Harald Kaas

Taal en waanzin

Een gesprek over de spelregels van verbale verstandhouding

Vertaling: Piet Meeuse

B: Maar je mag toch niet aannemen dat de krankzinnige van het begin af aan andere ‘dooppredikaten’ gebruikt dan iemand die normaal is? Wanneer verandert zijn systeem van evidenties?

A: Dat verandert helemaal niet, het wordt verwisseld, en wel op grond van nieuwe waarnemingen, op grond van nieuw verworven ken­nis…

B: …die wij, anderen, helemaal niet als zodanig herkennen, laat staan erkennen.

A: Juist. Dat kunnen we immers niet! Hier wordt het probleem van de koningskinderen, die niet bij elkaar kunnen komen, zichtbaar in alle scherpte. De krankzinnige bevindt zich immers in een heel bepaalde zin inderdaad op Saturnus; en afhankelijk van zijn geaardheid ziet hij zich genoodzaakt ons dit feit te verklaren of – ook dat is mogelijk – het voor ons te verbergen. Hem uit het hoofd te praten wat hij beleeft, of zich door ‘Einfühlung’ in zijn beleven te verplaatsen is niet mogelijk, tenzij men zoiets zelf heeft beleefd.

B: Wat bij u inderdaad het geval is. Ik hoop dat ik u daarmee niet te na kom…

A: Nee, nee. – De moeilijkheid zit’m hierin, dat uitingen van verschillende taalspelen elkaar nu juist niet kunnen weerleggen. Een woorden­strijd met een krankzinnige – zonder erkenning van zijn systeem van evidenties – zou absurd zijn! Wat wij niet kunnen begrijpen is de om­standigheid dat niet ieder vals geloof een vergissing is. Dat we de me­ningen van een krankzinnige niet delen is immers niet het enige, want dat men een andere mening is toegedaan dan de ander, dat gebeurt zo vaak. We zijn het niet alleen oneens met de krankzinnige, we beschou­wen hem bovendien als geestelijk gestoord, wat de mogelijkheid uitsluit om de tegenspraak binnen een taalspel op te lossen.

B: Er bestaat dus geen mogelijkheid, werkelijk te begrijpen wat de krankzinnige zegt?

B: Laten we het es stap voor stap proberen. Ook al zou onze poging er alleen op uitlopen dat we vaststellen of, en zo niet, in hoeverre we het niet kunnen…

De krankzinnige is niet zozeer een deserteur uit onze wereld als wel iemand die zijn eigen wereld construeert, een wereldschepper, een ar­chitect. Hij gedraagt zich als de god van de rationalistische metafysica, die god waarin de logische waarheden die voor iedere mogelijke wereld gelden met de toevallige feitelijke waarheden overeenstemmen. Met een dergelijk wezen in contact te willen treden zou absurd zijn, tenzij de verhoudingen – zoals bij Leibniz – door een geprestabiliseerde harmo­nie geregeld zouden zijn. Dat geen van Leibniz’ monaden een andere kan beïnvloeden, dat ze enkel in staat is die te overstralen, dat ze geen venster heeft, maakt haar onverwoestbaar: dat is het zegel van de god­delijke herkomst.

Als je het zo ziet heeft de situatie van de koningskinderen die niet bij elkaar kunnen komen iets noodzakelijks en voor veel interpretatoren van Leibniz iets schrikbarends. De rol van de verlosser – bijvoorbeeld van Jezus van Nazareth – houdt in dat hij ons onzinnige vragen niet alleen toestaat, maar ze regelrecht uitlokt. Wanneer iemand zegt: ‘Ik heb pijn’, dan is het onzin hem te vragen ‘Twijfel je er toch niet aan of jij deze pijn hebt of een ander?’ Maar aan iemand die gekomen is om het lijden van allen op zich te nemen kun je zo’n absurde vraag natuurlijk wèl stellen. En met evenveel recht zouden we haar aan de schizofreen kunnen stellen die denkt dat hij Jezus Christus is.

