Zij was de dochter van consul Appius Claudius Pulcher. Al in haar vroegste jeugd viel zij temidden van haar broers en zusters op door de felle schittering van haar ogen. Tertia, haar oudere zuster, trouwde vroeg; de jongste gaf toe aan alle grillen van Clodia. Haar broers, Appius en Cajus, waren toen al gek op leren spaarkikkers en de bootjes die men van notendoppen voor hen maakte; later waren ze uit op sestertiën. Alleen de mooie en vrouwelijke Clodius hield zijn zusters gezelschap. Clodia haalde hen met vurige blikken over, hem een tunica met mouwen aan te trekken, een mutsje van gouddraad op te zetten en hem onder zijn borst een soepele riem om te doen; vervolgens bedekten ze hem met een vuurrode sluier en brachten hem naar de bovenkamertjes waar de drie meisjes op bed gingen liggen. Clodia was hem het liefste, maar hij ontmaagde ook Tertia en de jongste.

Toen Clodia achttien was, stierf haar vader. Zij bleef in het huis op de berg Palatijn. Haar broer Appius bestierde het landgoed en Cajus bereidde zich voor op een openbare functie. Clodius, nog altijd zacht van aard en baardloos, sliep tussen zijn zusters die beiden Clodia werden genoemd. Ze begonnen heimelijk met hem het badhuis te bezoeken. Ze gaven de grote slaven die hen masseerden een kwart as en lieten zich die teruggeven. Clodius werd behandeld als zijn zussen, waar zij bij waren. Zo vermaakten zij zich voor het huwelijk.

De jongste huwde Lucullus, die haar meenam naar Azië waar hij oorlog voerde tegen Mithridates. Clodia nam haar neef Metellus tot echtgenoot, een stevige fatsoenlijke kerel. In die bewogen tijden bleef hij behoudend en beperkt van zin. Clodia vond zijn boerengrofheid ondraaglijk. Zij droomde toen al van nieuwe dingen met haar geliefde Clodius. Caesar begon harten te winnen; Clodia was van mening dat men hem tegen moest houden. Via Pomponius Atticus liet zij Cicero bij zich komen. In haar gezelschap werd er veel gespot en geflirt. Men zag daar Licinius Calvus, de jonge curio, bijgenaamd het ‘meisje’, Sextius Clodius die wedrennen organiseerde, Egnatius en zijn bende, Catullus uit Verona en Caelius Rufus, die verliefd op haar was. Metellus zat er breeduit bij en zei geen woord. Men vertelde schandalen over Caesar en Mamurra. Metellus werd tot proconsul benoemd en vertrok naar Gallië cisalpina. Clodia bleef alleen in Rome achter met haar schoonzuster Mucia. Cicero was geheel in de ban van haar grote vurige ogen. Hij hoopte dat hij van zijn vrouw Terentia kon scheiden als tenminste Clodia Metellus verliet. Maar Terentia ontdekte alles en joeg haar echtgenoot schrik aan. De bange Cicero liet zijn wensen varen. Terentia wilde meer en Cicero moest met Clodius breken.

De broer van Clodia was evenwel druk bezig. Hij had een liefdesbetrekking met Pompeja, de vrouw van Caesar. In de nacht van het feest van de Goede Godin mochten er alleen maar vrouwen in het huis van Caesar, die toen pretor was. Clodius verkleedde zich, zoals hij van zijn zuster geleerd had, als citherspeelster en ging het vertrek van Pompeja binnen. Een slavin herkende hem. De moeder van Pompeja sloeg alarm en het werd een publiek schandaal. Clodius wilde zich verdedigen en zwoer dat hij op die avond in het huis van Cicero was geweest. Terentia dwong haar echtgenoot dat te ontkennen: Cicero getuigde tegen Clodius.

