1

Heinrich Kley The Engineer’s Dream (1913)

 
Zo moet het zijn gegaan. In de Albert Heijn voor boodschappen een Raster-redacteur tegen het lijf gelopen. Bijna letterlijk – we tastten zonder elkaar te zien naar dezelfde fles dikke bleek.
‘Hee A-e,’ zei W-m.
‘Da’s toevallig,’ zei ik. ‘Is dat soms óók jouw taak in huis?’
Hij vond het inderdaad toevallig. Had me net willen bellen in verband met Swift.
Gullivers Reizen. Prachtig boek, toch?’
Je kunt alleen maar knikken. Daarmee zat ik aan een Swift-essay vast.
‘Waar moet het over gaan?’
‘Als het maar Gulliver, als het maar Swift…’
Een duidelijke opdracht.
Ik ging thuisgekomen de toiletten schoonmaken en dacht na. Ik weet niet meer precies hoe het ging, maar ongeveer zo kan het zijn geweest: Scriblerusi, schepen aan een touwtje, reuzen, dwergen, plaatjes van het Internet, liefde voor de vrouw en haat of angst voor vrouwen – wat meestal hetzelfde is, maar niet altijd.
Na de arbeid ging ik zitten, bladerde in Swift, zocht zijn gedichten op het Webii, zette Googles plaatjeszoekmachineiii aan het werk en vond het een en ander. Ik zag er nog geen essay in.
 
Vlak vóór de slaap komt de angst. Zweetuitbraak, gedachten. Waar ben ik aan begonnen? Toch in slaap gevallen. Gedroomd. Beter beeld voor hoe dat gaat heb ik nooit gevonden: Heinrich Kleys beladen nachtgezicht, zie boven. Een arme dromer bedolven onder eigen fantasie. Geschut, dampend, stomend spoorweggeweld, piepen, wringen van ijzer op ijzer en dan dat ene meccano-mannetje dat de omgevallen nachtspiegel omhoog wil hijsen. Eerst verplaatste ik me in die arme dromer. Daar moet je toch snel mee stoppen. Kleys beeld kwam me als een delirium voor, vol knarsende materie. Slechts één troostend element: meccano-henkie en de half opgehesen pispot.
 
2
 
Kennelijk bestaat de menselijkheid nog in al dit violent mechanisch dromen, dacht ik, hier wordt onbezorgd genavigeerd op de Pispotzee.
 
Zou Swift eigenlijk niets hebben met natuurlijke behoeften in zijn werk?
‘Heb je zelf soms iets met natuurlijke behoeften?’
‘Ja!uv Altijd dol geweest op kak, stront en pies. Heerlijk. Hoe viezer hoe beter, en als er nog ergens iets sexueels bij zit, dan gaan mijn oortjes helemaal gloeien.’
 
Een essay over de lichamelijke en geestelijke eigenaardigheden in het oeuvre van Jonathan Swift – waar zou zo’n stuk naar toe willen?
In het medische vaktijdschrift de Lancet schreef een dokter een paar jaar geleden dat de Yahoos in Book IV van Gulliver’s Travels vroege lijders zijn aan wat de moderne medische wetenschappen Voetbal Fan Syndroom noemen. Die kant wil ik dus niet op. Te plat, mag iets dieper. Als je geen poëzie vindt in het dagelijkse ordinaire, wordt het leven moeilijk.
Ik begon dus. Door toeval en willekeur gedrevenv kwam ik op Internetvi met Freud in aanraking, een kleine, parelende voetnoot uit Das Unbehagen in der Kultur (1930). In die noot oppert Freud een hypothese over de beheersing van het vuur door de beginne-mens. Psycho-analytisch materiaal suggereerde volgens hem dat de vroegste mens, zodra hij in contact kwam met vuur, de gewoonte had dit uit te pissenvi. Door het doven van de vlammen met een fikse straal zou een kinderlijke behoefte worden bevredigd. Meteen hierop verliest Freud zich een regel lang in potentiegedachten en homosexuele competitie, op de hem eigen, vermoeiende manier. Maar dan komt toch dat kleine theorietje: de enorme culturele sprong in verband met vuur werd gemaakt door de eerste man die, staande bij de vlammen, zijn spuitgasteninstinctvii bedwong en de gulp dichthield.
 
Freud noemt terloops twee literaire reuzen in deze voetnoot: Gargantua van Rabelais en Swifts Gulliver. De ene lijkt passender dan de andere. Gargantua mag dan staande op de Nôtre Dame een hele menigte met een stortvloed van urine doen wegspoelen, van brand is bij Rabelais geen sprake. Gulliver echter schrikt tijdens een van zijn Lilliputse nachten wakker van ophef en geschreeuw: de vertrekken van de keizerin staan in de fik. Gulliver schiet te hulp. Aanvankelijk denkt hij niet aan uitpissen van de vlammen. In die zin vertegenwoordigt Gulliver niet Freuds primitieve mens. Hij helpt eerst vingerhoedjes met bluswater door te geven, denkt vervolgens aan het doven van het vuur met zijn jas, maar die blijkt hij te hebben thuisgelaten. Het is tenslotte de natuur die Gulliver op een gedachte brengt: ‘Ik had het heel warm gekregen door zo vlak bij de vlammen te komen en zo te zwoegen om ze te doven, en het gevolg was dat de wijn op mijn blaas begon te werken.’
 
