Het pluralisme ontziet niets. Ook de toekomst is er niet tegen gevrijwaard. In alle natuurlijke talen is ze, alsof dat vanzelf spreekt, een singulare tan­tum, evenals het verleden en het heden, waarvan de meesten van ons nog steeds denken dat ze maar een keer voorkomen. Als we daarentegen den­ken aan wat ons te wachten staat, duizelt het ons. Het vermogen om wat er nog niet is onder het enkelvoud te rangschikken, hebben we verloren. In die zin hebben we niet te weinig toekomst voor ons, of zelfs helemaal geen, zoals het stoffige parool No future ons wil wijsmaken, maar te veel, dat wil zeggen: vele. De toekomst is als homogene voorstelling ondenk­baar geworden. Elke overweging die op haar betrekking heeft, splitst zich als een eindeloos vertakte boom van beslissingen en brengt een veelsoor­tigheid voort die we noch kunnen ontwijken, noch de baas kunnen wor­den.

Al deze mogelijke toekomsten concurreren met elkaar en stoten zich in het gedrang de ellebogen bont en blauw. Dat maakt ze stuk voor stuk min­der en tast hun waardigheid aan. Vermoedelijk heeft het veel betreurde verdwijnen van de utopie zijn grondslag in deze zelfrelativering van het mogelijke. Niet omdat ons niets meer te binnen zou schieten, maar omdat het aanbod van toekomstfantasma’s ons bevattingsvermogen te boven gaat komen ons de beschikbare ontwerpen, of het nu een eutopie of een metopie is, vrijblijvend, om niet te zeggen banaal voor.

De futurologie is de wetenschap van het koffiedik. De patronen en structuren die ze wil verklaren schrijft ze toe aan haar materiaal, om ze vervolgens daaruit te concluderen; op deze manier is Mars aan zijn kana­len gekomen en de maan aan haar gezicht. Dit psychedelisch proces kan steunen op een stilzwijgende overeenkomst met onze alledaagse projec­ties. Het is amusant om te zien hoe de mathematische term indruist tegen de psychoanalytische zonder dat er bij de betrokken disciplines een licht opgaat.

Het toekomstpluralisme behoort inmiddels bij de inrichting van de nor­maliteit. Iedereen die ‘een dag verder denkt’ – en wie zou dat bespaard blij­ven? – ontwikkelt onvermijdelijk hele reeksen scenario’s, die onderling niet alleen inconsistent zijn, maar elkaar wederzijds uitsluiten. Dezelfde mens die ervan overtuigd is dat er een wereldwijde catastrofe voor de deur staat, sluit, zonder met zijn ogen te knipperen, een levensverzekering af met een looptijd van dertig jaar. Het heen en weer pendelen tussen Waterman-tijdperk en Apocalyps, New Age en pensioenberekening, Nir­wana en beleggingsadviezen, is allang een massaal fenomeen geworden. Over de grovere scenario’s waarin het bijgeloof nestelt, kun je je gemak­kelijk vrolijk maken; maar ook bij mensen die zichzelf heel verstandig vinden, heeft de toekomst haar conjuncturen, waarvan de wisselvallighe­den rationeel waarschijnlijk moeilijk te verklaren zijn.

De nucleaire oorlog in Europa, enkele jaren geleden nog een obsessieve nachtmerrie, is zo goed als helemaal verdwenen uit de collectieve fantasie. In plaats daarvan wordt in talloze versies de ecologische ondergang be­zworen. Zo verschijnt het onvoorstelbare nog alleen als variant, het uit­sterven van de soort als vervangbaar speelmateriaal.

Ook de ‘visioenen’ van de ondergang gehoorzamen aan de gebruikscyclus van de media. Hun volledigheid is schijn; het definitieve karakter waar ze aanspraak op maken, laat ruimte voor andere, die net zo exclusief optreden: alles wordt totaal anders omdat de wereldeconomie eerstdaags ineenstort, omdat de kunstmatige intelligentie het subject vervangt, om­dat rampzalige epidemieën alle andere catastrofen overbodig maken, om­dat de genentechniek een eind maakt aan de mens, enzovoorts.

Maar ook het pessimisme is niet te vertrouwen. Niet alleen de maande­lijkse aflossingstermijn voor het eigen huis zorgt voor een stilzwijgend, maar hardnekkig voorbehoud. Dezelfde mondige burger die van de on­stuitbare vergiftiging van de aarde, van het smelten van de poolkappen, van de uitputting van alle bronnen overtuigd is, houdt tegelijk vast aan de ideologie van de technological fix en verwacht de verlossende uitvin­ding, het reddende serum, de goede truc, die alle energieproblemen eens en voor altijd zal oplossen.

