Cecco Angiolieri werd nijdig geboren in Siena, op dezelfde dag als Dante Alighieri in Florence. Zijn vader, die rijk geworden was in de wolhandel, was keizerlijk gezind. Al in zijn kindertijd was Cecco jaloers op hooggeplaatste figuren, minachtte hen en prevelde gebeden. Veel leden van de adel wilden zich niet meer aan de paus onderwerpen. Toch hadden de Ghibellijnen, de witten, gecapituleerd. Maar zelfs in de partij van de Welfen waren er behalve zwarten ook witten. De witten waren niet tegen interventie van de keizer. De zwarten bleven trouw aan de Kerk, aan Rome en de Heilige Stoel. Cecco voelde zich instinctief aangetrokken tot de zwarten, misschien omdat zijn vader een witte was.

Hij haatte hem bijna vanaf zijn eerste ademtocht. Op zijn vijftiende eiste hij zijn erfdeel op, alsof de oude Angiolieri al dood was. Diens weigering maakte hem kwaad en hij verliet het vaderlijk huis. Sinds dat moment klaagde hij bij elke voorbijganger en bij de hemel zijn nood. Hij kwam naar Florence via de hoofdweg. De witten waren er nog aan de macht, zelfs nadat de Ghibellijnen waren verjaagd. Cecco bedelde zijn brood bij elkaar, getuigde van zijn vaders hardheid en vond ten slotte onderdak in het krot van een schoenlapper, die een dochter had. Ze heette Becchina en Cecco dacht dat hij van haar hield.

De schoenlapper was een eenvoudig man, die de Maagd vereerde. Hij droeg haar medailles en was ervan overtuigd dat zijn vroomheid hem het recht verschafte schoenen uit slecht leer te snijden. Bij het schijnsel van een harskaars kletste hij met Cecco over heilige theologie en Maria’s verheven genade, tot het tijd was om naar bed te gaan. Becchina met haar constant verwarde haren deed de vaat. Ze dreef de spot met Cecco, omdat hij een scheve mond had.

In die tijd verspreidde zich in Florence het gerucht dat Dante degli Alighieri een buitensporige liefde koesterde voor Beatrice, de dochter van Folco Ricovero de Portinari. Zij die konden lezen en schrijven, kenden de liederen van buiten die hij aan haar had opgedragen. Cecco hoorde ze voordragen en had er geen goed woord voor over.

‘Goh, Cecco,’ zei Becchina, ‘jij mag die Dante dan wel niks vinden, maar jij zou niet zulke mooie opdrachten voor mij kunnen schrijven.’

‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ zei Angiolieri honend.

Eerst schreef hij een sonnet waarin hij de versmaat en de inhoud van Dantes liederen kritiseerde. Daarna maakte hij verzen voor Becchina, die ze niet kon lezen en die in lachen uitbarstte als Cecco ze voorlas, omdat ze het niet uithield bij de verliefde grimassen van zijn mond.

Cecco was arm als een kerkrat. Hij hield vurig van de Moeder Gods, waardoor de schoenlapper hem welwillend bejegende. Ze gingen allebei om met een paar arme geestelijken die smeergeld van de zwarten kregen. Die geestelijken verwachtten veel van Cecco, die een fanaticus leek te zijn, maar ze konden hem geen geld geven. Dus moest de schoenlapper, ondanks Cecco’s voorbeeldig geloof, Becchina uithuwelijken aan een dikke buurman, Barberino, die olie verkocht. ‘En olie kan gewijd worden!’ zei de schoenlapper bij wijze van excuus tegen Cecco Angiolieri. Het huwelijk vond ongeveer in dezelfde tijd plaats dat Beatrice met Simone de Bardi trouwde. Cecco imiteerde Dantes verdriet.

Maar Becchina stierf niet. Op 9 juni 1291, de eerste verjaardag van Beatrices sterfdag, tekende Dante iets op een wastablet. Later bleek dat hij een engel had afgebeeld met een gezicht dat leek op dat van zijn teerbeminde. Elf dagen later, de  twintigste, verkreeg Cecco Angiolieri van Becchina (Barberino was bezig op de markt) de gunst van een kus op de mond, en hij componeerde een hartstochtelijk sonnet. De haat in zijn hart werd er niet minder om. Hij wilde behalve liefde ook goud. Van de woekeraars kreeg hij niets los. Hij hoopte wat van zijn vader te krijgen en vertrok naar Siena. Maar de oude Angiolieri weigerde zelfs een glas wrange wijn aan zijn zoon, die op de weg voor het huis kon blijven staan.

Cecco had in de zaal een zak met nieuw geslagen florijnen zien liggen. Dat was de opbrengst van Arcidosso en Montegiovi. Hij stierf van honger en dorst, zijn kleed was gescheurd en zijn hemd dampte. Hij keerde bestoft naar Florence terug en Barberino zette hem vanwege zijn lompen de winkel uit.

Cecco ging ’s avonds naar het krot van de schoenlapper, die hij zingend aantrof bij zijn walmende kaars, wat hij zong was een deemoedig lied voor Maria.

