Oskar Panizza las zijn ‘Eigen levensbeschrijving’ zelf voor tijdens de rechtszitting van 28 maart 1905 in München waar hij ontoerekeningsvatbaar werd verklaard. Tot zijn dood, op 28 september 1921, verbleef hij in het herstellingsoord Herzogshöhe bij Bayreuth; al eerder, in 1901, was hij korte tijd opgenomen geweest, in dezelfde inrichting voor geesteszieken waar hij vroeger als jonge arts had geassisteerd. Van de psychiater-schrijver Oskar Panizza (1853-1921) verschenen talloze (veelal antikatholieke) pamfletten en satires, gedichten en toneelstukken. Het verzameld werk wordt uitgegeven bij Matthes & Seitz, o.m.: Aus dem Tagebuch eines Hundes; Die kriminelle Psychose, genannt Psichopatia criminalis; Dialoge im Geiste Huttens. Van Panizza verscheen in vertaling Het liefdesconcilie (Arbeiderspers 1967) en Een schandaal in het klooster (in: Herculine Barbin, Mijn herinneringen. Gepresenteerd door Michel Foucault. Arbeiderspers 1982).

 

Oskar Panizza, schrijver, geboren 12 december 1853 te Bad Kissingen, is uit een belaste familie afkomstig. Zijn oom leed aan partiële godsdienstwaanzin en stierf, na 15 jaar verblijf in krankzinnigengestichten, op de krankzinnigenafdeling van het Würzburgse Julius-ziekenhuis. Een andere oom pleegde op jeugdige leeftijd zelfmoord. Een tante stierf aan een beroerte, een andere, nog levende tante is psychisch eigenaardig, voor een deel bestudeerd geestig, voor een deel zwakzinnig. Al deze graden van bloedverwantschap hebben betrekking op de kant der moeder. Deze nog in leven, driftig, energiek, sterke wilsmens, bijna mannelijke intelligentie. Vader stierf aan tyfus, was van Italiaanse afstamming, hartstochtelijk, losbandig, driftig en een plooibare man van de wereld, slechte huisvader. Van de broers en zusters van de patiënt hebben de twee jongsten, evenals patiënt zelf, in vroeger jaren aan melancholische aanvallen blootgestaan. Jongste zuster deed twee zelfmoordpogingen (wellicht gecompliceerd met hysterie). In de hele familie heerst prevalente mentale activiteit met neiging tot discussie over godsdienstige vraagstukken. Moeder en patiënt schrijven. Patiënt zelf leed aan de gebruikelijke kinderziekten, mazelen, kinkhoest, leerde zeer moeilijk lezen, legde geen enkele begaafdheid aan den dag, had bij zijn broers en zusters de bijnaam ‘de domme’, kwam op het gymnasium moeizaam vooruit, was met zijn nutteloze, dartele fantasie en voortdurend in de eigen gedachtenwereld verdiept niet in staat de noodzaak van een ordelijke, systematische voorbereiding op een beroep voor het leven in te zien, wijdde zich kortstondig aan de muziek en behaalde ten slotte op gevorderde leeftijd, 24 jaar oud, het einddiploma van het humanistisch gymnasium. Tijdens zijn mazelen-ziekbed had hij omstreeks zijn twaalfde jaar een lichte aanval van slaapwandelen: hij ging overdag in onbewuste toestand uit bed, liep door de ziekenkamer heen en weer en werd ten slotte biddend op zijn knieën voor het bed aangetroffen en uit zijn trance verlost. Wijdde zich na het eindexamen gymnasium met grote liefde en ijver aan de medische studie, werd co-assistent bij Ziemssen, werkte onder deze op het klinisch instituut, promoveerde 1880 summa cum laude en behaalde nog in datzelfde jaar het artsdiploma. Als student raakte hij besmet met lues, die, ofschoon jarenlang lege artis behandeld, thans nog steeds in de