3
 
De avond tevoren had Gulliver zich uitbundig tegoed gedaan aan glimigrim, een wijn die zeer afdrijvend werkt. ‘Een gelukkig toeval wilde, dat ik mij daarna nog in het geheel niet had ontledigd. Ik ging urineren, en wel in zulk een mate en zo goed gemikt op de plaatsen waar er behoefte aan was, dat de brand in drie minuten tijds volkomen geblust was.’
Zulk een mate, zo goed gemikt. Een krachtige straal voorwaar, geen druppelaar op leeftijd, onze Gulliver. We wensen hem geluk met blaas-inhoud, prostaat en mannelijkheid, een combinatie waar de keizerin intussen minder blij mee isviii. Vol afschuw verbiedt ze de vertrekken te restaureren, wil er geen voet meer zetten en zweert wraak op de koene blusser. Stank voor dank – Gulliver besluit Lilliput meteen te verlaten.
 
Via Freud kwamen we bij de vroegste mens, oerbehoeften. Het uitpissen van vuur door Gulliver is beslist niet de enige drift die we bij Swift vinden. Ik geloof eerlijk gezegd dat onze geestelijke, die zich niet fysiek met vrouwen zei in te willen laten (en dit misschien ook wel niet deed), zich in Gullivers reizen en zijn ander werk heeft begeven in de buitengebieden van de sexuele fantasie. Sommigen hebben dat eerder begrepen dan ik. Zo vond ik op www.salon.comix de getuigenis van een macrofiel – de liefhebber van de waarlijk groten onder het vrouwelijk geslacht. Zekere Dave had zijn sexueel ontwaken aan Gullivers reizen te danken, vertelde hij. Hij was opgewonden geraakt door de passage waarin Gulliver intiem raakt met een van de reuzinnen in Brobdingnag, Glumdalclitch geheten. Sindsdien was Dave van reuzinnen blijven dromen.x
Dave is de enige niet. Katherine Gates wijdt in haar Deviant Desires. Incredibly Strange Sex (2000) een heel hoofdstuk aan deze vrolijke uithoek van de seksuele belevingswereld. Ik geloof niet dat het Gates’ bedoeling is de macrofilie in historische context te plaatsen, ze laat het bij vermelding van folklore (Klein Duimpje), Oude Grieken (het 9 meter hoge Athene-beeld in het Parthenon), Gullivers reizen wordt uiteraard genoemdxi. Niet in de laatste plaats omdat naast benamingen als macrogynofielen en giantessofielen ook gulliverianen als naam opduikt. Katherine Gates meent dat ondanks oude wortels, de macromanie toch vooral vanaf de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw tot een hoogtepunt kwam. Afgezien van de op snel resultaat gerichte bevredigingsliteratuur een hoop films, vaak in de science fictionsfeer om alle uitzetten en krimpen te kunnen verklaren: The Incredible Shrinking Man (1957), Attack of the 50 Ft. Woman (1958) en de recente rolprent Attack of the 60 Foot Centerfold (1995)xii, met het nadrukkelijke advies rent, but don’t buy.
 
Wat stelt een gulliverian zich voor? Het vrouwenlichaam als continent, geschapen voor heldhaftige ontdekkingsreizigers.
 
In de bundel Deftige en ondeftige Luimen mijner Muze van zekere Joseph, verschenen te Batavia in 1868 vinden we het gedicht ‘Voor natuuronderzoekers’, een leerdicht ter verklaring van het kleuronderscheid tussen platluis en vlo. In dichterlijke termen beschrijft Joseph de tocht van beide diertjes door de heupstreek van een menstruerende vrouw.
‘Ondeftig’, bepaald.
Beide reizigers stuiten op hun tocht ‘door een land, waarvan de naam nergens staat beschreven’ op een meer dat lang is, maar heel smal. Men vond er aan den noorderwal een heuvel staan met struiken,/ en in ‘t meer een drabbig nat,/ dat geen genoeglijk aanzien had,/ tot drank niet te gebruiken. De platluis wandelt om dit meer heen, krijgt alleen natte voeten en wordt gelaarsd gelijk Caligula. De vlo springt, maar niet ver genoegxiii.
Natuurlijk zijn platluis noch vlo de homunculus zoals de gulliveriaan zich het liefst voorstelt, maar het wandelgebied voldoet aan alle voorwaarden.
 
4

André Masson Paysage Érotique (1939)

 
De ideale tocht van de gigantomaan vinden we eerder in het volgende citaat, waarin de stoutmoedige held Edesad zich terugvindt aan het eind van een cul-de-sac, voor een verticale rij knopen, zo groot als de schilden van een reuzenschildpad. Met zijn zwaard hakt hij het garen los, waarna de knopen ene voor een op de grond vallen.
Toen de zijden geer zich opende, zag hij een struikgewas zo dicht, dat het wel tien Schone Slaapsters had kunnen beschermen: een ware wal van haren, allemaal nauw verstrengeld als de wortels van een mangrove. Er zat niets anders op dan zich al kappend een weg te banen, en zonder kompas of kaart voort te gaan, in de blinde hoop de binnenlanden te bereiken.
Langzaam werkt hij zich door het struweel, tot hij een kloof bereikt en zich voorzichtig naar binnen beweegt.
Toen hij de helse kleuren van dit oord aanschouwde, de verschillende tinten roze en paars, karmozijn en karmijn, meende hij dat hij door de mond van de Hel zelve was verzwolgen.
Even komt Edesad in gevaar te verkeren. Het landschap siddert alsof God een niesbui heeft, de wanden van de kloof knijpen de minuscule held bijna tot moes – als een doodgewone vlo – maar gedreven door zijn missie overleeft de koene Edesad dit natuurgeweld. Een hoge missie inderdaad.
Zijn eerzucht begon zich te roeren en richtte zijn lid op. Hij trok snel zijn kniebroek open en, zijn buit naar buiten brengende, bewerkte hij deze als een slagroomkloppende kok, want ofschoon festina lente in dergelijke intieme aangelegenheden het meest verstandige devies is, dacht hij louter aan het doel, niet aan de middelen. Andere avonturiers mogen hun steenstapels oprichten en hun vlaggen van bedwongen bergpieken laten wapperen. Edesads enige oogmerk was om zijn spoor in de annalen na te laten. En dus werd de zaak met gezwinde spoed afgewerkt en glibberde de kleine held in de richting van een straaltje licht dat de uitgang aangaf, waar hij kaal en verfrommeld als een pasgeborenexiv uit tevoorschijn kwam. Zijn pruik was weg, zijn vest doorweekt en zijn gele muilen betreurenswaardig bezoedeld, doch in zijn hart voelde hij zich reusachtig.
 