In elke situatie zou de schizofreen kunnen zeggen – en vaak genoeg doet hij dat ook  – : ‘Ik is een ander.’ Waarbij zijn oorspronkelijk Ik niet alleen verkommerd, verzwakt en meegesleept is, maar als het ware fun­geert als lege plek, als variabele, die met de meest uiteenlopende inhouden gevuld kan worden, of het nu ‘Napoleon’ is, of‘Christus’, een dier, een bom of de ondergang van de wereld. Dit is allemaal materiaal, waarvan ook wij ons zouden kunnen bedienen in ons systeem van evi­denties. Maar het wordt ons als het ware meegedeeld van de overzijde van de grens die de onzin scheidt van het zinvolle gebruik van zinnen. Vervelend genoeg is het echter zo, dat ik de wereld moet denken als een begrensd geheel wanneer ik haar een zin wil toekennen; want in haar is er immers geen zin, hier is alles zoals het is en gebeurt alles zoals het gebeurt. Maar als ik een zin postuleer kan die alleen buiten de als be­grensd gedachte wereld liggen. Dan zou de poging hem uit te willen drukken echter onzinnig zijn. Ik heb het vermoeden dat de krankzinni­ge vaak een punt bereikt waar hij juist helemaal niet de zinloosheid in de zin van de existentialistische metafysica ervaart, maar waar hij, inte­gendeel, de zin begrijpt van alles wat gebeurt en wat is zoals het is, of beter: erdoor begrepen wordt. Vast staat dat hij zich, zoals de Ameri­kaanse psychiater en onderzoeker van schizofrenie Theodore Lidz het zegt, onttrekt aan het ‘betekenissysteem en de logica van de samenle­ving’.

B: Zou je niet kunnen zeggen dat de krankzinnige minder door de zinloosheid dan wel door de zin van al wat gebeurt overweldigd is?

A: Ja, hij lijkt mij zondermeer bezeten van de zin, en voor zover hij dat is kan hij alleen maar onzin praten. Hij heeft ‘filosofische proble­men’ die je volgens Wittgenstein moet behandelen ‘als een ziekte’.

B: De krankzinnige ontsnapt aan de toestand van de wereld doordat hij naar een niet toevallige maar noodzakelijke existentie zoekt, naar een goddelijk standpunt, zogezegd. Hij voltrekt het godsbewijs lijfelijk aan zichzelf…

A: Ja! Want wat hem aangedaan werd, de manier waarop men hem betekenissen bijbracht, alsof een god ze gedicteerd had, dwingt hem tot een radicaal nieuw begin. Hij komt op een zeker moment tot het inzicht dat bepaalde dingen van het begin af aan een andere zin voor hem hadden dan voor anderen, ook al hadden ze misschien dezelfde beteke­nissen. Wat zich nu ontwikkelt is zeer individueel. De krankzinnige kiest namelijk voor ‘zijn’ zin, dat wil zeggen: hij keert terug naar zijn oorsprongen; hij deserteert uit de levensvormen van de anderen; hij begint zijn eigen wereld gestalte te geven. Daarbij streeft hij er ofwel naar, ons daaraan te laten deelnemen – en dan laat hij zich gaan in aller­lei toespelingen – , ofwel de scheppingsdaad voor ons te verbergen.

B: Er is iets in uw redenering dat me niet bevalt. U zegt dat hij ‘ons’ wil laten deelnemen – of niet. Maar wie zijn ‘wij’ dan voor hem?

A: In elk geval niet degenen die we in onze eigen ogen zijn. Ik heb het woord ‘ons’ ook met tegenzin gebruikt, want ik wilde vermijden, me­zelf als ‘bos’, ‘Maffia’, ‘Djenghis Kan in de derde macht’ of zelfs als ‘polsstokhoogspringer-international’ aan te duiden. Allemaal uitdruk­kingen overigens, die door krankzinnigen werden gebruikt voor andere mensen. In benamingen als ‘polsstokhoogspringer-international’ wordt vaak de wens geuit, iets te weten te komen. Ik word namelijk in zo’n geval – volgens het principe van het pars pro toto  – als afgevaardig­de van een gemeenschap, als representant van een geheel ervaren, waarbij dit geheel lastig genoeg weer identiek kan zijn met het Babylonië ten tijde van Hammoerabi. Mogelijk krijg ik dan van de krankzin­nige te horen: ‘De Lorelei is niet genegen de Babylonische afgevaardig­de te ontvangen.’ Dat nu hoeft echter helemaal geen verzoek in te hou­den om de kamer te verlaten, maar kan ook betekenen: ‘Uit mij zullen jullie niks loskrijgen.’ U moet niet vergeten dat de volledige transfor­matie van de krankzinnige hem losrukt uit de lineaire, geometrische tijd; hij jongleert met millennia. Bovendien gaat hij er meestal van uit dat de ander van alles op de hoogte is.

