds waren mensen die elkaar begrepen zonder naar elkaar te luisteren. Ze waren bereid zich met hun soortgenoten in te laten, hen soms ook aan te horen en re­gelmatig te ontmoeten. Het is de erfzonde van de intellectueel dat de wereld voor hem uit intellectuelen bestaat. Ook Kraus was een intellec­tueel, anders had hij zijn tijd niet kunnen doorbrengen met het lezen van kranten, en dan ook nog de meest uiteenlopende, waar ogenschijn­lijk overal hetzelfde in stond. Maar omdat zijn oren altijd wijdopen stonden – ze sloten zich nooit af, waren altijd in actie, luisterden altijd – moest hij ook deze kranten zo lezen alsof hij ze hoorde. De zwarte, gedrukte, dode woorden waren voor hem luidklinkende woorden. Als hij ze citeerde, was het alsof hij stemmen tot spreken bracht: akoesti­sche citaten.

Maar omdat hij zonder enig onderscheid alles citeerde, geen enkele stem niet hoorde, geen enkele stem onderdrukte, omdat ze allemaal, af­gezien van rang, gewicht en waarde, in een soort curieuze gelijkwaar­digheid naast elkaar bestonden, was Karl Kraus zonder concurrentie het vitaalste wat Wenen destijds te bieden had.

Dit was het vreemdste van alle paradoxen: deze man, die zoveel ver­achtte, sinds de Spanjaard Quevedo en sinds Swift de meest vastbera­den verachter van de wereldliteratuur, een soort gesel Gods van de schuldige mensheid, deze man liet iedereen aan het woord komen. Hij was niet in staat de geringste, de nietszeggendste, de holste stem op te offeren. Zijn grootheid bestond erin dat hij in zijn eentje, letterlijk in zijn eentje, de confrontatie aanging met de wereld, voorzover hij die kende, en dat hij die wereld in zijn geheel, met al zijn vertegenwoordi­gers – en die waren ontelbaar – aanhoorde, uithoorde, aanviel en gesel­de. Zo was hij het tegendeel van al die schrijvers, die reusachtige meer­derheid van schrijvers, die de mensen honing om de mond smeren, om door hen geliefd en geprezen te worden. Over de noodzaak van zulke figuren als hij hoeft, juist omdat er zo’n gebrek aan is, beslist geen woord te worden vuilgemaakt.

Ik leg het zwaarste accent in deze beschouwing op de levende Kraus, en wel op Kraus zoals hij was als hij een menigte toesprak. Het kan niet vaak genoeg herhaald worden: de werkelijke Karl Kraus, die de mensen wakker schudde, pijnigde, vermorzelde, de Karl Kraus die zich meester van je maakte, door wie je werd gegrepen en geschokt, zodat je jaren nodig had om krachten te verzamelen en je tegen hem te weer te stel­len, was de spreker. Ik heb mijn leven lang nooit zo’n spreker meege­maakt, in geen van de Europese taalgebieden die me vertrouwd zijn.

Al zijn gemoedsbewegingen – en die waren zeer rijk ontwikkeld – sloegen al sprekende over op zijn toehoorders en waren dan opeens de hunne. Er zou een heel boek nodig zijn om serieus op deze gemoedsbe­wegingen in te gaan, zijn toorn te schilderen, zijn hoon, zijn bitterheid, zijn verachting, zijn verafgoding – als het over liefde en vrouwen ging – die altijd iets van ridderlijke dankbaarheid voor het andere geslacht als zodanig had, zijn erbarmen en zijn tederheid jegens de machtelozen, de moorddadige moed waarmee hij jacht maakte op de machtigen, de wellust waarmee hij de Oostenrijkse representanten daarvan door­grondde en hen het masker van de zwakzinnigheid van het gezicht ruk­te, de hoogmoed waarmee hij distantie creëerde en de nooit aflatende verering van zijn góden, waartoe toch nog zulke uiteenlopende geesten als Shakespeare, Claudius, Goethe, Nestroy en Offenbach behoorden.

Ik kan deze gemoedsbewegingen nu alleen maar noemen, ofschoon bij die opsomming mijn vingers jeuken om dat met allerlei concrete voorbeelden uit te werken, of meer nog, om hem zo precies na te doen alsof ik zojuist nog een lezing van hem had bijgewoond. Maar één af­fect – ik heb het al eerder genoemd – moet ik toch benadrukken. Het was het affect dat ik het eigenlijk bijbelse aan hem zou willen noemen: zijn ontzetting. Als ik me moest beperken tot één enkele kwaliteit die hem van alle andere openbare figuren van zijn tijd onderscheidde, dan was het deze: Karl Kraus was de meester van de ontzetting.

