foto's in schrift 1

  1. Je weet het niet, je weet het niet

‘lamoth, corsetteriëen, prothesen en orthopedische artikelen.’ Als je de mallotige opstellingen in zijn etalage eens kon zien. De plasfles met de overgrote tuit, pal daarnaast de brede en ondiepe ondersteek: allebei apart geprijsd, maar als een stelletje op één handgeschreven kaartje. Op de voorgrond bij het raam, allerhande tangetjes met vlijmscherpe inkepingen en scharen met lepelvormige uitstulpsels. Middenin: de dingen. Dingen met staafjes en glazen bollen, met rubberen balletjes en doorzichtige slangetjes; grote en kleine vergrootglazen, gevat in buitenissige monturen, iets als brillen die – kapot en wel gevonden – door maanmannen vol toewijding zijn gerepareerd. Je weet het niet, je weet het niet. Het lijkt wel of de onbegrijpelijke binnenkant van alle instrumenten hier, bij Lamoth, nu eindelijk getoond mag worden.
Elke keer als ik daar langs kom, schiet dat dwaze zinnetje weer door mijn hoofd: ‘Het alleen op de wereld zijn, is onze plicht.’ Ik prevel het voor me uit terwijl ik die uitvinderswereld bekijk. Het voegt niets toe, het doet niets af aan wat daar in die overvolle, slecht verlichte ruimte is tentoongesteld. Maar misschien verschaft het troost aan de eenzame etalagepop met zijn verschoten huid en zijn omzwachtelde hoofd. Hij heeft elastieken banden rond de polsen en de enkels; om de heupen een zedige panty. Moeilijk na te gaan welke ziekten en gebreken, welke staalkaart van mogelijkheden hij bijeenbrengt en bestrijdt. Maar om het bovenlijf draagt hij het tuigje dat me lang geleden zover heeft gebracht, hemel en aarde te bewegen om toe te kunnen treden tot het korps van de kinderverkeersbrigadieren: een band om het middel, een bredere, diagonaal, loopt van de taille naar de schouder en van daar naar achteren, schuin weer te-rug over de rug. Het mocht. En met die brede band over mijn hazehart weerstond ik met gemak: metalen monsters op vier wielen en de vele fietsers met hun rinkelende Mickey Mousebellen.
 
foto's in schrift 2

  1. Romantische ziel

Het is nacht en het sneeuwt. In het souterrain van een groot herenhuis zit een al wat oudere student een brief te schrijven. Hij schrijft: ‘Het is nacht en het sneeuwt. Ik ben de enige in huis die nog op is en dat te weten doet mij goed. Ook de dame van het huis, mijn nieuwe hospita, die de bel-etage recht boven me bewoont, heeft de verandadeuren weer gesloten en is nu ook naar bed gegaan. Ik hoorde haar gedempte voetstap op het terras – een houten vlonder is het meer, waarvan ik hier vanuit het kelderraampje alleen de ronde paaltjes en de halfverrotte onderkant kan zien. Waar zij liep vielen hoopjes sneeuw tussen de planken door op het terrein daaronder. Nu weet je ook meteen waarvan ik leef, van strooigoed.
Souterrain. Ach, ik heb er wel iets aan dat zij deze ruimte – die ik voor een habbekrats mag huren omdat hij anders “toch ook” leegstond – zo’n mooie franse naam gegeven heeft. Alleen al de wijze waarop ze die uitsprak: “sous”, met een tevreden blik op de witgeverfde planken vloer; daarna een diepe neusklank die werd opgetild vanuit de huig: “terrain”, met een hoofdbeweging opwaarts. Net of dit woord een luchtbel was. Het is pas niets wanneer het aan de oppervlakte komt. En pats.
Je denkt misschien, wat klaag je nog, is dit niet wat je wilde? Je hebt gelijk, ik zocht een niets. Niets dat mij af kon leiden van de studie en het schrijven. En het is waar. In deze kale witte kamer waar – behalve als ik slaap – twee daglichtlampen moeten branden, waardoor alles om me heen er op elk uur van de dag, de nacht hetzelfde uitziet, zou ik me zonder op of om te kijken aan de studie kunnen wijden. Het is hier stil. Geluiden van de andere bewoners dringen nauwelijks door. En zelfs die van mijn bovenbuurvrouw, de enkele kontaktgeluiden die ze maakt…
Maar toch. Ik kan me nu al niet meer losmaken van de modulaties in haar stem – de telefoongesprekken die ze voert, wel te horen, net niet te verstaan. Ik ken haar voetstap en haar schoenen, de doffe zwaarte van haar instappers, het venijnig tikken van haar uitgaanshakken. Na de middagboterham – ze is heel stipt – poetst ze haar tanden in de keuken. Ik wacht erop. Ik wacht op alles wat ze doet. Nu goed. Dat is allemaal nog wel te dragen en het mag geen reden zijn om niet, desnoods alleen maar in de nachten, flink door te bijten in het laatste taaie restje van mijn studietaken. Maar wat mij werkelijk uitzinnig maakt en mijn leven hier tot aan de randen vult, dat is het melodietje.
Ze speelt het elke avond tegen twaalven, heel aarzelend, erg mooi, op haar piano. Een nocturne van Chopin. Ze weet dat ik het horen kan. Het is voor mij. Direkt daarop gooit ze haar verandadeuren open, dan wandelt ze een paar minuten over het terras en daarna gaat ze slapen. Dat is alles.’
 