Voor zover hij een wereldschepper is ervaart hij dat als iets hinder­lijks. Dus verandert hij zich in het scheppingsproces zelf, zodat hij  –  met wie hij ook te maken kan hebben – op z’n minst ten dele met zichzelf spreekt. Alles is hem bekend; hij van zijn kant is alle anderen bekend. Een zodanige bekendheid sluit iedere mogelijkheid van vertrouwelijk­heid uit. Hij kan oneindig zwak zijn en er niettemin van overtuigd, dat alles om hem draait, dat hij – die zich immers in allen herkent – het draaipunt van de wereld is. Het geloof aan de almacht van de gedachte (een geloof dat hij minder ‘heeft’ dan wel ‘belichaamt’) doet zijn Ik ineenschrompelen tot een punt, dat de totale, gecoördineerde realiteit bevat. De zin ‘Ik ben de Lorelei’ betekent namelijk in zekere zin hetzelf­de als de bewering ‘Ik ben de wereld’. De kranzinnige is zoveel dingen, omdat hij ‘alles’ zijn kan.

In de wereld van de krankzinnige staat ieder deel voor het geheel. Hij loopt bijvoorbeeld door een stad en ziet dat een huis wordt afgebroken. Kunt u zich voorstellen dat hij op dat ogenblik – en wel temidden van een onbeschrijfelijk geraas – de afbraak van alle huizen ter wereld be­leeft? En dat alles gebeurt om hem! De stap van gejaagde naar jager, van degene omwille van wie iets gebeurt naar degene die het zelf uit­voert, is oneindig klein.

Al die gekruisigden in de gekkenhuizen van de wereld, die hartver­scheurende verlossersfiguren, zijn niet alleen slachtoffers, maar ook rechters.

B: Zou je ook niet kunnen spreken van een verwarring van verschillen­de evidentie-systemen?

A: Waarom niet? Maar bedenkt u wel dat we van het eigenlijke evidentie-systeem van de krankzinnige niets kunnen weten, terwijl de fragmenten van plausibele evidentiesystemen die hij ons aanbiedt nou juist niet ‘van hemzelf zijn en het nooit geweest zijn. Wat vaak genoeg blijkt uit het feit dat hij citaten gebruikt die zich bij nader onderzoek prijsgeven als karakteristieke zinswendingen van bepaalde personen.

B: Er bestaat voor wat we zoeven als verwarring van evidentie-syste­men hebben aangeduid een mooie psychiatrische uitdrukking; die luidt: ‘associatie-ontsporing’.

A: Daar kan ik niet veel mee beginnen.

B: Ik zit me al een tijdje af te vragen of uw opvattingen niet op een therapeutisch nihilisme uitlopen.

A: Zelfs als ik me bij de term ‘nihilisme’ iets meer voor kon stellen dan een mengelmoesje van stellingen die het gebrek vertonen dat ze niet eens onwaar kunnen zijn, – zelfs dan zou ik u niet gelijk geven. Dat krankzinnigen geholpen kunnen worden, daar is geen twijfel over mo­gelijk. Ik vraag me alleen af of we kunnen weten ‘waar’ iemand die van zo’n reis is teruggekeerd geweest is. En vooral: waar de verrijking van­daan komt, die zo’n ‘psychonaut’ soms ervaren kan.

Ik wil proberen, een paar aspecten van die verrijking te verduidelij­ken. Zoals ik al zei beschouw ik de krankzinnige niet als een ‘deserteur’ uit algemeen aanvaarde levensvormen. De bewering dat waanzin een vlucht zou zijn – niet in de laatste plaats door psychoanalytici in de wereld geholpen – is, geloof ik, niet steekhoudend.

Ik geloof eerder dat een individu net zo lang uit bepaalde levensvor­men verdrongen en weggeduwd is tot hij krankzinnig wordt en daar­mee gedwongen is, ‘buiten’ deze levensvormen te ‘existeren’. Zijn Ik is opgebruikt; de vampieren hebben hun werk gedaan.