vorm van een kolossale gemma aan de rechter-tibia manifest is en de spot drijft met iedere behandeling, hoe krachtdadig ook, met joodkali. Na de vervulling van zijn militaire dienstplicht als tweede luitenant-arts in een militair hospitaal en zijn benoeming tot hulparts tweede klasse bij de reserve, ging patiënt, door Ziemssen van talrijke aanbevelingen voorzien, naar Parijs, bezocht echter maar weinig ziekenhuizen doch legde zich toe op de studie van de Franse literatuur, vooral de dramatische, waarvoor hij dankzij zijn kennis van de Franse taal, die door de hugenootse afkomst van de moeder voortdurend in het ouderlijk huis gebezigd werd, bijzonder gedisponeerd was. In 1882 naar München teruggekeerd, trad hij als vierde assistent onder Gudden in dienst bij het Opper-Beierse districts-krankzinnigengesticht en diende daar, intussen tot vierde (?) assistent opgeklommen, gedurende twee jaar. Wegens benadeling van zijn gezondheid en wetenschappelijke en andere meningsverschillen met zijn chef gaf hij in 1884 deze betrekking op, en hij legde zich nu, van kleine voorbijgaande medische diensten als praktizerend arts afgezien, definitief op de literatuur toe, die hij sinds Parijs niet meer uit het oog had verloren. Gedeeltelijk onder de nawerking van een in de krankzinnigeninrichting opgekomen gevoelsdepressie, die bijna een jaar duurde, ontstond de lyrische verzenbundel ‘Trieste liederen’ (Leipzig 1885), die onder invloed van Heine staat. Door deze literaire ontlading aanzienlijk opgebeurd en verkwikt, bezocht hij nog datzelfde jaar Engeland, aan welk bezoek een intensieve studie van de Engelse taal en letterkunde onder leiding van Mrs. Callway was voorafgegaan en waar hij een vol jaar in het British Museum literair actief was. Als vrucht van dit verblijf ontstonden de ‘Londonse liederen’ (Leipzig 1887). In de herfst van 1886, na kortstondig verblijf in Berlijn, terugkeer naar München, in 1888 verscheen ‘Legenden en fabels’, gedichten, voor een deel de vrucht van zijn bestudering van de oud-Engelse balladen. In de jaren hierna studie en onderzoek van de Itaaljaanse taal en literatuur onder leiding van Sgra Luccioli te München, daar intensieve bemoeiing met vreemde talen en literaire produktie het beste afleidingsmiddel voor allerlei psichopathische aanvechtingen bleek te zijn. Verschillende reizen naar Italië. Vanaf 1890 verscheen door de kennismaking met M.G. Conrad een reeks opstellen, deels over wetenschappelijke onderwerpen, deels over literatuur en kunst in de ‘Gesellschaft’, waarvan M.G. Conrad de oprichter en leider was. In 1899 waren al ‘Schemerstukken’, een bundel fantastische novellen, die gedeeltelijk onder de invloed van de Amerikaanse novellenschrijver Edgar Poe staan, verschenen. Door M.G. Conrad geïntroduceerd in de ‘Maatschappij voor modern leven’ te München, hield patiënt aldaar enkele lezingen, onder andere ‘Sjenie en waanzin’ (München, Pössl 1891), die de aandacht van de overheid, de vijandschap van de ultramontaanse pers: ‘Sociaaldemocraten in rokkostuum’ en tegenbetogingen van het districtscommando van de landweer uitlokten. Door laatstgenoemd commando aangemaand voor de ‘Maatschappij voor modern leven’ te bedanken, weigerde patiënt dit en werd ten gevolge daarvan uit een militaire betrekking, waarin hij inmiddels tot hulparts eerste klasse was opgeklommen, ‘oneervol ontslagen’.