Ze omhelsden elkaar en snikten vroom. Na het loflied vertelde Cecco aan de schoenlapper welke verschrikkelijke en wanhopige haat hij voor zijn vader koesterde, een grijsaard die zo oud dreigde te worden als Botadeo, de wandelende Jood. Een priester die binnentrad om de noden van het volk te bespreken, overreedde hem om als monnik op zijn verlossing te wachten. Hij bracht Cecco naar een abdij, waar hij een cel en een oude pij kreeg. De prior dwong hem de naam broeder Hendrik aan te nemen. Tijdens het nachtelijke zingen in het koor raakte hij de tegels aan, die net zo kaal en kil waren als hij. Woede verstikte zijn keel als hij aan de rijkdommen van zijn vader dacht, want het leek erop dat de zee eerder droog zou vallen dan dat hij zou sterven. Hij was zo ten einde raad dat hij dacht dat hij graag bordenwasser zou willen zijn. ‘Dat is iets,’ zei hij bij zichzelf, ‘wat een mens best zou kunnen nastreven.’

Op andere momenten was hij waanzinnig trots. ‘Als ik het vuur was,’ mijmerde hij, ‘zou ik de wereld in de as leggen, als ik de wind was, zou ik er een orkaan overheen blazen, als ik het water was, zou ik hem in een zondvloed verdrinken, als ik God was, zou ik hem wegduwen in de ruimte, als ik de paus was zou er geen vrede meer onder de zon zijn, als ik de keizer was, zou ik de koppen laten rollen, als ik de Dood was, zou ik mijn vader gaan halen…; als ik Cecco was… ja, dat is wat ik hoop…’ Maar hij was frate Arrigo. Daarna laaiden zijn haatgevoelens weer op. Hij schafte een exemplaar aan van de liederen voor Beatrice en vergeleek ze zorgvuldig met de gedichten die hij voor Becchina had geschreven. Van een zwervende monnik begreep hij dat Dante minachtend over hem sprak. Hij zon op middelen om zich te wreken. Dat zijn sonnetten voor Becchina beter waren, stond voor hem buiten kijf. De liederen voor Bice (hij noemde haar bij haar volkse naam) waren abstract en blank, die van hem zaten vol kracht en kleur. Eerst stuurde hij beledigende gedichten naar Dante, daarna dacht hij erover om hem aan te geven bij de goede koning Charles, graaf van de Provence. Uiteindelijk nam niemand nota van zijn gedichten en brieven en bleef hij machteloos. Ten slotte had hij er genoeg van zijn haat dadeloos te zitten koesteren, ontdeed zich van zijn pij, trok zijn hemd zonder sluiting en zijn versleten jas weer aan, zette zijn door de regen verbleekte kap op en ging opnieuw steun zoeken bij de devote broeders die voor de zwarten werkten.

Er wachtte hem grote vreugde. Dante was tot ballingschap veroordeeld en er waren alleen nog zwarte partijen in Florence. De schoenlapper prevelde nederig tegen de Maagd over de aanstaande overwinning van de zwarten. Cecco Angiolieri vergat Becchina, zo behaaglijk voelde hij zich. Hij hing rond op de straten, at harde korsten, haastte zich te voet achter de afgezanten van de Kerk aan die naar Rome gingen en naar Florence terugkeerden. Het was duidelijk dat hij te gebruiken was. Corso Donati, de driftige aanvoerder van de zwarten, was een machtig man sinds zijn terugkeer in Florence en nam onder anderen hem in dienst. In de nacht van 10 juni 1304 viel het gepeupel, bestaande uit koks, ververs, smeden, priesters en bedelaars, de Florentijnse wijk van de adel binnen, waar de mooie huizen van de witten lagen. Cecco Angiolieri zwaaide met de harstoorts van de schoenlapper, die vol bewondering voor de besluiten des hemels op een afstandje volgde. Ze zetten alles in vuur en vlam en Cecco stak het houtwerk in brand van de balkons van de Cavalcanti, die vrienden van Dante waren geweest. Die nacht leste hij zijn dorst naar haat met vuur. De volgende dag stuurde hij Dante, de ‘Lombardijn’, gedichten die het hof van Verona beledigden. Op dezelfde dag werd hij de Cecco Angiolieri die hij al zo veel jaren wilde zijn, want zijn vader stierf, zo oud als Elia of Enoch.

Cecco haastte zich naar Siena, brak de kisten open en woelde met zijn handen in de zakken nieuwe florijnen, terwijl hij wel honderd keer herhaalde dat hij niet meer de arme broeder Hendrik was, maar een edelman, heer van Arcidosso en Montegiovi, rijker dan Dante en een beter dichter. Daarna bedacht hij dat hij zondig was en de dood van zijn vader had gewenst. Hij kreeg berouw. Hij zette ter plekke een sonnet op papier waarin hij de paus vroeg om een kruistocht tegen mensen die hun ouders niet eerden. Omdat hij zo vlug mogelijk wilde biechten ging hij terug naar Florence, omhelsde de schoenlapper en smeekte hem zijn voorspraak bij Maria te zijn.

Hij haastte zich naar de koopman in gewijde was en kocht een lange kaars. De schoenlapper ontstak hem zalvend. Beiden schreiden en baden tot Onze Lieve Vrouwe. Tot in de kleine uurtjes klonk de rustige stem van de schoenlapper, die lofzangen aanhief, zich verheugde over zijn kandelaar en de tranen van zijn vriend droogde.