Ik onthul zodadelijk de herkomst van dit citaat, maar er was sprake van ‘de mond van de Hel zelve’. Angst en verlangen liggen dicht bij elkaar als het om de fantasieën van de gulliveriaan gaat, als ze worden vormgegeven door klassiek geworden kunstenaars, of door minder begaafde collage-artiesten.
 
5
 
6
 
7

Drie artist-impressions, van gulliverianse websites geplukt

xv.
 
8
 
9
 
10

Alfred Kubin ‘De dodelijke duik’ (1902) en twee elkaar aanvullende versies van zijn ‘De weg naar de Hel’ (ca. 1900)

 
Ik noemde eerder de titels van een aantal gulliveriaanse films, twee daarvan beginnen met Attack of. Angst en verlangen nogmaals. Om te verdwijnen, om te worden vermorzeld, in pijn, in lust, door je (letterlijk) Grote Liefde. Lijders aan gigantomanie vertonen dan ook niet zelden de trekken van de crushfreak. Soms heeft de crushfreak genoeg aan een dreigende zool, het kan gebeuren dat het plaatsvervangende geluid van een knappend torrenschild onder een stilettohak volstaat om tot een hoogtepunt te geraken. De volledigheid van de encyclopedist dwingt me hier tenslotte te vermelden dat er óók andere varianten denkbaar zijn.
 
11
 
12

Oosterse verbeelding van gulliverianisme: de crushfreak en de delugiaan.

 
Terug naar de herkomst van de gezwind afgeronde bevlekkingstocht, die de onversaagde Edesad ondernam in het landschap van een vrouw. Een naam heeft deze vrouw ook, zij heet Mary en is de hoofdpersoon in Alison Fells De vrouw van Lilliput. Een omreis, behelzende de omzwervingen van Mary Gulliver in Lilliput, Batavia en de Spechy-Archipel, waarbij zij haar geluk najaagt en vindt (1999)xvi. Een briljant boek, waarin de stijl van Swift wordt gepasticheerd in een uiterst oorspronkelijk, vrouwelijk vervolg op Gullivers reizen.
Misschien zou ik de Mary-reizen van Fell hier moeten samenvatten. Veel zin heb ik er niet in. Ik hoop dat het citaat dat ik gaf tot lezen aanzet en wil er nog bij vertellen dat na het avontuur van Edesad door het Lilliputse volk een bevredigingsmachine voor Mary de reuzenvrouw wordt geconstrueerd – met succes: ‘haar aangezicht glansde vreedzaam, haar boezem bloosde van welbehagen’. Maar er gebeurt in Fells De vrouw van Lilliput zeer veel dat niet in het engere kader van uitzonderlijke vormen van drift en natuurlijke behoeften past, en dus niet in dit essay.
Eén zorgwekkend visioen echter mag ik niet vergeten. Net als eerder haar echtgenoot, wordt ook Mary door de Lilliputters vastgebonden.
Nu zij aldus neerlag, kon ze zichzelf slechts zien als het werktuig van onuitsprekelijke rampen. Indien de Heer Gulliver, met de beste bedoelingen, het Paleis van de Keizerin met zijn urinelozing had doen overstromen, welk een lawine van afval zou zijn gade dan niet loslaten op de hoofdstad, en met welk een stortvloed aan bloed deze tijdens haar maandstonden doen onderlopen?
 
Hiermee keren we terug naar de openingsscene van dit stuk: Gulliver pist de brand uit, op basis van een door Freud geformuleerde oerbehoefte. Fell opperde in De vrouw van Lilliput een vrouwelijke variant, maar zij is de enige niet. Zo is er de strip Gullivera, niet de moeite waard om lang bij stil te staan, maar larmoyant slecht getekend is een en ander beslist niet. En het zegt op zijn minst iets over de invloed van Swifts Gulliver op de reusachtige lustbeleving. Ik geef hier slechts twee gevarieerde sleutelscenes uit het oorspronkelijke verhaal: het uitpissen van de brand, en de parade van de Lilliputse strijdkrachten tussen de Colossusbenen van Gulliver heen.
 
13
 
14
 
15

Twee scenes uit Gullivera, rechts Gavarni’s Lilliputse leger marcheert tussen Gullivers benen door (1862).