foto's in schrift 3

  1. Gedachtenjassen

Wie kent ze niet, de deksels die de wereld dichtdoen, de vierkante, de grote zwarte? Je hebt er nog waarop het woordje ‘Globe’ staat geschreven. Kijk, uitgerekend hier, op het marktplein in het zondagochtendstadje G van Goed, wordt er eentje opgelicht. En daar komen acht meneren koekeperen tevoorschijn. Uit het ondergrondse, ha, dat had ik altijd wel gedacht. En dat wij helemaal niet weten hoe of wat. Doe het deksel maar gauw dicht.
Acht meneren van weleer, allemaal weer in dezelfde jassen, allemaal met vaderhoeden op. Waar is ‘t voor? Het Anjerfonds? Het konden collectanten en kantoormeneren, het konden communisten en getuigen van Jehova zijn. Speciaal voor kinderen had je de stillen en de kinderlokkers. Die stonden dan als uit de grond geroepen in het deurgat, met de vuisten leunend op de naden van hun diepe zakken. Keurignette vaders in gedachtenjassen. ‘Is je moeder thuis?’ Hun diepe zakken konden het papier bevatten waarop te lezen stond: Mevrouw, dit kind is niet van U.
 
Ergens op een marktplein in het pasgerestaureerde zondagochtendstadje G, staan acht koekeperen uit de jaren vijftig. Voor het panopticum daarachter zeker. Het is net echt. Hoe grappig en hoe ongepast, je kunt goed zien, die tijd is nu toch echt voorbij. Wel een aardig stadje, met die leuke ouderwetse gaslantarenpalen en die oude waterpomp…
Stoppen we dan nu dit stadje in zo’n waterbol en als je schudt, dan gaat ‘t sneeuwen. Schudden we dan nu elkaar de vleesgekleurde handen.
 