Een opstel van patiënt, ‘De misdaad op Tavistock Square’ (een Engelse herinnering) in het ‘Sammelbuch der Münchner Moderne’ (München, Plössl, 1891) leidde tot het indienen van een gerechtelijke aanklacht wegens ‘misdrijf tegen de goede zeden’, die echter door de strafkamer van het kantongerecht München I werd geseponeerd. In 1892 verscheen een tragi-humoristicum ‘Uit het dagboek van een hond’, geïllustreerd door Choberg te Leipzig. In het volgende jaar ‘Vizjoenen’, een novellenbundel, wederom ten dele in de fantastische stijl en geest van Edgar Poe. In 1893 verscheen ‘De onbevlekte ontvangenis der pausen’ (Zürich, Schabelitz), een in schijnbaar hoogst serijeuze stijl uitgevoerde poging, het door Pius ix in 1894 geproclameerde dogma van de onbevlekte ontvangenis van de maagd Maria tot de pausen uit te breiden met alle embriologische, antropologische en teologische consequenties, die patiënt volgens het titelblad uit het Spaans had vertaald. Deze publikatie werd tengevolge van denunciatie in Stuttgart gerechtelijk in beslag genomen en in zg. objectief geding voor het hele Duitse rijk verboden. Heftige kritiek van de kant van zowel de katolieke als de protestantse kerkelijke pers, alsmede waarschuwingen aan het publiek om niet tot aankoop over te gaan, volgden hierop. In 1894 verscheen ‘De Duitse janlubbes en de Romeinse paus’ met een voorwoord van M.G. Conrad, waarin de gravamina van Duitsland tegen Rome tendensjeus, maar op grond van historische informatie en onder uitvoerige opgaaf van bronnen, in de vorm van tesen waren samengevat. Dit werd in 1895 eveneens in objectief geding, d.w.z. na verstrijken van de voor de indiening van de aanklacht en strafrechtelijke vervolging verstreken termijn, in beslag genomen. In 1894 verscheen bovendien ‘de hemelstragedie het liefdesconcilie’ (Zürich, Schabeliz), waarin, met gebruikmaking van een citaat van Ulrich von Hutten, de verschijning van de sifilis in Italië aan het einde van de vijftiende eeuw als ten gevolge van de verdorven praktijken aan het pauselijk hoof onder Alexander vi plaatsgehad hebbende, in de vorm van een middeleeuws misteriespel onder een eigentijdse belichting werd uitgewerkt. Dit leesdrama bracht de patiënt in het voorjaar van 1895 voor de (!) Münchense juryrechtbank, die hem op grond van par. 166 Rijkswetb. v. Strafr. tot 1 jaar gevangenis veroordeelde, een vonnis dat het hoogste gerechtshof in Leipzig spoedig daarop bevestigde. Patiënt zat zijn straf uit in de gevangenis te Amberg, alwaar nadat het bezwaar van de verdediger, die geestesziekte aanvoerde (zonder de gevangene te raadplegen), alsnog was erkend, een summier onderzoek van de laatste quoad psychen intactam plaatsvond – ‘Bent u geestesziek?’ – ‘Nee’ -, dat tot een negatieve uitkomst leidde. Na zijn straf te hebben uitgezeten nam patiënt afscheid van München met de kleine brochure ‘Afscheid van München’ (Zürich 1896), die inbeslagneming en een bevel tot aanhouding tegen de ondertussen naar Zürich verhuisde auteur tot gevolg had. Nog in diezelfde herfst publiceerde patiënt de zedehistorische studie ‘De Beierse volksjustitie’ (Berlijn, G. Fischer), waarin op wens van de bang geworden uitgever enkele passages van de tekst, alsook enkele verzen van de in de originele versie weergegeven ‘volksgerechtelijke protocollen’ die enkele jaren tevoren door patiënt in een artikel in de ‘Neue Rundschau’ (bij dezelfde uitgever) zonder enige bezwaar gepubliceerd waren, in het reeds persklare zetsel door stippeltjes werden vervangen.