 
***
 
Zover was ik gevorderd, toen ik bij de Albert Heijn opnieuw de Rasterredacteur ontmoette.
‘En?’
‘Ik weet het niet. Het waaiert uit. Ik krijg langzamerhand het gevoel dat Gullivers reizen alleen maar wordt bevolkt door vreemdsoortige lustbelevers. Een soort bos, waarin achter elke boom weer een andere uitzonderlijke gek in genotscrisis verkeert.’
De redacteur suggereerde dat ik misschien beter even kon stoppen.
‘Je moet natuurlijk niet te ver van huis raken. De weg terug is altijd precies zo lang. Vergeet dat niet.’
Hij had gelijk. Terwijl ik in de rij voor de kassa stond voelde ik hoezeer het zwerk in mijn hoofd was gaan zwermen van spuitende en vloeiende zweeffiguren, vlogroot of gigantisch. Ik stond er bij als de dromende polytechnicus van Heinrich Kley en verlangde naar de onverstoorbaarheid van de pispot takelende meccano-henkie. Ik vroeg me af waarom ik in Godsnaam deze kant van Swift moest nemen, de driftkant.
Ik voelde een hand op mijn schouder.
‘Wat ik je nog zeggen wou,’ zei W-m. ‘Je hebt dit onderwerp vast niet voor niets gekozen. Denk daar maar eens over na.’
 
Zo gezegd, zo gedaan. Ik ploeterde verder aan dit stuk, een hele dag. Die avond lag een boek op de deurmat, mijn eigen roman Hudigers Hooglied, met een briefje van W-m.
‘Lees de aangestreepte regels zelf maar. Ik hoor het wel.’
In betreffende passage liggen Hudiger en echtgenote in bed. Hij verklaart haar weer eens de liefde.
‘In jou wil ik verdwijnen.’
Gestameld had hij, gemompeld. Rosa had het niet verstaan, maar gelachen om de ontreddering in zijn ogen. Hij had ook gelachen, verlegen. Nooit, bij geen andere vrouw had hij zoiets gevoeld. Het was niet in hem opgekomen. Hij zag de zaak letterlijk, fysiek. Niks spirituele oefeningen, geen uittreding, zielsverening of ander geestelijk wonderwerk. Elke keer als hij intrad bij zijn vrouw, als hij uitvloeide, wilde hij verder, dieper, met alles, met huid en haar.
 
Regels uit een boek van 1999, toen ik Swifts Gulliver nog nooit had gelezen. Kennelijk leeft in mij iets dat Swift ook kende, en Dave, en Fell, Masson en al die anderen.
 
***
 
We weten wie de geliefdes van Jonathan Swift waren. Hij noemde ze Vanessa en Stella, en vond ze van zijn formaat. In deze context is het belangrijk dat te zeggen. Helemaal zeker ben ik er intussen niet van. Ja, in het gebied waar het lichamelijke geen rol speelt, dáár kon hij ze wel een paar hoeken van de kamer laten zien. Niet allemaal, maar veel. Hij wist wat hij kon denk ik, literair gezien. Voor zover ik heb begrepen, heeft hij de dames nooit gezien. Als dit onjuist is – ik kan me toch niet voorstellen dat Swift durfde toe te tasten, eenmaal in dezelfde ruimte als zijn geliefden. Te preuts, te zeer een deken, vergeestelijkt, verliteratuurd. Te bang.
Misschien zou ik toch de biografie eens moeten lezen, die mij warm werd aanbevolen. Of Carol Houlihan Flynns The Body in Swift and Defoe (1990), heus ik heb het in de boekenkast. Ik heb er in gebladerd en er met potlood in gestreept. Natuurlijk bij de Pythagoras-passsagexvii – Swift die alles las en alles wist en in zijn gedicht Strephon and Chloë (1731) over vrouwen schreef:
 
Keep them to wholesome Food confin’d,
Nor let them taste what causes Wind;
(‘Tis this the Sage of Santos means,
Forbidding his Disciples Beans).

 
Swift noemt Pythagoras hier niet voor niets, aangezien de filosoof van Samos berucht is geworden om zijn bijna manische purificatiezucht van het fysiek. Vooral als het om vrouwen gaat vinden we in het werk van Swift eenzelfde zucht, op zijn minst een genadeloos observatievermogen als het om ontluisterende viezigheid gaatxviii. Zweetluchtjes bij voorbeeld. We hoeven er Gullivers reizen maar op na te slaan. Gulliver is op het peninsulaire Brobdingnag doorgedrongen tot de kamer van de reuzin Glumdalclitch, waar hij als een avant-la-lettre Ken (de mannelijke tegenvoeter van Barbie) wordt behandeld.
Menigmaal kleedde ze me compleet uit van top tot teen en legde me zo lang als ik was tussen haar borsten, hetgeen ik bijzonder weerzinwekkend vond. Want, om de waarheid te zeggen, haar huid geurde alleronaangenaamst.
Zou het daarbij zijn gebleven? Je stelt je onwillekeurig andere dingen voor, en natuurlijk zijn ook die dingen door levendige fantasten in beeld gebracht – zoek maar op het Internet.
 
16
 
Gulliver echter houdt bij Swift zijn lagere extremiteiten droog. De driften worden bij hem in een corset van taal gebonden. De hofdametjes, vertelt Swift, zetten Gulliver soms op een toilettafel, waar hij als speelgoedvoyeur getuige wordt gemaakt van hun ontkleden.
Dit was volstrekt geen verleidelijke aanblik voor mij, en wekte geen andere gevoelens op dan afschuw en walging. Want haar huid zag er, van zo dichtbij bekeken, heel grof en ongelijk en bontgekleurd uit, met moedervlekken als borden zo groot, waar haren uithingen zo dik als pakgaren, om over de rest maar te zwijgen. Ook zagen zij er volstrekt geen been in om zich, waar ik bij was, te ontledigen van wat ze gedronken hadden – bij hoeveelheden van minstens twee okshoofden tegelijk – in een vaatwerk dat wel meer dan drie ton kon bevatten.
Allemachtig!
 
