1.

Al zolang als Eva Porceleyn kan kijken, langer nog misschien, hangt er bij haar thuis aan de muur boven de keukentafel een kaart van de Verenigde Staten. De oostkust en de westkust zijn bobbelig en groezelig geworden van het aanwijzen. In de periode van Vertrouwen en Geluk, toen haar vader nog zo gloedvol kon vertellen, werd die bijna dagelijks bepoteld en besproken. Haar vader koos voor Florida, want zijn broer woonde daar; haar moeder voor Californië, omdat haar zus en zwager daar woonden. Zij had nog een extra troef in handen, want al in januari zevenenveertig, toen ze vanuit Indonesië naar Nederland vertrok, had het voor haar vastgestaan dat er een ‘tweede emigratie’ in het verschiet lag. Dit was haar duidelijk gemaakt in een voorspellende droom.
Eva is als enige van hun gezin in Nederland geboren, op de negende verjaardag van haar broer Rudi. In de periode van Vertrouwen en Geluk is het vertrek uit Indonesië zo vaak gememoreerd, dat ze het verhaal daarover woordelijk kan navertellen:
Hoe na het einde van de Tweede Wereldoorlog veel Indische gezinnen in de diaspora kwamen, ‘waaronder Frederik en Petronella Porceleyn-Kaptein met hun zoontje Rudolf,’ haar vader sprak die namen uit alsof ze stonden neergeschreven op een perkamenten rol; wat Eva ertoe bracht de woorden van haar vader te herroepen: ‘Maar hun echte namen zijn: Freek en Nellie en Rudi.’
Als het erover ging hoe heet de grond onder hun voeten was geworden, wist ze, nu komt: ‘Want de jonge republiek had vlam gevat en was in oorlog met het verre onbekende moederland.’
‘Het verre onbekende moederland is Nederland en Holland.’
‘Klopt als een bus, Eef. En nu je smoeltje dicht.’
De tocht over de Priokweg met links en rechts moerasgebied waaruit de vijand op kon duiken – de vijand dus, de vijand nu – eindigde in grenzeloze opluchting toen ze de driekleur op ‘De Oranje’ zagen wapperen, het snelle motorschip.
‘Kijk goed uit je doppen, jonkie,’ zei Nellie tegen Rudi bij het passeren van het laatste eiland van de archipel. ‘Kijk goed, je ziet dit nooit meer terug.’
Het commentaar van Freek: ‘Vertel dat joch geen onzin, Nel, we gaan alleen maar met verlof.’
‘Geen sprake van; als we terug gaan maken ze gehakt van ons.’
Ze kwamen aan tijdens de legendarisch strenge februarimaand van 1947. De Noordzeekust was bevroren en deed denken aan de plaatjes van de overwintering op Nova Zembla. ’nederland is tussenland,’ kondigde Nellie aan terwijl ze met behulp van ijsbrekers richting Amsterdamse haven gingen. ‘Let op mijn woorden, Freek, want als die stem in mij dit zegt, gebeurt het ook. Uiteindelijk gaan wij ons vestigen in het westen van Amerika, in het land van de zachte winters en de warme zomers; we gaan wonen in een streek met wijngaarden en sinaasappelbomen. Let op mijn woorden, lieveling: het beloofde land van Freek en Nellie Porceleyn-Kaptein heet Californië.’

2.