Van toen af had Clodius geen kansen meer bij de partij van de optimaten. Zijn zuster was de dertig gepasseerd. Ze was gepassioneerder dan ooit. Ze overwoog hem door een plebejer te laten adopteren zodat hij volkstribuun kon worden. Metellus, die was teruggekeerd, doorzag haar plannen en stak de draak met haar. Toen zij Clodius niet meer in haar armen had, liet zij zich beminnen door Catullus. Beiden verafschuwden de echtgenoot Metellus. Zijn vrouw besloot hem uit de weg te ruimen. Op een dag toen hij moe uit de senaat thuiskwam, gaf zij hem iets te drinken. Metellus viel dood in het atrium neer. Voortaan was Clodia vrij. Zij verliet het huis van haar echtgenoot en betrok, om zich met Clodius op te sluiten, weldra weer het huis op de berg Palatijn. Hun zuster liep weg bij Lucullus en voegde zich bij hen. Ze hervatten hun leven met hun drieën en koesterden wraakplannen.

Eerst werd Clodius inderdaad plebejer en tot volkstribuun gekozen. Hij zag er weliswaar meisjachtig uit maar hij had een krachtige en doordringende stem. hij wist te bewerkstelligen dat Cicero verbannen werd; hij liet zijn huis voor zijn eigen ogen afbreken en zwoer de ondergang en dood van alle vrienden van Cicero. Caesar was proconsul in Gallië en vermocht niets. Toch verwierf Cicero door Pompejus invloed en speelde het klaar dat hij het jaar daarop weer werd teruggehaald. De woede van de jonge tribuun steeg ten top. Hij overviel Cicero’s vriend Milo die op het consulaat uit was. Hij lag ’s nachts op de loer, misleidde de slaven die fakkels droegen en probeerde hem te doden. Clodius daalde geleidelijk aan in de volksgunst. Men zong obscene liederen op Clodius en Clodia. Cicero onthulde hun geschiedenis in een felle rede: Clodia betitelde hij als Medea en klytemnestra. Broer en zus konden hun woede niet meer bedwingen. Clodius wilde het huis van Milo in band steken, maar slaven die de wacht hielden sloegen hem in het donker dood.

Nu was Clodia totaal wanhopig. Na Catullus had zij Caelius Rufus genomen en laten vallen, daarna Egnatius, wiens vrienden haar meegenomen hadden naar de smerigste kroegen. Toch hield zij maar van één man: haar broer Clodius. Voor hem had zij haar echtgenoot vergiftigd. Voor hem had zij bendes brandstichters verlokt en verleid. Nu Clodius dood was had Clodia geen doel meer in haar leven. Zij was nog mooi en hitsig. Op de weg naar Ostia had zij een buitenhuis, tuinen bij de Tiber en in Bajae. Daar vluchtte zij heen. Zij zocht er verstrooiing door wellustig met vrouwen te dansen. Dat was niet voldoende. Haar geest was vervuld van de ontucht met Clodius, die zij nog altijd als baardloze en meisjesachtige jongen voor ogen had. Zij herinnerde zich dat hij ooit door Cilicische zeerovers gevangengenomen werd die zijn slanke lichaam misbruikt hadden. Ook dacht ze terug aan een bepaalde kroeg waar zij met hem was geweest. Het fronton van de ingang was helemaal met houtskool besmeurd, de mannen die er zaten te drinken verspreidden een sterke geur en hadden een behaarde borst.

Rome lokte haar weer. Zodra het avond werd dwaalde ze rond op straathoeken en in nauwe steegjes. De stralende onbeschaamdheid van haar ogen was dezelfde gebleven. Niets kon ze uitdoven en zij probeerde alles, ze ontving zelfs in de regen en sliep in de modder. Van de badhuizen ging ze naar de wachthuisjes; ze kende de kelders waar de slaven dobbelden, de lokaliteiten waar koks en koetsiers zich bezatten. Op straat wachtte ze passanten op. Ze kwam aan haar eind tegen de ochtend van een zwoele nacht door de merkwaardige herhaling van een gewoonte die zij er ooit zelf op na had gehouden. Een leerlooier had haar met een kwart as betaald; hij wachtte haar op in de ochtendschemering op straat en hij wurgde haar om haar het geld weer af te nemen. Daarna gooide hij haar lijk, met de altijd nog wijdopen ogen, in het gele water van de Tiber.