Intussen herlees ik een passage die toch ruimte biedt voor Gulliver-manipulatie zoals de Internet-collage vertoont.
De knapste van de hofdametjes, een guitige dartele meid van zestien jaar, zette me soms schrijlings op een van haar tepels en haalde nog veel andere kunstjes met mij uit, waarvan de lezer mij het uitvoerige relaas wel zal willen schenken.
Ik denk bij dat ‘uitvoerige relaas’ aan Dave, de gulliveriaan die zijn specialistische, warmbloedige behoeften aan Swift ontleende. Zoals ik bij de ontledigingspassage de Japanse delugiaan voor ogen krijg, eerder in dit stuk in beeld gebracht. Swift biedt inderdaad een startbaan voor het straalvliegtuig van hun dromen over een waarlijk Grote liefde.
 
En dan toch opnieuw dat zelfbewaringscorsetxix van Swifts taal, ook in ander werk dan Gullivers reizen. In het al genoemde gedicht Strephon and Chloë knallen de winden alsof het oorlog is, en ontvlieden er levendige klaterstromen aan een omneveld brongebied. Niet minder antipropaganda voor de onbekommerde samenleving met een vrouw in het kortere The Lady’s Dressing Room (1730)xx. Hierin neust de protagonist – die wederom Strephon heet, de naam van de prototypische Renaissance-minnaar – rond in het boudoir van zijn afwezige geliefde Celia. Hij snuift de lucht op van gebruikte zakdoeken en gemakspapier, en van een nog niet door het huispersoneel weggehaalde kakstoel. En dan de geurloze maar niet minder ontluisterende huidschilfers, sporen van roos, vette haren in de kam, dat werk. Strephon vindt een kwattenbakje – for here she spits, and here she spewsxxi. Hij drukt zijn neus in een handdoek: Oh! It turned poor Strephons bowelsxxii/ when he beheld and smelt the towels,/ Begummedxxiii, besmattered, and beslimed/ With dirt, and sweat, and ear-wax grimedxxiv.
En zo voort, en zo verder.
Swift schept er – als ik mij niet vergis zijn hele carrière lang – genoegen in het totale buitenwerk van de vrouwelijke verschijning, de bloeiende bloem in de moestuin die mannenwereld heet, te defloreren met uiteenzettingen als deze. De drift waarmee hij dat doet, de hardnekkigheid – hier en daar voel je haat – doet sterk denken aan de drift van het onderlijf, ook al is dat lijf in dit geval een anti-lichaam.
 
Er zijn literatuurbeschouwers, ik vermoed dat zij Roland Barthes’ essays over Sade, Loyola en Fournier goed hebben gelezen, die Swifts antifeminine tirades afdoen als oefeningen in de taal, als linguïstische excercities in het grensgebied van het mogelijke en onmogelijke. Ik geloof er geen barst van. Swifts eigen draai aan het eind van The Lady’s Dressing Room, een verschoning voor alle ontluisterende aandacht voor de vrouw, komt evenmin overtuigend over. Strephon heeft het deksel gelicht van het kamergemak en komt tot de verlammende constatering Oh! Celia, Celia, Celia shits! Dan laat Swift hem vragen: Should I the Queen of Love refuse/ Because she rose from stinking oozexxv? De dichter geeft meteen antwoord op deze vraag. Nee, dat hoeft niet. Strephon moet alleen zijn neus buiten werking stellen, gewoon ‘aan iets anders ruiken’ zoals je gewoon aan iets anders denkt. If Strephon would but stop his nose/ He soon would learn to think like me/ And bless his ravished sight to see/ Such order from confusion sprung,/ Such gaudyxxvi tulips raised from dungxxvii.
Maar kunnen wij dat? Natuurlijk kunnen wij dat niet. Swift heeft het ons afdoende tegengemaakt.
 
Eén mogelijkheid moeten we op zijn minst nog overwegen, in de geest van het briefje dat Napoleon op de terugreis van een van zijn veldslagen vooruit liet sturen aan zijn echtgenote:
Ne te lave pas, j ‘arrive!xxviii
In stand gelaten lijflucht als afrodisiacum: Napoleon is heus de enige niet. Een verder zeer propere Zweedse vriend vertelde me eens dat hij een vrouw naar zijn vertrekken had meegetroond, omdat hij opgewonden was geraakt van haar zweet, naast wat hij uit andere wasemgebieden zei te ruiken.
‘Ik dacht dat ze even naar de wc was gegaan. Komt ze terug in een mengwolk van 4711 met de grondwetszeep der schaamte van de firma Palmolive. Over was mijn geilheid, en wel meteen.’
Zou Swift iets dergelijks bedoelen? Nee toch zeker?
 
Je vraagt je af hoe een vrouw een gedicht als The Lady’s Dressing Room zou lezen. Er is op zijn minstxxix één die dat heeft gedaan – Lady Mary Wortley Montagu (1689-1762).
Om met haar laatste woorden te beginnen, uitgesproken op haar sterfbed: It has all been most interesting. Een goede samenvatting van haar turbulente bestaan. Never a dull moment indeed. Mary Montagu’s leven biedt stof te over voor een biopic-speelfilm. Liefde, haat, reizen tot in Turkije, ‘hard als een spijker’ wordt ze genoemd, geestig, briljant, belezen. Strijdbaar ook, voor de rechten van de vrouw (ze was lid van de proto-feministische Kit Cat Club), voor de invoering van de inenting tegen waterpokken. Voor dat laatste had ze persoonlijke redenen. In 1713 werd ze zelf door deze ziekte bezocht, die haar achterliet met een huid vol diepe putten. Dat ze er desondanks een heftig liefdesleven op nahield, zegt misschien iets over haar geestkracht. Alexander Pope werd verliefd op haar, maar ze nam een ander: hij zou haar een leven achtervolgen met hatelijke invectieven. Montagu publiceerde brieven en poëzie. Waaronder een gedicht dat haar spijkerharde imago bevestigde: The Reasons that Inducedxxx Dr. S. to write a Poem call’d A Lady’s Dressing Room (1732-4).
 