Iedereen die Die letzten Tage der Menschheit openslaat kan zich daarvan nog altijd makkelijk overtuigen. Het is opvallend hoe hij altijd diegenen naast elkaar ziet die door de oorlog werden vernederd en ver­heven: oorlogsinvaliden naast oorlogswoekeraars, de blinde soldaat naast de officier die door hem gegroet moet worden, het edelmoedige gelaat van de gehangene onder de vette tronie van zijn beul – dat lijkt bij hem nog niets op de dingen waaraan de film ons met zijn goedkope contrasten heeft gewend, ze zijn nog geladen met een volledige en nooit te stillen ontzetting.

Als hij een lezing hield waren duizend mensen door hem verlamd; zijn ontzetting, die elke keer, hoe vaak hij die stukken ook voorlas, de kracht van de oorspronkelijke visie deed herleven, greep iedereen aan. Zo is het hem gelukt in elk geval een eensgezinde en onherroepelijke overtuiging onder zijn toehoorders te scheppen: de absolute haat jegens de oorlog. Er moest een tweede wereldoorlog komen, en na de verwoesting van hele, ademende steden nog het wezenlijkste produkt van die oorlog, de atoombom, voordat deze overtuiging algemeen en haast vanzelfsprekend werd. Karl Kraus was in dit opzicht zoiets als een voorloper van de atoombom, het schrikaanjagende daarvan zat al in zijn woorden. Uit zijn overtuiging is tegenwoordig het inzicht ontstaan waar zelfs machthebbers zich meer en meer voor moeten openstellen: dat oorlogen zowel voor de overwinnaars als voor de overwonnenen ab­surd en daarom onmogelijk zijn en dat hun onherroepelijke afwijzing alleen nog een kwestie van tijd is.

Wat heb ik – afgezien daarvan – van Karl Kraus geleerd? Wat heb ik me van hem zozeer eigen gemaakt dat ik het niet meer van mezelf zou kunnen scheiden?

Dat is om te beginnen het gevoel van een absolute verantwoordelijk­heid. Dat stond in een gedaante voor me die aan bezetenheid grensde, en niets wat daarvoor onderdeed scheen een leven waard. Ook nu nog staat dat voorbeeld me zo krachtig voor de geest dat alle latere formule­ringen van dezelfde eis ontoereikend moeten lijken. Ik denk aan het schamele woord ‘engagement’, dat van meet af aan tot banaliteit was voorbestemd en tegenwoordig overal woekert als onkruid. Het klinkt alsof je via een soort bediendencontract tegenover de belangrijkste din­gen van het leven zou staan. De ware verantwoordelijkheid is honderd procent moeilijker, want ze is soeverein en bepaalt zichzelf.

Ten tweede heeft Karl Kraus me de oren geopend – en niemand had dat zo gekund als hij. Sinds ik hem gehoord heb, is het me niet meer mogelijk naar niets te luisteren. Het begon met de geluiden van de stad om me heen, de uitroepen, het geschreeuw, toevallig opgevangen ver­krachtingen van de taal en vooral alles wat vals en ongepast was. Dat alles was namelijk komisch en verschrikkelijk tegelijkertijd, en de com­binatie van die twee sferen was voor mij sindsdien volkomen vanzelf­sprekend. Dankzij hem begon ik te begrijpen dat elk afzonderlijk indi­vidu een manier van spreken heeft die hem van alle anderen onder­scheidt. Ik ontdekte dat mensen weliswaar tegen elkaar praten maar el­kaar niet begrijpen; dat hun woorden klappen zijn die afketsen op de woorden van anderen; dat er geen grotere illusie is dan de mening dat taal een communicatiemiddel is. Je praat tegen een ander, maar zo dat hij je niet begrijpt. Je praat door, en hij begrijpt je nog minder. Je schreeuwt, hij schreeuwt terug, de ejaculatie die in de grammatica een jammerlijk bestaan leidt, maakt zich meester van de taal. Als ballen vliegen de uitroepen heen en weer, delen hun klappen uit en vallen op de grond. Zelden dringt er iets door tot een ander, en als dat toch ge­beurt is het iets verkeerds.