Patiënt had inmiddels het Beierse inboorlingsrecht opgegeven, met het plan na een tweejarig verblijf in Zürich het Zwitserse burgerrecht te verwerven. In het jaar hierop begon pasjent, omdat nu ook Schabeliz in Zürich moeilijkheden maakte, zijn eigen uitgeverij onder de naam van het terzelfdertijd opgerichte tijdschrift ‘Zürcher Diskussionen’ en publiceerde de in de gevangenis van Amberg ontstane ‘Dialogen in de geest van Hutten’, waarin beproefd werd in de frisse en ongesjeneerde stijl van de strijdschriften uit het begin van de 16e eeuw openbare toestanden te bespreken. In het daarop volgende voorjaar van 1898 schreef pasjent de politieke satire ‘Psichopatia criminalis’ (Zürich, Verlag Zür. Diskussionen) over de vervolgingswoede van de Duitse openbare aanklagers, een bijzondere politieke geestesziekte ponerend, die het Duitse publiek zou hebben aangetast, gepersifleerd werd. (Foute zinsbouw!) Zij werd gevolgd door het op zuiver historische onderzoekingen gebaseerde drama ‘Nero’ (Zürich 1898). In dezelfde late herfst werd pasjent zogenaamd wegens verkeer met een puella publica, die juist de leeftijd van vijftien jaar had bereikt – in Zwitserland is het geslachtsverkeer met meisjes onder de 15 strafbaar gesteld, bovendien was bij volksbesluit een einde gemaakt aan het gedogen van de prostitutie in het kanton Zürich – door de politie uitgewezen, in Zwitserse bladen als ‘smerig sujet’ gebrandmerkt, en hem toen hij zijn beklag deed op het Zürichse hoofdbureau van politie tegelijkertijd medegedeeld dat deze uitwijzing uit het kanton Zürich identiek was met zijn uitwijzing uit geheel Zwitserland. Pasjent antwoordde in het eerstvolgende nummer van de Zürcher Diskussionen met een eerlijke, niets verbloemende onthulling van de toedracht, die de eigen persoon en de daardoor begane misslag zonder plichtplegingen blootgaf, maar tegelijk naar de hoogste instantie in Berlijn verwees, waarvan pasjent bij de hele behandeling van de zaak de beïnvloeding bespeurd meende te hebben. In Parijs, waarheen pasjent intussen verhuisd was, werden de Zürcher Diskussionen ondanks hun nu tegenstrijdige lokale naam in een scherpere toonzetting, speciaal op politiek gebied, voortgezet, en omstreeks kerstmis van het volgende jaar ontstond als vrucht van een zeer teruggetrokken levenswijze en met verwerking van de beste, meest verse en directe indrukken van de Franse hoofdstad de verzenbundel ‘Parisjana’, waarin de persoonlijke tegenstander van de auteur, Wilhelm II, als publieke vijand van de mensheid en haar cultuur voorgesteld, en waarbij de opeenvolging van ideeën en de uitdrukkingsvorm qua scherpte tot de uiterste esthetisch toelaatbare grens uitgebuit werden, De publikatie werd, zoals voorzien, in Duitsland in beslag genomen, tegen de auteur andermaal een bevel tot aanhouding uitgevaardigd, maar tegelijkertijd, wat niet voorzien was, het in Duitsland hypothecair gebonden vermogen van dezelve met de meest opgeschroefde motivering – dezelve zou de vlucht hebben genomen – geconfisqueerd. Pasjent zag zich, na het een jaar lang in zeer pijnlijke toestand te hebben uitgehouden, gedwongen zich aan de rechtbank die het bevel tot aanhouding had uitgevaardigd, München, uit te leveren – april 1901 – werd hier in hechtenis genomen, na 4 maanden ingevolg besluit van de strafkamer voor 6 weken naar het Opper-Beierse districts-krankzinnigengesticht overgebracht voor onderzoek van zijn geestelijke toestand, en daarna, weer in de gevangenis afgeleverd, binnen enkele weken zonder enige kennisgeving van een gerechtelijk besluit in vrijheid gesteld. Volgens kranteberichten en een mondelinge, verder niet controleerbare verklaring van