Ik hou niet van psychologiseren, maar het is moeilijk aan te nemen dat Montagu’s Kit Cat-verleden, alsmede de natuur die haar schone schijn had aangetast, géén rol heeft gespeeld bij de vorming van het vitriool waarin ze haar pen doopte voor de Reasons et cetera, een geestig, vernietigend poëem. Swift wordt voorgesteld als een ijdeltuit met gouden snuifdoos en een opzichtige diamanten ring, terwijl hij op weg is naar de hoeren. Voor twee keer twee pond mag hij Jenny naar haar kamer volgen, zij bergt het geld weg en is klaar voor the Doctor’s warm Embrace. Dan volgt (morals Stare me in the Face/ And for the sake of fine Expression) een uitweiding, die tegelijkertijd de spanning opvoert: hoe zal S[wift] het er vanaf brengen? Dertig regels verder slaat Montagu toe. De Reverendxxxi Lover kijkt in Jenny’s ogen en naar haar gemoed, and trys-and trys. Machteloos en krachteloos, maar niet verbaal:
 
Provok’d the Priest to that degree
He swore, the Fault is not in me,
Your damn’d Close stoolxxxii so near my Nose,
Your Dirty Smockxxxiii, and Stinking Toes
Would make Hercules as tame
As any Beauxxxiv that you can name.

 
S. eist vervolgens zijn neukgeld terugxxxv, Jenny weigert, de deken roept dat hij dan wel eens even haar dressingroom zódanig zal beschrijven, dat geen man er nog een voet wil zetten. Maar Jenny laat zich niet uit het veld slaan:
 
She answer’d short, I’m glad you’l write
You’l furnish paper when I shite.

 
***
 
Impotentie, wraakpapier. Op zijn minst een korte samenvatting van Swifts aandrift voor A Lady’s Dressing Room, maar de juiste? Het laatste woord over Swift en alle natuurlijke en onnatuurlijke behoeften in zijn werk – de dingen waar hij in Gullivers reizen en een aantal van zijn gedichten over spreekt of luidruchtig zwijgt – komt misschien wel nooit. Het kan zijn dat het wordt behandeld in de biografie die mij werd aangeraden, maar die heb ik niet gelezen. Een samenvatting van Swifts psychologie vond ik wel in Wilhelm Lange-Eichbaums Genie, Irrsinn und Ruhm. Genie-Mythus und Pathografie des Genies (1927), een wonderbaarlijk boek, typerend voor de jaren dertig-psychologie: rigoreus in eruditie en in Urteilskraft.
Swift is volgens Lange-Eichbaum een ‘bionegatieve persoonlijkheid’, zowel fysiek als geestelijk. Verder rept hij van epilepsie, melancholie, gordelroos, Geisteskrankheit, apathie, linkszijdige apoplexie, paralytische veranderingen, misogynie, mysophobie, psychosexueller Infantilismus, een verdrongen homosexuele geaardheid, hypochondrische angsten. Swift war extrem reinlichxxxvi.
Tenslotte komt Lange-Eichbaum terecht bij de aantijgingen van Mary Montagu. Swift, zegt hij, vertoonde Mangelnder Mut zur Beziehung zu charaktervollen Frauen and vielleicht agressive Tendenzen bei Frauen vom Prostituierten-Typ. Die Behauptung der Impotenz ist jedoch nicht bewiesen.
 
Dit was de tweede keer dat ik ‘Allemachtig!’ riep. Volgde een diepe zucht. Was het langzaamaan niet mooi geweest?
 
***
 
Ik belde redacteur W-m.
‘Het is mooi geweest, ik heb de laatste punt gezet.’
Hij had anders net Picasso’s strandscene naar me opgestuurd, zei hij. Een pissende vrouw, in karaktervolle decompositie. Ik beloofde hem Picasso op te nemen.
 
17

Picasso, Pablo Pissing woman (1965)xxxvii

 
Wat hij nog wou vragen: hij had een boek door de brievenbus gedaan, had ik mij daar in herkend?
‘Dat boek heb ik zelf geschreven,’ zei ik. ‘Ik houd de zaken, feit en fictie, graag heel ver uit elkaar. Maar zoals Swift de boel beschrijft, zo bitter, naar, en kwetsend voor de vrouw, geef mij dan mijn eigen personage maar.’
 