De co-existentie van het onverenigbare heerst ook in kringen van ex­perts. Als pioniers van de moderne waarzeggerij kunnen de economen doorgaan. Sinds mensenheugenis presenteren ze de economie, volkomen ongehinderd door elke weerlegging door de realiteit, met een serieus ge­zicht hun horoscopen. De orthodoxe marxist berekent de datum waarop het kapitalisme definitief ineenstort, de onbetrouwbare beleggingsadvi­seur voorspelt in hoogglansprospectussen de volgende beurshausse. Beide treffen een goedgelovig publiek aan. Hun prognoses hebben slechts een ding gemeenschappelijk: de onwankelbare zekerheid waarmee ze naar vo­ren worden gebracht. Op dit punt is de Club van Rome het net zo eens met de kernenergielobby als de klimatoloog met de demograaf: ieder heeft de toekomst, zijn toekomst, voor zich in pacht.

De plaats op de wip wordt ingenomen door degeen voor wie deze in­spanningen bestemd zijn. De media stellen hem bloot aan een voortduren­de wisseling van ondergangs- en geruststellingsparolen en er blijft nauwe­lijks iets anders over dan te wennen aan het labiele evenwicht van paniek en apathie. De common sense, die gelooft in het zich erdoor slaan, wordt op den duur immuun tegen de handelingsinstructies, die zowel in positieve als in negatieve voorspellingen verborgen zijn. Wie een blik werpt op de toekomstscenario’s uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, zal moeten toe­geven dat het gezonde mensenverstand het er in zijn beperktheid niet slechter heeft afgebracht dan alle think tanks van deze wereld.

Het zijn dus behoorlijk concrete ervaringen die de bodem onder de ge­schiedfilosofie hebben weggenomen. De naïviteit van alle theorieën, die uiteindelijk alleen maar geseculariseerde versies van de heilsgeschiedenis zijn, is ook voor iemand die weinig weet te beginnen met het speculatieve denken, eclatant geworden. Om het even of ze optreden in ‘progressieve’ of in ‘conservatieve’ gedaante – hun zelfvertrouwen heeft zeer geleden, en men ziet het ze aan dat ze alleen nog maar hun eigen boedel beheren.

Op verrassende en gedenkwaardige wijze is het uitgerekend een bepaal­de fractie van de ‘harde’ wetenschappen die in deze situatie nieuwe voor­stellen moet doen, en wel juist doordat ze afscheid neemt van haar eigen traditie, de dogmatiek van de exacte berekening. Uit de thermodynamica, de evolutie- en systeemtheorie, maar ook uit de wiskunde en de theoreti­sche fysica zijn aanzetten voortgekomen, die misschien uit de oude impas­ses zouden kunnen leiden.

Het gaat daarbij om nieuwe paradigma’s van zelforganisatie, om dissipatieve structuren en niet-lineaire logica’s. Daarbij is tenminste één ding onomwonden gebleken: dat de evolutie van complexe systemen princi­pieel niet exact voorspeld kan worden. Hun verloop wordt door singuliere gebeurtenissen, vaak van grote onwaarschijnlijkheid, doorslaggevend beïnvloed. Zeer kleine inputs kunnen zeer grote ensembles laten ‘kante­len’, terwijl anderzijds enorme invloedsfactoren dynamisch opgevangen worden, zonder dat het tot oncontroleerbare turbulenties komt. Natuurlijk kun je dat ook eenvoudiger uitdrukken. Je zou kunnen beweren dat de wetenschap hard op weg is het toeval weer in zijn oude metafysische rechten te herstellen. Met een terugval in een voorwetenschappelijke be­gripswereld zou evenwel niets gewonnen zijn.

Interessanter is de vraag, of zulke nieuwe denkwijzen ook toe te passen zijn op maatschappelijke processen. Hun uitvinders houden zich in dit op­zicht op de achtergrond, vermoedelijk niet alleen omdat ze zich niet com­petent voelen, maar ook omdat ze terugschrikken voor de ideologische implicaties van zo’n toepassing. Ze hebben geen zin zich door de politiek te laten afmaken. Omgekeerd vinden sociologen en maatschappijcritici het sinds hun zegerijke polemiek tegen het sociaaldarwinisme, dus sinds honderd jaar, een uitgemaakte zaak dat van de natuurwetenschappen niets te leren valt. Dit voorbehoud is allang versterkt tot een links denkverbod. Pas de laatste tijd komt men voorzichtig dichter bij de vraag of over mogelijke homologieën tussen natuurkundige, biologische en sociale pro­cessen al mag worden nagedacht of niet.