In afwachting van de vervulling van haar profetie, hield Nellie de familiebanden stevig vast: per brief, per postpakket, en ook – tot ergernis van Freek – per telefoon. Met Oma Kaptein belde ze een keer per twee weken. Oma woonde in bij Lot en Ton, haar zus en zwager; ze werd door die twee optimaal verzorgd, zelfs ‘schandelijk verwend’ zoals ze tot vervelens toe benadrukte in haar langdradige brieven. Maar ‘een moeder moet nu eenmaal moederen’ en ze miste haar dochter aan de andere kant van de grote oceaan.
‘Moederen? Ze tettert alleen over zichzelf,’ klaagde Freek.
‘We moeten zuinig op haar zijn,’ antwoordde Nellie. ‘Ze is de enige nog levende grootouder van onze kinderen.’
‘Laat haar zuinig op ons zijn, dat getetter met Amerika doet me pijn in mijn kontzak.’
Freek noemde haar de Gekko. De Gekko belde elke eerste zondag van de maand, en elke derde werd ze teruggebeld vanuit Den Haag.
‘Hoe gaat het, schat?’
‘Goed oma, en met u?’
De hoorn ging razend snel van hand tot hand. Met Rudi sprak ze over school en sport, met Eva of ze wel goed at.
‘Geef pa eens, schat.’
‘Hoe gaat het, moe? Nog last van uw aderen?’ (uw reuma, uw hoge bloeddruk, uw astma). Hij luisterde naar het antwoord zonder commentaar te geven en na een poosje zei hij: ‘Ik geef u door aan Nellie, moe, groeten voor Lot en The big Boss.’
De man van Lot was makelaar; over hem werd steeds gezegd dat hij heel goed was gaan boeren sinds hij zijn voornaam in Winston had veranderd. Freek mocht die Winston niet, want hij had Lot en oma op belrantsoen gezet.
‘Jij doet precies hetzelfde, Freek, wij krijgen vijf minuten, geen seconde meer.’ ‘Onzin, ik moet wel, bij hem is het schraapzucht.’
Het overgrote deel van de overeengekomen belminuten werd besteed aan het fysieke wel en wee van oma Gekko. Ze gebruikte, naast een aantal reguliere medicijnen voor haar reuma en haar astma, een grote hoeveelheid smeersels, watertjes en pillen tegen aandoeningen als etalagebenen, slechte dromen en eczeem. Enkele van deze middelen waren in de Verenigde Staten verboden, maar haar dochter in Den Haag speelde die haar toe per zeepostpakket – verstopt in de kruimige buik van een ontbijtkoek of omwikkeld met slierten veterdrop.
Oma was niet de enige voor wie Nellie zich het vuur uit de sloffen liep. Voor Lot en Ton verzamelde ze krantenknipsels, en kocht ze typisch Hollandse verwennerijen als drop en hagelslag. Dicky kreeg sigaren en jenever. In de suikerzoete maand december werden de familiebanden nog eens stevig aangetrokken met Sinterklaaspakketten en kerstkaarten, en op nieuwjaarsdag met extra lange overzeese telefoongesprekken.
Tot gauw. So long. Goodbye. Hopelijk tot ziens in Orlando of Los Angeles, zo niet het komende jaar, dan toch zeker in het jaar daarop.

3.