Maar diezelfde woorden die niet te begrijpen zijn, die het isolement bewerkstelligen, die een soort akoestische figuur scheppen, zijn toch niet moeilijk of nieuw, uitgevonden door wezens die het juist op die uit­zonderlijkheid gemunt hebben; het zijn de woorden die het vaakst ge­bruikt worden, frasen, de alleralgemeenste, honderdduizend maal ge­bruikte clichés, maar juist die clichés gebruiken ze om blijk te geven van hun eigenzinnigheid. Mooie, lelijke, hoogdravende, platvloerse, heilige, profane woorden, ze komen allemaal in dit tumultueuze reser­voir terecht en ieder vist eruit wat bij zijn luiheid past; en herhaalt het tot het niet meer te herkennen is, tot het iets heel anders, het tegendeel zegt van wat het ooit betekende.

De misvorming van de taal leidt tot chaos bij de afzonderlijke figu­ren. Karl Kraus, wiens gevoel voor taalmisbruik buitengewoon scherp ontwikkeld was, had de gave de produkten van dit misbruik in statu nascendi op te vangen en nooit meer te verliezen. Voor wie naar hem luis­terde, werd daardoor een nieuwe dimensie van de taal ontsloten, die on­uitputtelijk is en die vroeger slechts sporadisch en zonder werkelijke consequenties werd gebruikt. De grote uitzondering op deze regel, Nestroy, van wie Karl Kraus net zo veel geleerd heeft als ik van hem, wil ik nu alleen en passant vermelden.

Want ik wil het nu over iets hebben wat in opvallend contrast tot de spontaniteit van zijn gehoorzin stond, namelijk over de vorm van zijn proza. Je kunt elk wat langer prozastuk van Kraus in twee, vier, acht, zestien delen knippen zonder er werkelijk afbreuk aan te doen. De pagina’s rijen zich gelijkwaardig aan elkaar. Of ze nu beter of minder ge­slaagd zijn – in een eigenaardige vervlechting, die een zuiver uiterlijk karakter heeft, gaan ze alsmaar door, zonder dat er een noodzakelijk einde in zicht komt. Elk stuk, dat hij door het een titel te geven als zodanig heeft bestempeld, kon net zo goed twee keer zo lang of zo kort zijn. Geen onbevangen lezer zou kunnen aangeven waarom het niet veel eerder is opgehouden of pas veel later ophoudt. De voortzetting wordt beheerst door een willekeur die geen herkenbare regels volgt. Zolang hem iets invalt gaat het door, en meestal valt hem heel lang iets in. Van een overkoepelend structuurprincipe is geen sprake.

Want de structuur die voor het geheel ontbreekt, is wel in elke afzon­derlijke zin opvallend aanwezig. Al het plezier in het construeren, dat bij schrijvers rijkelijk anwezig moet zijn, put zich bij Kraus uit in de af­zonderlijke zin. Al zijn zorg is hierop gericht: de zin moet onaantastbaar zijn, zonder hiaten, kieren, verkeerde komma’s – zin na zin, stuk na stuk voegt zich aaneen tot een Chinese muur. Die is overal even goed gevoegd, in zijn karakter nergens te miskennen, maar wat hij ei­genlijk omsluit weet niemand. Er bevindt zich geen Rijk achter deze muur, hijzelf is het Rijk; alle energieën van het Rijk, dat wellicht ooit bestaan heeft, zijn in hem, in zijn bouw opgegaan. Het is niet meer te zeggen wat binnen en wat buiten was, het Rijk bevond zich aan beide kanten, nu bestaat het uit louter muur. Hij is alles, een cyclopisch doel in zichzelf, dat door de wereld trekt, bergop, bergaf, door dalen en vlakten en zeer veel woestenijen. Misschien komt het hem voor, aange­zien hij leeft, dat alles buiten hem verwoest is. Van de legers die hem bevolkten, belast met zijn bewaking, is een enkele, eenzame wachter overgebleven. Deze eenzame wachter is tegelijk degeen die in alle een­zaamheid verder aan hem bouwt. Overal waar hij het land inkijkt, voelt hij de noodzaak een nieuw stuk muur te bouwen. De uiteenlopendste materialen dienen zich daartoe bij hem aan, hij slaagt erin ze allemaal tot nieuwe steenblokken te vormen. Je kunt jaren op deze muur wande­len zonder dat zijn einde in zicht komt.

Ik denk dat het een gevoel van onbehagen over de aard van deze muur en de troosteloze aanblik van de woestenij aan beide zijden was dat me langzaam maar zeker tegen Kraus in opstand bracht. Want de vierkante steenblokken waarmee hij bouwde, waren oordelen, en daarin was alles opgegaan wat in het landschap in de omtrek geleefd had. De wachter was verslaafd geraakt aan oordelen; voor de vervaardiging van zijn steenblokken en zijn muur, die zich nooit sloot, waren steeds meer oor­delen nodig, en hij verschafte zich die op kosten van zijn eigen Rijk. Wat hij moest bewaken, zoog hij uit: ten behoeve van zijn hoge doel­einden, zeker, maar in de omtrek werd het leger en leger, en ten slotte kon je makkelijk het angstige vermoeden krijgen dat de oprichting van deze onverwoestbare muur van oordelen het uiteindelijke doel van het leven was geworden.