Daarbij geeft juist de grondwet van de rijkste maatschappijen van te­genwoordig aanleiding tot zulke onderzoeken. Ze hebben afscheid geno­men van het idee dat alles te plannen is. Machtigen en machtelozen, enke­lingen en groepen streven nog steeds hun particuliere doelen na, maar de beweging van het geheel onttrekt zich aan hun bedoelingen, zelfs aan hun voorstellingsvermogen. Niemand zou op het idee komen een ‘vijfjaren­plan’ te bedenken om het dan te realiseren. Om nog maar te zwijgen van verderstrekkende doelen. Ook heeft men het opgegeven anderen, derden, bij voorbeeld de Derde Wereld, ontwikkelingsstrategieën à la Rostow aan te bieden of zelfs voor te schrijven. Daarmee is er een einde gekomen aan de eens zo populaire samenzweringsconcepten, die het historisch proces gestuurd zagen vanuit geheimzinnige almachtige centra, en het zoeken naar een subject van de geschiedenis, revolutionair danwel evolutionair, is vruchteloos gebleken.

Een instantie die ze centraal zou kunnen sturen, is in deze ‘geavanceer­de’ landen helemaal niet meer te bekennen; ja, je zou zelfs kunnen bewe­ren dat het hier om acephale maatschappijen gaat – dit zou de ironische herleving zijn van een toestand die de etnologen bij prehistorische volke­ren ontdekt zeggen te hebben. Natuurlijk betekent dit geenszins dat macht, rijkdom, kansen in zo’n ensemble gelijkmatiger of zelfs rechtvaar­dig verdeeld zouden zijn. Het wil alleen zeggen dat zich na de ontbinding van gevestigde, hiërarchisch geordende stands- en klassenverhoudingen, een instabiel, dynamisch vloeiend evenwicht vormt, dat zich voortdurend op goed geluk reproduceert en dat voortdurend verandert. Regeringen en partijen zijn in zo’n systeem allang opgehouden ‘de richtlijnen van de po­litiek te bepalen’ of zelfs, zoals in de oude fysiologische metaforen, als hoofd, brein, centraal zenuwstelsel van het geheel te fungeren; ze probe­ren in het gunstigste geval, om op de hoogte te blijven, een soort hormona­le sturing, om te verhinderen dat de turbulenties de omvang aannemen van een catastrofe. Zelfs deze taak schijnt te veel van hen te vragen. Waar ze proberen zich frontaal tegen de resultante van het ongeplande, sociale proces te verzetten, falen ze regelmatig: ‘dat is’, zoals de functionarissen dan plegen te zeggen, ‘politiek niet haalbaar’.

Maar niet alleen de overheid heeft aan doorzettingsvermogen verloren, ook de economische macht staat er ondanks, ja misschien dankzij haar hoge concentratie niet meer zoals eertijds, monolitisch en duurzaam bij. Bedrijfsmonumenten als Krupp, dynastieën als die van de spoorwegkoningen en van de grootindustriëlen doen ons denken aan fossielen uit de 19de eeuw. De multinationals van tegenwoordig lopen door niet te voor­ziene storingen, crises, inzakken van de conjunctuur, takeovers, verschui­vende eigendomsverhoudingen, plotselinge rooftochten, het gevaar fail­liet te gaan. Zoals het internationale kapitaal dagelijks in biljoenentrans­acties oncontroleerbaar om de aardbol wordt gestuurd, zoals de waarde van de valuta in een permanent electronisch experiment stochastisch wordt vastgesteld, zo is ook de economische macht, belichaamd in enor­me maar precaire bronnen, onderhevig aan een onbeheersbare floating, aan een snelle opeenvolging van voor- en achteruitgang, groei en verval.

In een dynamisch regime, dat in autokatalytische hypercyclussen voort­durend verandert, zijn echter ook zones van traagheid en van resistentie, die door politici en technocraten systematisch worden onderschat. We hebben in West-Duitsland en, misschien nog frappanter, in Spanje gezien, hoe maatschappijen in zeer korte tijd tot in hun blijkbaar onverbeterlijke trekken, tot in hun collectieve onbewustzijn toe (als zoiets al bestaat) ver­anderen; we hebben anderzijds meegemaakt hoe alle pogingen om hun veelsoortigheid te niet te doen, zijn mislukt. Ook de verandering heeft haar grenzen die zich onttrekken aan de berekenbaarheid. Zo stuiten bij voorbeeld projecten als de afschaffing van het brood of van het schrift op een moeilijk te verklaren, maar blijkbaar hardnekkig verzet; deelsyste­men als het zogenaamde gezin blijken, tegen alle verwachtingen in, uiterst resistent te zijn.