Ergens in haar achterhoofd loopt Eva over in een ander: ze heet Troela, Sproetje, juffrouw Klets, elke avond anders, want ze gaat op wereldreis met Frederik de Fantast; zo heet haar vader voor haar moeder als hij het te bont maakt. Hun vervoermiddel is het grote bureau in de achterkamer, waar hij zich na het warme eten terugtrekt om in alle rust te roken en te lezen; totdat zij bij hem komt aankloppen, een keer hard, drie keer kort; haar pyjama heeft ze dan al aan.
‘Wie is daar?’
‘Eva Porceleyn.’
Ze hoort gerommel en een piep; haar vader trekt de voetensteun vast voor haar uit, en draait zijn stoel een halve slag. ‘Kom maar binnen, juffrouw Vraagstaart.’
Hij zit klaar met zijn rug naar haar toe. Ze sjeest naar binnen en zit met één sprong op het bovenblad. Nu hebben ze allebei uitzicht op de boekenkast achter het bureau: zij met haar voeten in de voetenla, hij met de zijne op de derde plank van onderen. Die van hem heten Links en Rechts.
Links van Links staat de blikken koektrommel die hun gezin geluk moet brengen: een gedeukt en onopvallend ding; handig, want dan kijken de dieven er niet naar. Als het meezit – Eva moet hier met alle kracht die in haar is op vertrouwen – worden ze elke nacht, slapend, een beetje rijker van dat koekblik. Er worden zeldzame bloemenzaadjes in bewaard; plus een heleboel oude munten en oude bankbiljetten. Over niet al te lange tijd zal dat oude geld flink veel waard zijn, zoveel zelfs dat ze er vier kaartjes voor het vliegtuig van kunnen kopen. Dan gaan ze met zijn vieren emigreren: ze stappen in een toestel van de KLM en vliegen in een dag naar de oostkust of de westkust van Amerika, welke van twee is nu nog niet te zeggen, in elk geval gaan ze ergens wonen waar de aarde net zo warm en vruchtbaar is als in Indonesië: ‘Het land waar we vandaan komen,’ zegt haar vader steeds maar weer.
‘Behalve ik.’
‘Behalve jij, ja.’
Het koekblik mag beslist niet open. De zeldzame zaadjes verdragen geen verse lucht, dan gaan ze ontkiemen. En met dat oude geld moet je ook goed uitkijken, vooral met de bankbiljetten, die houden niet van lucht en nog minder van licht; het kan zelfs gebeuren dat ze meteen hun kleur verliezen als je het deksel openwrikt.
Is dat emigreren nou wel nodig?
Wat de zaden aangaat, het is zonneklaar wat ermee gaat gebeuren als ze met hun KLM toestel in Amerika zijn aangekomen: ze worden in de warme en vruchtbare aarde van de oostkust of de westkust geplant.
En dan?
Goed, er zullen wel prachtige bloemen uit groeien, maar wat als dat vleesetende bloemen zijn; wat als die naast insecten, winterkoninkjes en hagedissen ook mensentongen lusten?
‘Die kans is erg klein, Troela. Mensentongen? Hoe kom je nou op tongen?’
Ze wijst naar het platenboek over de tropen.
Hij pakt het en begint druk te praten. De meeste kinderen denken bij de tropen aan het oerwoud, en bij het oerwoud denken ze dan aan palmbomen, vleesetende planten, tijgers, apen, slangen, krokodillen. Nou ja, die verhalen kent iedereen, maar wat wel eens vergeten wordt is dat er in de zeeën, de rivieren en de meren rond de evenaar prachtige waterwezens leven: zeeanemonen met ragfijne tentakelkransen, ze hebben iets van chique dameshoedjes; zeepaardjes met kaarsrechte rugvinnen, net zwevende schaakstukken. En let eens op de overvloed aan wondermooie vissen: roodpaarse met lange, lichtgevende lijfjes, goudgele, met zilverige snorrendraden en gespikkelde sluierstaarten…
Ze onderbreekt hem. ‘En in het oerwoud heb je…’ Ze leunt opzij en bladert naar de vleesetende planten. Sommige zien eruit als ronde, wasachtige bekertjes, net marsepein, je zou er zo een hap van nemen. Maar nee, ze eten zelf.
‘Ja, Eef, je hebt gelijk, niet in happen dus. Kom, ik laat je eens wat plaatjes van de paradijstuin zien.’
Haar vader zet het boek over de tropen terug. Zijn hand schiet naar de afdeling sprookjesboeken, maar hij is te haastig en pakt het verkeerde. Het valt open bij de plaat van de reus die via een kronkelweg op weg is naar het land van melk en honing: grazige weiden in de verte, glinsterende beekjes, dorpjes neer gestrooid als hebbedingetjes.
‘Dit is een erg aardige reus, Eva. En hij eet geen mensenvlees.’
De reus heeft een afgebroken torenspits in zijn ene hand en in zijn andere een flinke knuppel. Hij kijkt verlekkerd naar het dal beneden hem; het is wel zeker dat hij dat koetje in de verte op zal eten.
‘Je hebt groot gelijk. Het doden en eten van dieren is niet goed te praten. Maar eerlijk is eerlijk, gewone mensen hebben hier ook een handje van. Waarom kijk je zo beteuterd, Sproet?’
De koe is zo op. Daarna begint hij aan de mensen in de dorpen. Ze moet dit wel denken.
‘Een koe is nog geen mens. Je hoeft niet bang te zijn voor reuzen, echt niet, Eva. Trouwens, ze zijn lang niet zo groot als iedereen denkt.’ Hij stoot haar aan en brengt zijn opgestoken duim dicht bij haar ogen. ‘Dit is een reus. Zie je hoe groot?’En daarna verder weg. ‘Zie je hoe klein? Niet veel groter dan Klein Duimpje.’
Van deze perspectiefwisseling fleurt ze op. Ze zegt: ‘Wat ook kan, is dat je reus en kabouter tegelijkertijd bent.’
‘Kan niet. Sorry Eva. Een van de twee. Of wacht.’
Haar vader verzinkt in gepeins. Het duurt even, maar dan komt hij met een prachtoplossing.
Het kan. Maar dan moet je wel een reus zijn die op zijn boomtakgrote vingers zijtakken van kleinere vingers laat groeien, en op die kleinere weer dunnere vingers, en op die dunnere vingers flinterdunne, enzovoort. Wie goed kijkt – maar dan moet je een vergrootglas hebben – ziet dat er doetterniettoediertjes op de allerdunste vingereindjes zitten: diertjes met oogjes, oortjes en voetjes. Die kun je in alle kieren laten kruipen, zelfs in de sleutelgaten van de huizen.
‘Zelfs in je eigen ziel,’ vult Eva aan.
‘Je ziel is onzichtbaar, toch?’
‘Bijna, hij is nog kleiner dan het puntje op de i van ik.’
‘Dat schrijf ik op,’ zegt Frederik de Fantast. ‘Anders vergeet ik het.’