De kern van de zaak was dat hij zichzelf alle mogelijkheden tot oor­delen had toegeëigend en niemand voor wie hij een voorbeeld was een eigen oordeel toestond. Het gevolg van deze dwang kon iedereen die hem was toegedaan zeer vroeg bij zichzelf bemerken.

Het eerste wat na het bijwonen van tien of twaalf lezingen van Karl Kraus, na een of twee jaar lectuur van de Fackel gebeurde, was een algemene verschrompeling van de wil zelf te oordelen. Er vond een inva­sie plaats van sterke, onverbiddelijke beslissingen waar niet de gering­ste twijfel over bestond. Wat daar, door die hogere instantie, eenmaal was besloten, gold als uitgemaakt, het zou je vermetel zijn voorgeko­men een en ander zelf te controleren, en zo kwam het dat je geen van de auteurs die door Kraus waren veroordeeld nog ooit ter hand nam. Maar ook kleine, van verachting blijk gevende kanttekeningen, die tus­sen de steenblokken van zijn zinsburchten als grassen woekeren, vol­stonden al om de zaken waar ze betrekking op hadden voor altijd uit de weg te gaan. Er deed zich een soort reductie voor: terwijl ik me vroe­ger, in de acht jaar van afwezigheid die ik niet in Wenen maar in Zürich en Frankfurt had doorgebracht, tegoed deed aan alle soorten literatuur, als een hongerige leeswolf, begon nu een periode van beperking, van ascetische reserve. Die had het voordeel dat ik me des te intensiever kon bezighouden met de auteurs die Kraus hoog aansloeg: Shakespeare en Goethe natuurlijk, Claudius; Nestroy, die hij eerst weer tot leven wekte en toegankelijk maakte, zijn persoonlijkste en belangrijkste pres­tatie; de vroege Hauptmann ongeveer tot Pippa, waarvan hij het eerste bedrijf pleegde voor te lezen; Strindberg en Wedekind, die in vroeger jaren de eer hadden in de Fackel te verschijnen; van de modernen nog Trakl en Laske-Schüler. Het waren, zoals blijkt, zeker niet de minsten die er voor me overbleven. Voor Aristophanes, die hij bewerkte, had ik hem niet nodig, maar die zou ik me ook niet door hem hebben laten af­nemen, net zo min als het Gilgamesj-epos en de Odyssee, die ik me al­ledrie allang volledig had eigen gemaakt. Romanciers, vertellers in het algemeen, liet hij buiten beschouwing, ik denk dat ze hem niet erg inte­resseerden, en dat was een zegen. Zo kon ik zelfs onder zijn onbarm- hartigste dictatuur, en daar niet door beroerd, Dostojevski, Poe, Gogol en Stendhal lezen en verwerken alsof Karl Kraus nooit bestaan had. Ik zou dat mijn geheime kelderbestaan in deze tijd willen noemen. Aan hen, evenals aan de schilders Grünewald en Breughel, die hij onge­moeid liet, ontleende ik, nog zonder dat zelfs maar te vermoeden, de kracht voor de latere rebellie.

Want ik heb destijds werkelijk ervaren wat het betekent onder een dictatuur te leven. Ik was haar vrijwillige, onderdanige, hartstochtelijke en overtuigde aanhanger. Een vijand van Karl Kraus was een verwerpe­lijk, immoreel wezen; en al begon ik niet, zoals in latere dictaturen ge­bruikelijk, met de uitroeiing van het vermeende ongedierte, ik had niet­temin, ik moet het met schaamte toegeven – ja, ik kan het niet anders zeggen: ook ik had mijn ‘joden’, mensen van wie ik deed of ik ze niet zag als ik ze in een café of op straat tegenkwam, die ik geen blik waar­dig keurde, wier lot me niks aanging, die voor mij in de ban gedaan en buitengesloten waren, wier aanraking me verontreinigd zou hebben en die ik in alle ernst niet meer tot het mensdom rekende: de slachtoffers en de vijanden van Karl Kraus.

Desondanks was het niet een geheel en al nutteloze dictatuur, en om­dat ik me vrijwillig aan haar onderworpen had en me ten slotte ook op eigen kracht van haar kon bevrijden, heb ik geen recht haar aan te kla­gen. Ook aan de slechte gewoonte om anderen aan te klagen heb ik, juist door die ervaring, een grondige hekel gekregen.