de eerste officier van justitie bij de kantonrechtbank München I, baron von Sartor, tegenover een particulier was de zaak tegen de patiënt op grond van de deskundigenverklaring van de eerste geneesheer van het Münchense districts-krankzinnigengesticht Dr. Ungemach wegens geestesziekte geseponeerd. Pasjent publiceerde, naar Parijs teruggekeerd, nog enkele nummers Zürcher Diskussionen (tot nr. 32) en staakte toen, vanaf november 1901, weliswaar niet zijn schrijvers -, maar wel, bij gebrek aan een drukker, zijn publicistische werkzaamheid. – In november 1903 begon tegen de pasjent, die in de meest absolute teruggetrokkenheid leefde, een reeks chicanes, die gezien de omvangrijkheid van de quratsies (querela?) tot het samenwerken van een vrij groot aantal detectives lieten concluderen. En daar de Franse regering de patiënt zo geen duidelijke welwillendheid, dan toch in geen geval welke vijandigheid ook had betoond, viel alleen aan buitenlandse detectives te denken, respectievelijk aan een in het buitenland gegeven ordee, door middel van ter plaatse in dienst genomen Franse privé-detectives voor de pasjent het leven in Parijs te vergallen. Daar deze, zoals reeds vermeld, sinds 2 jaar niets meer had gepubliceerd, moest met de mogelijkheid rekening worden gehouden, dat door een andere partij, die min of meer (!) vriendelijk stond tegenover de opvattingen van de patiënt, heimelijk diens manuscripten gecontroleerd, ze misschien gecopieerd, en voor zover ze met de opvattingen van de nieuwe partij overeenkwamen, ten slotte gepubliceerd werden, ten slotte zelfs met gebruikmaking van naam, firma, druk en papier van de ter ziele gegane Zürcher Diskussionen. Alleen op die manier waren de nieuwe vijandelijkheden tegen de patiënt, die men bij een zekere instantie in ieder geval voor de auteur en verantwoordelijke uitgever van de ondergeschoven publikaties hield, te verklaren. Want dat de twee jaar daarvóór in München tot stand gekomen verklaring van krankzinnigheid ernstig moest worden genomen – zodat iedere hem vriendelijk of vijandig gezinde politieke partij zich er wel voor gehoed zou hebben naar diens manuscripten te dingen – daar dacht pasjent te minder aan, daar ook in zijn omgeving Fransen noch buitenlanders er ook maar in de verte aan dachten hem niet als volkomen geestelijk gezond te beschouwen. De chicanes echter bestonden in essentie, buiten kleinigheden als uitdoven van het haardvuur, verstoppen van de schoorsteen, afsnijden van het water, beschadigen van de sloten op de huisdeur (!!) uit geraffineerde, op zeer pijnlijke verwonding van het zenuwstelsel berekende fluiterijen, molestaties met alle mogelijke, de gehoorzenuwen zeer gevoelig treffende instrumenten, die deels vanuit een huis vis-à-vis in de rue des Abbesses, deels op straat, ja zelfs hier en daar in het bos van Montmorency, waar pasjent zich in de regel iedere zondag heen begaf, op hem inwerkten. Dat het hier niet om begoochelingen van het gehoor ging, bleek uit het eenvoudige feit dat het fluiten ogenblikkelijk verstomde zodra pasjent zijn oren dichthield, wat zeker niet het geval zou zijn geweest, ware het van cerebrale oorsprong. Bovendien werden deze fluiterijen, die hij als tegen zijn persoon gericht beschouwde, later in München, waar zij voortduurden, door onwraakbare getuigen, Ludwig Scharf en Comtesse zu Reventlow, bevestigd en slechts voor wat hun betekenis betreft enkele malen in twijfel getrokken werden. Maar met betrekking tot dit laatste viel na ¾ jaar lang verdragen en uithouden welhaast niet meer aan een verkeerde interpretatie te denken. – Met deze met volle doelbewustheid uitgevoerde aanvallen scheen een kleinere, minder