foto's in schrift 4

  1. Kill en overkill

Het is de middag van een stille dag, decemberdag en volop zon. De bomen werpen hun schaduwen in hanepoten van zich af, ver van zich af. Zo staan ze opgetekend in het bladerloze polderland. Hier stoppen we. Nee daar. Vlak voor een metershoge heg die manhaftig tussenbeide komt.
Ze zitten op de graskant langs het rechte pad, drie toeschouwers op kleine vissersstoeltjes, een man, een vrouw, het kind tussen hen in. De man wijst naar de wolkenrand en naar de heg. Hij noemt de heg een windscherm, een windscherm voor de jonge aanplant. Een windscherm, denkt het kind, een windscherm. Was het maar juli nu. Dan zaten we niet hier, maar op het strand.
‘Geen meidoorn,’ zegt de vrouw, ‘het is geen meidoorn en geen beuk.’ Ze heeft haar chocoladereep niet op, toch neemt ze al een sigaret.
‘Mag ik die reep, mama, als jij hem niet meer blieft, mag ik die reep dan hebben?’
‘Niet zeuren hè.’ Ze zegt het op verstrooide toon en geeft hem tegelijkertijd haar reep. Dan snijdt een straaljager geluidloos door de lucht.
‘Kijk Jonas,’ roept de man die heeft gezegd ‘noem me maar Bert’. Zijn hand scheert rakelings langs Jonas met de reep. ‘Kijk, kijk, de schaduw.’
‘Een haas, twee, drie.’ Zijn moeders hand slaat kriskras in de wolkenrand. ‘Kijk gauw, fazanten.’
Maar Jonas sluit zijn ogen voor de wolkenflosjes van zijn moeders sigaret en stopt zijn vingers in zijn oren. Hij denkt, nu vliegt de heg in brand, nu breekt het land. Hij heeft ‘t allemaal gezien, de hazen, de fazanten en de schaduw van de jager. Maar wat hij niet verdragen kan, dat is het donderend geraas.
 
foto's in schrift 5

  1. Niet thuis

De flat stond, in de woorden van de oude vrouw, ‘tegen inbraak ingericht’ tot hun beschikking, zolang hun eigen huis in Amersfoort werd opgeknapt.
Het was de derde dinsdagmiddag na de brand en de vrouw zit op een stapel boeken in de veel te lage stoel. Het zijn geen harde boeken, telefoonboeken; maar het zitten wordt bemoeilijkt door de losse kussens daaromheen. Die in de rug verschuiven steeds en de twee dikke links en rechts zijn eigenlijk te groot en te veerkrachtig. Ze vallen steeds. De oude man raapt ze dan op en legt ze op haar schoot. Maar het vallen en het rapen van de kussens gebeurt zo vaak, dat hij het nu al lezend doet, doorlezend in het boek dat op zijn knieën ligt. Hij zit erbij als iemand die gaat staan, zijn rechterhand omklemt de smalle leuning van de veel te lage zitbank, zijn elleboog wijst schuin omhoog. Het startklaar zitten van haar man maakt de vrouw opstandig en nerveus. Ze legt het breiwerk op haar schoot en haar ogen dwalen naar de negen overledenen. Zo noemt de oude vrouw het rijtje onbekenden waarmee de onbekende eigenaar de lege wand heeft opgesierd. Met de beste bedoelingen, ook dat nog. Wat een idee, om je lege spijkers vol te hangen met familiefoto’s. Haal ze dan weg. Ook dat nog. Nee, de vrouw heeft helemaal geen zin om wat dan ook te doen aan deze vreemde kamer die haar heden op moet vullen, aan deze kamer met zijn vreemde dingen. De vrouw is wel een beetje zuur geworden na de brand. En foetert graag. Ze weet het wel, dat is niet goed. Ze recht haar rug en zet haar blote voeten bovenop de beige voetenzak. Zo is het prettig zitten, hoog en droog en mooi rechtop.
‘Nu lijk je net een paaskonijntje in haar mandje,’ zegt de man. Hij lacht. Maar zij lacht niet. Eerst niet. Ze laat het lachen achterwege, omdat ze vindt dat hij erop moet wachten. Als ze te vroeg lacht is hij veel te vlug tevreden en dan is de kans te groot dat hij weer terugduikt in zijn boek. Daarom neemt ze het breiwerk maar weer op en daarom mompelt ze wat binnensmonds. ‘Het is lente, buiten schijnt de zon.’ Ze mist ineens intens de paarse glas-in-lood gezette ruitjes van hun afgebrande serre. Haar eigen stoel, haar eigen zon. Ze ziet een mooie lichtstrook door de kamer gaan, een lopertje, zachtpaars en flinterdun, het paarse licht verwarmt haar blote voeten en kleurt de ronde bol met witte wol. ‘Waar ben je Hanna, in je luchtkasteel?’
Dan lacht ze, Hanna, eindelijk. Ze trekt zeer krachtig aan de witte draad en lacht voluit. De bol met wol rolt uit de mooie lichtstrook en verdwijnt onder de veel te lage bank. Ze kijken beiden lachend naar de witte draad, de oude man, de oude vrouw.