Maar gelooft u nu alstublieft niet dat dit een verarming zou moeten betekenen. Het is weliswaar juist dat krankzinnigen maar zelden produktief zijn. Maar wat verstaan wij daaronder? Toch alleen maar dat hun voortbrengselen, vanuit ons evidentie-systeem, vaak een gebrekki­ge en stereotype indruk maken. Maar wat weten wij van het weten dat zij deelachtig worden, zonder dat ze ons, die immers op een andere planeet leven, begrijpelijk kunnen maken wat het betekent. Als ik zeg dat de uitspraak ‘Ik ben de Lorelei’ dezelfde betekenis heeft als de uit­spraak ‘Ik ben de wereld’ dan interpreteer ik wat mij toegankelijk lijkt; maar wat degene die een wereld is, werkelijk beleeft blijft voor mij verborgen. Als ik terugdenk aan wat ik zelf in zulke omstandigheden heb beleefd, dan bestaat het hemelse en het helse van mijn beleven hierin, dat ik me in planten, dieren, wolken en mensen, in stenen en liederen, in veldslagen en statistieken, in kalenders en geometrische figuren bewust word van mijn zelf.

B: U zei dat de krankzinnige buiten de algemeen aanvaarde levens­vormen existeert. Maar tegelijkertijd deed u mededelingen over wat u zelf in zo’n toestand hebt ondervonden.

A: Ik geef toe: dat heb ik geprobeerd. Ik heb geprobeerd in een taal­spel dat wij beiden kunnen spelen iets te introduceren dat niet in dit taalspel thuishoort. Of kunt u zich voorstellen dat u in een bloem of in een statistiek over het sterftecijfer van a.o.w.-trekkers tot zelfbewust­zijn komt?

B: Nee.

A: Laten we proberen de beleving waarover we het gehad hebben op het spoor te komen. Wittgenstein zegt dat het evidentie-systeem alleen verklaarbaar is tegen de ‘achtergrond’ van alles wat men in het leven geleerd en ervaren heeft. De krankzinnige heeft deze achtergrond nooit bezeten. Hij werd steeds in beslag genomen door quasi-evidenties, door beslissingen die anderen voor hem genomen hadden. Wanneer we zei­den dat hij uit een evidentiesysteem verdrongen was dan was dat on­nauwkeurig. Het zou preciezer geweest zijn, te beweren dat de ruimte waarover hij beschikken kon voor de ontwikkeling van een eigen evi­dentiesysteem in de loop van de tijd door andere personen ‘bezet’ is. Deze ruimte, waarin het Ik zich ontplooit, is zijn eigenlijke reserve; zodra die uitgeput is kan hij zich niet meer handhaven in de wereld.

Dan gebeurt er iets eigenaardigs. Dat hij zich achtervolgd en bena­deeld voelt is duidelijk. Moeilijker te begrijpen is het feit dat hij nu ook zijn verleden in de waan begint te betrekken. Ben ik, zo vraagt hij zich af, niet van het begin af aan het slachtoffer van een samenzwering ge­weest? Gebeurtenissen in zijn leven die hij tot dusver als vanzelfspre­kend beschouwd heeft verschijnen in een nieuw licht. De kern van waarheid in zulke gedachten is evident. Doorslaggevender is het feit dat het gaat om de poging ruimte te scheppen: achter de ruïne van het Ik duikt als een schim een bouwwerk op, dat dit Ik had kunnen worden als het de nodige speelruimte had gehad. Die indruk overweldigt hem, maar is niet mededeelbaar. Want eigenlijk had dit Ik toch van alles kunnen worden. De zieke bevindt zich in een situatie waarin het wemelt van antinomieën, paradoxieën en oxymora. Maar die zeggen alles, en daardoor niets.

B: Dat ze niets zeggen geldt voor ons. In het geval van de zieke zou het kunnen zijn dat ze hem alles zeggen.

A: Zeker: alles voor hemzelf, niets voor ons. Hij verenigt de tegen­stellingen en tegenspraken in zichzelf. De contradictie, die volgens Wittgenstein de hele logische ruimte opvult, is een uitspraak over alle mogelijke werelden en zegt niets over de werkelijke empirische wereld. De krankzinnige bestaat en bestaat niet, is Duitsland en Rusland tege­lijk, boom en wolk tegelijk, en zo voort. Juist in dit tegelijk vindt hij de mogelijkheid, zoiets als een Ik te zijn. Ik zou zowel de term ‘projectie’ als de in ons verband belangrijker term ‘introjectie’ graag willen ver­mijden. Want beide termen veronderstellen iets dat bij de krankzinnige vanaf een bepaald ogenblik niet meer bestaat.

B: Echt niet?