gevaarlijke, zich stellig alleen in de meest directe omgeving en in de ondergeschikte handen van concierges of femmes de chambre afspelende operatie gepaard te gaan (zinsbouw!) – een operatie waar wel geen enkele ouder wordende vrijgezel aan zal ontsnappen – die van het trouwen van de pasjent. Zodra deze het streven herkende, poeierde hij de plaatselijke roddeltantes af en schreef daarna toevallig eens aan zijn in München wonende moeder, wier connectie met bepaalde Parijse kringen uiteindelijk niet volkomen uitgesloten was, dat gegeven de huidige financiële situatie van haar zoon niet aan een huwelijk te denken, deze ook interesse noch tijd voor een huwelijk had, wel allerminst indien de genoemde fluiterijen en andere chicanes ten slotte met dit project verband mochten houden, wat hem bijna onmogelijk leek, deze zich door zulke infame middelen tot het kiezen van een eega zou laten dwingen. Hierop lieten de huwelijksintriges af, terwijl de andere molesteringen voortduurden. Aangezien de eerste later in München, en wel in de meest groteske en lachwekkende vorm weer voor den dag kwamen, mag niet over het hoofd worden gezien dat pasjent de zwaarstwegende argumenten tegen het aangaan van een huwelijk om redenen van consideratie en betamelijkheid in de brief aan zijn moeder had verzwegen. De toch altijd niet te onderschatten belasting van moederszijde, de nog steeds manifeste lues in de vorm van een gemma aan de tibia dextra zouden het thans, nu men heeft voorgesteld de geesteszieken, teringlijders en sifilitici het sluiten van een huwelijk te verbieden, het aspect geven van een misdaad, nog wel door een arts begaan, om lichtzinnig een wrakke nakomelingschap te verwekken. Hierbij komt, dat pasjent voor het uitoefenen van zijn literaire werkzaamheid veruit het grootste deel van de dag in de meest absolute eenzaamheid en afzondering, bij goed weer met verre eenzame wandelingen, moet doorbrengen, gewoonten die per slot niet met een huwelijk te verenigen zijn. En al zouden de produkten van dit literaire scheppen door het publiek en de kritiek nog zo laag aangeslagen worden, voor de pasjent zijn zij niet de uitdrukking van een gril of van willekeur, maar een absolute noodzakelijkheid terwille van de ontlasting van het brein. Hij moet dus de veilige weg aanhouden en terwille van de instandhouding van het psichische evenwicht in de oude, beproefde sleur voortgaan en geen fantasmen najagen, die anderen misschien hoogst doelmatig, maar de betrokkene zelf een bedreiging voor zijn gezondheid toeschijnen.

Nadat de hierboven beschreven molestaties meer dan een half jaar hadden voortgeduurd, waardoor de pasjent ten slotte in zijn woning werd geconcentreerd en midden in de zomer van de zo noodzakelijke lichaamsbeweging in de frisse lucht moest afzien, besloot hij, nadat door zich intensief met wetenschappelijke werkzaamheden bezig te houden niet de nodige afleiding opleverden, tamelijk plotseling te vertrekken, en verliet op 23 juni met de avondsneltrein vanuit het gare de Lyon Parijs en kwam via Dijon de volgende middag in Lausanne (Zwitserland) aan. Tot zijn buitensporige verbazing waren ook in Lausanne de fluiterijen, zij het lang niet in die mate, te horen. Hieruit vloeide de dwingende gevolgtrekking voort, dat Parijs niet de enige haard van vijandelijkheid tegen de pasjent was. Wat nu de eigenlijke grond van deze manifestaties was bleef hem verborgen. Hij herstelde zich aan het meer van Genève en in de omringende bossen, waar hij in tegenstelling tot Parijs nooit lastig gevallen werd, aanzienlijk, reisde echter na een week, toen de poging een bescheiden woning op het land te vinden, mislukt