Die avond draaide ik mijn essay uit. Eerste bladzij, Heinrich Kley, de dromer. Ik overwoog de wens te krimpen, aan boord te gaan van de stomer onderaan, over de Pispotzee op weg naar verre streken, waar Glumdalclitch et cetera.
Nee, dacht ik. Ik zit toch liever als meccano-henkie op de rand van ‘t bed. Laat anderen maar dromen.
 
i De herinneringen aan het buitengewone in leven, werken en ontdekkingen van Martinus Scriblerus zijn het resultaat van een satirisch groepsproject van John Arbutnot, Alexander Pope, Jonathan Swift, John Gay, Thomas Parnell en Robert Harley. Deze Herinneringen werden in 1743 voor het eerst uitgegeven, maar stammen uit het jaar 1714. Vertalingen in het Nederlands: 1754 en 1996. Bedoeling was na een eerste, biografische aanzet (dit zijn de Herinneringen) een aantal geschriften te publiceren onder het pseudoniem Martinus Scriblerus, te beginnen met De reizen van M. Scriblerus, bevattende zijn reis door de woestijnen van Nubië naar het hof van Ethiopië, zijn vriendschap met de Bisschop van Apamea en hun gezamenlijke reis op de rug van condors naar China, met een verslag van alle geheime religieuze doctrines en de verfijnde staatkunde van die rijken. Van de Scriblerus-reizen is het niet gekomen, deels omdat Swift zich gedwongen zag naar Ierland te verhuizen en het kontakt met de vrienden verminderde. Daar schreef hij, ongetwijfeld met de reiziger Scriblerus in het achterhoofd, Gullivers reizen. Ongetwijfeld, omdat we in de Herinneringen al enkele aantekeningen over Scriblerus’ reizen vinden: ‘U mag dus weten dat hij op zijn eerste reis door een storm in de rug naar de ontdekking van de overblijfselen van het antieke keizerrijk der Pygmeeën werd gevoerd. Dat op zijn tweede tocht hij even voorspoedig schipbreuk leed in het land van de Reuzen.’
Aan het slot van de Scriblerus-herinneringen worden een aantal ongepubliceerde stukken genoemd, die Scriblerus zou hebben geschreven maar niet gepubliceerd. Een van de opgesomde titels is interessant in het licht van dit essay: Het geval van Konigin Esther, met het hele proces van purificatie. We denken onmiddellijk aan Swifts fantasie als het om vrouwelijke opsmuk en versiering gaat, en (vooral) wat daaronder schuilgaat. De purificatie vinden we in Esther 2:12-13. ‘Alzoo werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen en met andere versierselen der vrouwen, daarmede kwam dan de jonge dochter tot den Koning.’
ii Was het www.jaffebros.com/lee/gulliver/index.html? Anders geeft Lee Jaffe wel links. Intoetsen van swift+poems op zoekmachine Google kan ook helpen.
iii www.images.google.com
iv Met dank aan A-d H-s, die zei: ‘Biecht dat nou gewoon maar eens op.’
v Het zoeken op Internet biedt enorme mogelijkheden. Méér dan de helft van het materiaal voor dit essay vond ik op het Web. Toeval en de niet altijd even duidelijke werking van een zoekmachine maakt het vrijwel onmogelijk een zoektocht te herhalen. Ik heb verzuimd aantekening te maken van alle sites die ik bezocht, terwijl dat toch aanbeveling verdient. Sommige lezers immers willen de dingen controleren.
vi Op http://www.queer-arts.org/archive/show1/old_forum het excerpt van een lezing door Jonathan Weinberg, getiteld ‘Urination and its Discontents’, waarin verband wordt gesuggereerd tussen Duchamps’ pisbak en Andy Warhols Piss Paintings (die hij als parodie op Jackson – Jack the Dripper – Pollock beschouwde). Pollocks wc-gewoontes zijn recentelijk belicht in de controversiële biografie: Steven Naifeh and Gregory White Smith’s Jackson Pollock: An American Saga. Waarin de anekdote dat Pollock, toen bij de onthulling van zijn in het huis van Peggy Guggenheim aangebrachte muurschildering bleek dat deze was afgekaderd om op de muur te kunnen passen, hij van pure woede voor het oog van Guggenheim, verzamelde vrienden en relaties het vuur in de haard uitpiste.
vi Op http://www.queer-arts.org/archive/show1/old_forum het excerpt van een lezing door Jonathan Weinberg, getiteld ‘Urination and its Discontents’, waarin verband wordt gesuggereerd tussen Duchamps’ pisbak en Andy Warhols Piss Paintings (die hij als parodie op Jackson – Jack the Dripper – Pollock beschouwde). Pollocks wc-gewoontes zijn recentelijk belicht in de controversiële biografie: Steven Naifeh and Gregory White Smith’s Jackson Pollock: An American Saga. Waarin de anekdote dat Pollock, toen bij de onthulling van zijn in het huis van Peggy Guggenheim aangebrachte muurschildering bleek dat deze was afgekaderd om op de muur te kunnen passen, hij van pure woede voor het oog van Guggenheim, verzamelde vrienden en relaties het vuur in de haard uitpiste.
vii Het zou kunnen dat Kurt Cobain en de zijnen Freud lazen, mogelijk zijn de leden van de groep Nirvana vertegenwoordigers van de vroegste mens. Frappant is toch dat de opnamen van hun Japan-tournee uit 1991 als bootlegs verschenen onder de titels Pissing in action en Fire Extinguisher.
viii Zie ook: David Cairns: ‘‘Pissing in the Gale of History‘; Contemporary Protestant Culture and the ’Ancient Curse’’, Et. Irl. XIII-2, 1988, 141-157