Zo kwam het blauwe schrift met de spiraal in haar leven. ‘Goed letten op de moeilijke woorden, de gewone leer je toch wel. Ik help je.’ Haar vader plakte papiertjes op de zijrand van de blaadjes, zesentwintig ruitertjes van a tot en met z. Hij schreef met onzichtbare inkt. Ze doopte een kwastje in een glas azijnwater en toverde de woorden weer tevoorschijn.

 

Ze waren met de z van ziel begonnen. Het zat verborgen in een huisje met een puntdak. ‘Dit is het geheim van de smid,’ stond ernaast.

En bij de p stond paradijsfee.

4.

De paradijsfee kwam uit de sprookjesduim van Andersen, maar Frederik de Fantast had het verhaal naar zijn eigen hand gezet:

Waar het oosten in het westen overgaat

En het noorden in het zuiden

Wie wonen daar?

De windwachter en zijn vier zonen.

En dan vertelde hij verhalen over wat de windwachter die dag te horen had gekregen van de vier winden, die zijn zonen waren. Zijn lievelingszoon was Oostenwind. Het bijzondere van deze figuur zat hem niet in het vermogen in één nacht van het ene naar het andere eind van de aardbol te vliegen, want dat konden de andere drie winden ook. Maar Oostenwind vloog naar het paradijs – althans naar het gedeelte dat daar nog van over was – en daar woonde nu de paradijsfee.
Het paradijs bestond dus nog. In de buurt van China. De dieren en de mensen leefden er in vrede met elkaar. In de bomen hingen porseleinen klokjes en die klonken tjingtjang, tjingtjong, net als de stemmen van de Chinese kinderen.
De paradijsfee was verblindend mooi natuurlijk; en ze liep niet, nee, ze zweefde. Als je door de gekleurde ruiten in de vensters van haar prachtige paleis naar buiten keek zag je:
… alles wat er op de wereld was gebeurd, vanaf de eerste mensen tot op heden. Dat alles had De Tijd daar in het glas gebrand, alle mogelijke taferelen, in alle kleuren van de regenboog …
‘Kijk goed uit je doppen, Oostenwind,’ zei de paradijsfee. ‘Hier wordt het allemaal bewaard. Ook jouw eigen leven is hier te vinden. Alles wat jij ooit hebt meegemaakt, gezien, gedacht, gelezen en gehoord. Alles. Niets is verloren geraakt. Alleen maar eventjes vergeten, en zodra iemand er aandacht aan besteedt, komt alles weer tot leven.’
‘Staat morgen erin gebrand?’
‘Morgen niet, Eva, zo snel kan dat niet gemaakt worden. Maar gisteren en eergisteren zijn daar wel te vinden. En ook de allereerste dag van de allereerste mensen. Zou je die allereerste dag niet willen zien: de dag met Eva die de appel nog niet heeft gegeten?’
Wat kan haar het eten van die appel schelen. Ze vraagt: ‘En overmorgen?’
‘Overmorgen? Wat ben je weer aan het zeuren. Eerst wil je morgen zien, en nu overmorgen. Nou, kom eens hier, zeurpiet, kom eens met je handenboekje.’
Ze houdt hem de binnenkant van haar handen voor en hij leest wat er op de lijntjes staat te geschreven: ‘Eva Porceleyn gaat overmorgen naar de grote school.’
____________________________
Niets raakt verloren – aangepast bij deze Rasteruitgave – maakt deel uit van de roman De man van gas en licht, die in 2009 zal verschijnen bij uitgeverij De Bezige Bij. In 2004 verschenen de eerste drie titels in een nieuwe uitgave: De Franse tuin, verhalen en novellen.