was, over Bern, Zürich, Lindau naar München. Toen ook hier de molesteringen begonnen, vervoegde hij zich bij het districts-krankzinnigengesticht München met het verzoek opgenomen te worden, om zichzelf en anderen te bewijzen dat hij zich met zijn opvatting dat het om uitwendige, stelselmatige vijandelijkheden tegen zijn persoon ging, niet had vergist; werd echter zogenaamd wegens overbezetting afgewezen. Hij liet zich door directeur Vokke overreden ingezetene van het particuliere krankzinnigengesticht Neu-Friedenheim te worden. Het inzicht dat hij hier op niet mis te verstane wijze gechicaneerd werd, leidde echter tot een heftige woordenwisseling met de directeur, Dr. Rehm, in de loop waarvan de laatste de pasjent verzocht de inrichting te verlaten. Pasjent huurde daarop in de Feilitzschstrasse 59 twee hoog rechts een bescheiden kamer, en wachtte af wat er zou komen. Gedurende het nu volgende ¼ jaar, juli tot oktober, meed pasjent de stad volledig, ging vlijtig in de Engelse Tuin en de omliggende buurten wandelen, bezocht bij het aanbreken van het ongunstige jaargetijde ‘s morgens de staatsbibliotheek, bleef voor het overige echter volledig gereserveerd en passief, in het besef dat een verandering in zijn uiterlijke situaatsie alleen door zijn tegenstanders, alsook door hemzelf, (?) teweeggebracht kon worden. Zijn op reis en in München ontstane literaire werk in zowel proza- als gebonden vorm, dat niet van geringe omvang is, zou, als patiënt zich niet ernstig vergist, bij geen enkele literaire of psichjatrische expert de mening oproepen dat het hier om ziekelijke ontboezemingen gaat. Een verergering van de toestand was in zoverre ingetreden, dat er zich nu in tegenstelling tot Lausanne en zelfs Parijs ook ‘s nachts ernstige hinder door ver-dragend gepiep en gefluit van metaalachtige aard en intensief krenkend effect op het gehoorsorgaan voordeed. Nadat zich al in Parijs een keer, een keer in Lausanne en een keer in Neufriedenheim een suïcidale neiging had voorgedaan, (!) volgde op 9 oktober in een aanval van vertwijfeling en wanhoop (!) na snel een testament te hebben geschreven het begin van de uitvoering van een zelfmoordplan door ophanging op een eenzaam gelegen plek in de Engelse Tuin. Doch moedeloosheid deed op het laatste ogenblik de beslissende sprong van de reeds beklommen boom mislukken en diep beschaamd keerde pasjent, die in 24 uur geen voedsel tot zich had genomen, naar zijn woning terug. Op 19 oktober nam pasjent zijn toevlucht tot een laatste, in verhouding tot de reeds voorafgegane belachelijk dom, maar in zijn gevolgen misschien effectief middel. Nadat er op die dag reeds zes maal op zijn weg naar de staatsbibliotheek en daarna op zijn eenzame wandeling door Oberföhring en omgeving, op niet te misduiden wijze naar hem was gefloten, ging hij naar huis, kleedde zich uit tot op het hemd, profiteerde van het zachte weer en liep om 5 uur in de middag in zijn hemd door de Sterneck-Maria-Josefa-Strasse naar de Leopoldstrasse, met de opzet opgepakt en onder verdenking van geestesziekte naar een openbare inrichting gebracht en daar door deskundigen onderzocht te worden: aldus datgene bereikend waar hij 3 maanden eerder in het Opper-Beierse districts-krankzinnigengesticht vergeefs naar had gestreefd. De slag had succes. Gegrepen en naar een huis vlakbij afgevoerd, gaf hij de toegesnelde marechaussee een valse naam, Ludwig Fromman, stenograaf uit Wirzburg, op. Een ambulancewagen werd gevorderd en pasjent naar het politiebureau gebracht, vanwaar hij, na een kort onderzoek door de wijkarts, naar de krankzinnigenafdeling van het stedelijk ziekenhuis I/J werd overgebracht.

 

(17 nov. 1904)