ix www.salon.com/health/sex/urge/1999/05/22/macrophilia
x Voor hen die Daves woorden niet au serieux menen te moeten nemen, zijn getuigenis is opgenomen in een serieus artikel van Jon Bowen in het webmagazine Health & Body van mei 1999.
xi Gates’ verwijzing naar Lewis Carolls Alice in Wonderland laat ik hier achterwege. Ik ken het boek niet, nooit gelezen. Vreemd, sommige mensen vragen dan ‘Heb je dat nóóit gelezen?’ Verwijtend bijna. Gisteren kreeg ik een brief van de uitgever van de Nederlandse vertalingen van Marcel Prousts A la recherche du temps perdu, men vroeg om een bijdrage aan een bundel getuigenissen van schrijvers en journalisten, waarom ze zo gefascineerd waren door deze romancyclus. Ik moest terugmailen dat ik het boek niet ken. Nooit gelezen. Tsja. In de vakantie aan zee las ik Oppianus’ Halieutica, over hoe je vissen vangt en kookt of bakt.
‘Geweldig boek, vindt U niet?’
‘…’
‘Wat! Niet gelezen? Hoe kan dat nou?’
xii Ik mag ook Attack of the 50 Ft. Woman niet vergeten, waarvan hier een filmposter uit mijn geboortejaar, 1956
18
xiii Is een vlo rood? Heeft een platluis rode pootjes? Deze vragen schenk ik Joseph.
xiv De omgekeerde richting die Edesad zojuist heeft afgelegd, of het verlangen in een vrouwengeslacht te verdwijnen, wordt wel unbirthing genoemd. Vergelijk ‘the uncreating word’ uit The Dunciad van Swifts vriend Alexander Pope.
xv Uiterst rechts: Unbirthing langs het spijsverteringskanaal, in de termen van de gulliveriaan vore geheten. Vgl. ook de term genital vore, waarbij de reis terug door het geboortekanaal wordt aangeduid.
xvi Ik citeerde uit de eminente vertaling van Harm Damsma en Niek Miedema. 9. In mijn roman Groente (1991) vertelt Prof. Dr. L. Cederström (gepromoveerd op het verslijmen van aardappels) aan een van de personages dat Pythagoras zijn bonenverbod niet op basis van flatusopwekkende werking uitvaardigde, noch vanwege het door Xenophilus geopperde, en door Aristoxenus nagepapagaaide, symbolische verband tussen bonen en kloten, maar op het doodsimpele feit dat de boon nog niet voldoende was doorgekweekt om zonder giftige bijeffecten te worden gegeten.
xvii Zie noot 1(slot).
xviii
19
xix Door Edmund Gosse in A History of Eighteenth Century Literature (1906) ‘a little masterpiece of a very nasty kind’ genoemd.
xx Ik heb een poging of twee gedaan om The Lady’s Dressing Room te vertalen, met de ijdele gedachte dat mij dat zou lukken. Helaas, het is te moeilijk. Poëzie zoals Swift die schrijft is voor de vertaalvirtuozen, zoals ook Alexander Pope’s briljante domheidsepos The Dunciad nog voor de gepokt en gemazelde vertaler een heldeninspanning vraagt. Daarbij geloof ik dat de oorspronkelijke tekst ook bij de Nederlandse lezer het effect oproept dat Swift voor ogen stond. De woorden die ik zelf niet kende, zocht ik in het woordenboek op.
xxi Bowels – darmen
xxii Begummed – kleverig
xxiii Grimed – bevuild
xxiv Ooze – drek
xxv Gaudy – schitterend, met een ondertoon in de sfeer van opschik en snuisterijen.
xxvi Dung – drek, stront.
xxvii Ne te lave pas, j’arrive! – Was je niet, ik kom eraan!
xxviii Op zijn minst ja. Er is immers ook Deborah Baker Wyrick, auteur van het buitengewoon erudiete, buitengewoon wetenschappelijke, buitengewoon irritante en onleesbare Jonathan Swift and the vested word (1988). Ik heb in dit boek even gezocht naar een voorbeeldzin om mijn weerzin tegen proza van dit type te illustreren, maar mijn weerzin is te groot. Ik aarzel om de volgende regel op te schrijven, maar doe het toch maar – kijken of het klopt.
Wyrick haalt Swift zodanig door de wringer van de betekenisleer dat je geen zin hebt om Wyrick te lezen (wat niet erg is) en ook niet om Swift te lezen (wat wel erg is), omdat ze je doodsbang heeft gemaakt iets bij Swift te missen.
Ik ben er nog niet uit, maar blijf nadenken.
xxix Induced – er toe brachten
xxx Reverend – eerwaarde
xxxi Close stool – kakstoel
xxxii Smock – arbeidskleed, werkjurk
xxxiii Beau – fatje, flikker
xxxiv In de Nederlandse zeesleperswereld is het no cure, no pay een bekend financieel principe.
xxxv Vandaar wellicht zijn belangstelling voor Pythagoras, zie boven.
xxxvi Ook te vinden in ‘Art History for Pissers’ op www.bunkhouse.com/pissart alsmede op www.eroticarte.com/galerias/voyeur/2 Je kunt je afvragen wat een essayist ertoe drijft een heel stuk lang te wijden aan poep-kak-en-pies bij Jonathan Swift. Het antwoord lijkt voor de hand te liggen.
‘Altijd een jongetje gebleven!’
Mooi. We kunnen rustig beweren dat ook Swift – Voltaire noemde hem ‘de Engelse Rabelais’ – altijd een jongetje is gebleven, net als de Franse Rabelais. Voltaire preciseert die vergelijking met Rabelais overigens nogal nadrukkelijk, en heeft als ik hem goed begrijp een voorkeur voor Swift. Beiden mogen priester zijn, Rabelais is de vrolijke, beurtelings giechelende en schuddebuikende dorpspastoor, terwijl Swift van beiden de delicate smaak vertegenwoordigt, de afgewogen keuze van vorm, motieven en stof. De verfijnde geestelijke, deken nota bene, geen zieleherder op het platteland.
Ik begrijp wel hoe Voltaire op deze gedachte komt.