Het is belangrijk een voorbeeld te hebben van een rijk, turbulent, on­verwisselbaar bestaan, een bestaan dat zich heeft gevormd door zelf aandachtig te kijken, ruiken, luisteren, voelen en denken. De authenti­citeit van dat bestaan is het die voorbeeldig voor je wordt en waar je ten diepste door geïmponeerd raakt. Door dat bestaan word je aangetrok­ken en overweldigd; en een schrijver die niet al heel vroeg eens door een vreemde autoriteit beheerst en verlamd werd, kan ik me helemaal niet voorstellen. In de vernedering van je verkrachting, als je voelt dat je helemaal niets eigens hebt, niet jezelf bent, niet weet wat je zelf bent, beginnen je verborgen krachten zich te roeren. Je persoon vormt zich, hij ontstaat uit verzet, overal waar hij zich bevrijdt was iets aanwezig wat hem bevrijd heeft.

Maar hoe rijker het bestaan was van degeen die je onderworpen hield, des te rijker moet dat van jezelf worden, dat zich daaruit los­maakt. Het is dus goed zich sterke voorbeelden te wensen. Het is goed in de ban te raken van zo’n voorbeeld, tenminste als je heimelijk, in een soort slaafse duisternis, werkt aan je eigen bestaan, waarvoor je je te­recht nog schaamt, aangezien het nog onzichtbaar is.

Noodlottig zijn voorbeelden die tot in deze duisternis omlaag reiken en je de adem zelfs nog in die laatste, armzalige kelder benemen. Maar even gevaarlijk zijn die heel anderssoortige voorbeelden, die je probe­ren om te kopen en die te snel een zeker nut voor je hebben, hoe gering dan ook, die je wijsmaken dat er al iets eigens bestaat omdat je je voor hen buigt en vernedert. Als goed gedresseerd dier leef je tenslotte van hun genade en stel je je tevreden met lekkere hapjes uit hun hand.

Want niemand die begint kan weten wat hij in zichzelf zal vinden. Hoe zou hij het ook kunnen vermoeden, het bestaat immers nog niet. Met geleende werktuigen dringt hij de aardbodem binnen, die op zijn beurt geleend en vreemd, want van anderen is. Als hij voor het eerst plotseling voor iets staat wat hij niet kent, wat schijnbaar uit het niets kwam, schrikt hij en duizelt het hem: dat is het eigene.

Het kan heel weinig zijn, een aardnoot, een wortel, een nietige steen, een giftige beet, een nieuwe geur, een onverklaarbaar geluid, of meteen een duistere, verreikende ader: als hij de moed en de bezonnenheid heeft om uit die eerste schrikaanjagende duizeling te ontwaken, haar te kennen en te benoemen, begint zijn eigenlijke, zijn eigen leven.

1965

The post Karl Kraus, school van verzet appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/berlijn-praag-wenen/karl-kraus-school-van-verzet/feed/ 0
Bert http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bert/ http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bert/#comments Wed, 05 Jun 2013 07:00:55 +0000 Kim http://tijdschriftraster.nl/?page_id=5668 Zei Bert stem van pijn: de hele nacht wakker of het nooit dag werd ja ja knikte stil bijna verbaasd   vroeger ook de hele nacht wakker wilden niet dat het dag werd       Zo tenger zijn benen in zijn broek zijn borstkas in zijn hemd zijn handen bont en blauw van het [...]

The post Bert appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
Zei Bert
stem van pijn:
de hele nacht
wakker of het nooit
dag werd
ja ja knikte stil
bijna verbaasd
 
vroeger ook
de hele nacht
wakker
wilden niet
dat het dag werd
 
 
 
Zo tenger
zijn benen
in zijn broek
zijn borstkas
in zijn hemd
zijn handen
bont en blauw
van het werk
van de dood
 
toch opeens
een glimp
van een knipoog
never say die
dat doet
een ander maar
niet Schierbeek
 
 
 
Stevige aardman
nooit verlegen
om een speelwoord
of een tegenzin
een dichter
die zijn gang ging
soms een kind
dat wilde weten
of het zo beviel
stond dicht
bij de mensen
gaf de aandacht
die hij vroeg
 
 
 
Vogel gevlogen
mee met de tegenwind
nu al in China
of Beerta
waar ook
de aarde maar is
 
 
 
Dit gedicht werd in 1997 opgenomen in de bundel Ode aan mijn jas

The post Bert appeared first on Tijdschrift Raster.

]]>
http://tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bert/feed/ 0