A: Nou, laten we zeggen: in onbeduidende resten. Resten waaraan de psychoanalytici zich vastklampen. Maar ik vind dat deze resten de ei­genlijke winst, die de waanzin voor een krankzinnige kan opleveren, namelijk het grote Weten, eerder in de weg staan.

Van welke aard is dit Weten? Een ‘teruggekeerde’ vertelt: ‘Ik geloof dat ik de ziekte zelf heb opgeroepen. Bij de poging door te dringen in een verborgen wereld stuitte ik op de natuurlijke bewakers daarvan, de belichamingen van mijn eigen zwakheden en feilen. Ik beschouwde deze demonen aanvankelijk als lagere bewoners van een verborgen we­reld, die mij als speelbal konden gebruiken omdat ik me onvoorbereid in deze regionen begaf en er verdwaalde.

Later hield ik ze voor afgesplitste delen van mijn geest (vormen van hartstocht) die in de vrije ruimte vlak om me heen bestonden en zich voedden met mijn gevoelens. Ik geloofde dat ieder ander mens ze ook bezat, maar ze niet waarnam dankzij de bescherming en het gelukkige bedrog van het persoonlijke ikgevoel. Dat laatste vat ik op als een kunstmatig produkt bestaande uit herinneringen, gedachtencomplex­en etc, een aan de buitenkant mooie, vergulde pop, waarin niets we­zenlijk leeft. Bij mij was dit persoonlijke Ik poreus gemaakt door de schemertoestanden waarin ik mijn bewustzijn bracht. Ik wilde daar­door een hogere levensbron dichter benaderen.

Ter voorbereiding had ik lange tijd achtereen een hoger, onpersoon­lijk Zelf in mij tot leven moeten weken, want ‘godenvoedsel’ was niets voor sterfelijke lippen, het werkte vernietigend op het dierlijk-menselijke zelf, splitste het op in zijn delen; die verbrokkelden geleidelijk aan, de pop werd gemacereerd met gaten, het lichaam schade toegebracht. Te vroeg had ik de toegang tot de ‘levensbronnen’ geforceerd, de vloek van de ‘góden’ trof me. Pas laat zag ik in dat er zich troebele elementen in gemengd hadden, ik leerde ze kennen nadat ze al een te grote macht hadden verworven. Er was geen redding meer; nu had ik die geestenwe­reld, die ik zo graag wilde zien. De demonen stegen uit de afgrond op als de bewakers, de Cerberussen die geen onbevoegde binnenlaten. Ik besloot de strijd op leven en dood aan te gaan. Voor mij betekende dat ten slotte een besluit om te sterven, want naar mijn mening moest ik met alles afrekenen wat de vijand in stand houdt, maar dat was tegelijk ook dat wat het leven in stand houdt. Ik wilde de dood in, zonder krankzin­nig te worden en stond nu zogezegd tegenover de sfinx: Jij de afgrond in of ik!

Op dat moment kwam de verlichting, ik doorzag de ware aard van mijn verleiders door ze niet langer te voeden. Zij waren de onderhou­ders en tegelijk de bedriegers van mijn dierbare persoonlijke Ik, dat mij nu even nietig voorkwam als zij. En omdat er toen een groter en omvat­tender Ik opdook was ik in staat mijn vroegere persoonlijkheid, met haar hele aanhang, op te geven. Ik zag in dat die persoonlijkheid de domeinen van het bovenzinnelijke niet kan betreden. Een verschrikke­lijk lijden, als dat van een vernietigende strijd, was het gevolg, maar ik Was gered; de demonen verschrompelden, vergingen, stierven.

Voor mij begon een volledig nieuw leven. Ik voelde me van toen af aan anders dan andere mensen. Een Ik zoals zij dat hebben, bestaande uit conventionele leugens, schijn, zelfbedrog en herinneringsbeelden, heeft zich ook bij mij weer gevormd, maar daarachter en daarboven stond steeds een groter, omvattender Ik, dat op mij de indruk maakt van het eeuwige, onveranderlijke, onsterfelijke, onbevlekbare dat sindsdien mijn bescherming en mijn toevlucht is geweest. Ik geloof dat het voor veel mensen goed zou zijn als ze zo’n hoger Ik zouden kennen en dat er mensen zijn die het langs geschikter wegen ook daadwerkelijk zover hebben gebracht.’

(…)

* Fragmenten uit: Die Königskinder. Wahnsinn und Sprache: Ein Gespräch über die Spielregeln verbaler Verständigung. In: Tintenfisch 13, 1978, pp. 39-49.