Deze wisselende verhouding tussen acceleratie en traagheid, condensa­tie en uithoudingsvermogen, maakt het geheel alleen nog ondoorzichti­ger. Het is denkbaar dat zulke ambivalenties het proces enkel gevoeliger maken voor beïnvloedende, kwantitatief onbeduidende factoren, die ech­ter op het pregnante moment en op de juiste plaats optreden. Het plotse­linge overschrijden van kritieke drempels speelt niet alleen in de ecologie, maar ook in de politiek een steeds belangrijkere rol. Daarmee komt ook een oud, pijnlijk onderwerp, waarvan de marxisten vonden dat het allang was afgehandeld, in een nieuw licht te staan: de ‘rol van de persoonlijk­heid in de geschiedenis’. Het opduiken van een Khomeini of een Pol Pot kan miljoenen mensen de kop kosten; wanneer een verlichte tsaar ver­schijnt, zijn de gevolgen niet te overzien; zou een gek het Witte Huis be­trekken, dan hoefden we ons over de toekomst van ons pensioensysteem niet meer lang het hoofd te breken; en wat er zou gebeuren als een geniale godsdienststichter zich meester zou maken van de media durven we ons niet voor te stellen. Ook voor iemand die de lust om hypothesen over de toekomst op te stellen nog niet verloren heeft, moet het duidelijk zijn dat ze allemaal en te allen tijde door een minimale factor x, die de bliksem­inslag teweegbrengt, verijdeld kunnen worden.

Over het einde van de geschiedfilosofie kunnen de meesten van ons zeker gemakkelijk heen komen. Dat betekent echter niet dat we zonder perspec­tieven voor het leven, strategieën, ‘plannen’ zouden kunnen. Het gevolg is dat de kloof tussen theoretisch begrip en praktijk van het leven steeds groter moet worden. Als hetgeen ik hier (tamelijk luchtig) heb proberen aan te duiden ook maar enigermate juist is, dan volgt daaruit een gedrag dat geen aanspraak meer kan maken op algemene verplichting: iedereen is erop aangewezen zijn vermoedens te volgen, en zelfs die staan onder een onuitgesproken voorbehoud: ik handel zo alsof ik onder de voortdu­rend oscillerende toekomsten mijn eigen toekomst zou kunnen vinden.

Op het gevaar af dat het met een bekentenis kan worden verwisseld (en bekentenissen zijn zoals bekend slechts interessant voor wie ze aflegt), zou ik zo’n vermoeden willen uiten. De alom gewenste en geroemde flexibili­teit, die allengs tot de rang van een sociale, kardinale deugd wordt verhe­ven, vind ik een slechte strategie. De pure sociaalautomaat, die altijd al­leen maar op tegenwoordige toestanden reageert, verliest niet enkel het laatste restje controle over zijn eigen lot, hij zal ook altijd te laat komen. De haas die hijgend achter de egel aanloopt, is zeker van diens hoon. Maar ook de omgekeerde oplossing deugt van dag tot dag minder. Wie denkt dat het er om gaat zich frontaal tegen het systeem te verzetten, als conser­vatieve of revolutionaire strijder, valt – als mijn beschrijving niet verkeerd is – ten prooi aan een illusie; want zo’n houding is slechts zinvol wanneer men over een objectief stringent toekomstperspectief beschikt (de ‘zin van de geschiedenis’ kent).

De vraag of het er op aan komt met de stroom mee of er tegen in te zwemmen, lijkt me verouderd omdat ze een onverdraaglijke vereenvoudi­ging veronderstelt. Vruchtbaarder lijkt me de methode van de zeiler, die zowel met de wind mee als ook er tegen in laveert. Zo’n handelwijze met betrekking tot de maatschappij vereist extreme oplettendheid en stoïcijns ongeloof. Wie ook maar het eerste het beste doel wil bereiken, moet zet voor zet met duizend onvoorziene factoren rekening houden en mag op geen daarvan vertrouwen.

Maar met tegenwoordigheid van geest alleen kom je er niet. Angst voor het anachronisme kan niemand zich permitteren die wil ontsnappen aan de idiotie van de gelijktijdigheid. Een zekere eigenzinnigheid, die afziet van laatste motiveringen, kan daarbij geen kwaad.