Het was tomatenrood, niet veel meer dan een dertigtal centimeter groot, en ik hoorde mijn moeder vaak zeggen dat je het niet mocht laten vallen omdat het van ‘fonte’ was en dus kon breken. Fonte betekent gietijzer. Ik begreep niet dat ijzer kon breken als glas. Ik weet ook niet of het klopte, maar de mogelijke breekbaarheid van het rode molentje maakte dat ik het, onder haar keurende blik, omzichtig op de tafelrand zette, de schroef in verticale positie plaatste en het zorgvuldig vastschroefde. De groene berg lange, dikke bonen leek zo onoverkomelijk groot, dat ik me niet kon indenken dat hij helemaal door dat kleine molentje moest – de ovale opening, die achter aan het molentje gaapte, sperde geduldig haar ijzeren mond, een donkere vlek in het rood, net groot genoeg voor mijn onhandige vingers.

De eerste bonen duwde ik er telkens te omzichtig door, zodat de schilfers te klein waren, en dus ongeschikt. Ik had het gevoel dat het gat de bonen, en dus ook mijn duwende vingers, aanzoog; zodra ik de handeling te pakken kreeg, duwde ik dan weer te enthousiast, en plette ik sommige bonen, zodat mijn moeder het telkens weer even moest voordoen: niet zo, je moet net zo snel duwen als je aan het hendeltje draait. Wanneer ik er ten slotte in slaagde de twee handelingen op elkaar af te stemmen, kreeg de groeiende berg glad en schuin afgesneden schilfers iets droomachtigs; mijn moeder veegde ze met geregelde tussenpozen van de tafel in een kom, en wanneer ik door mijn voorraad heen was, nam ze een paar nieuwe grepen uit de ijzeren emmer aan haar voeten. De zaden die in de peulen zaten, werden in kleine witte stukken vermalen die in het groen oplichtten. Kijk zei mijn moeder, muizentandjes, zie je ze? Die gaan we straks zaaien, dan groeien er volgend jaar muisjes in de tuin.

Omdat ze me voortdurend waarschuwde mijn vingers niet in de opening mee te laten trekken met de sperziebonen, zag ik nu en dan in mijn verbeelding schilfers van mijn vingers tussen de bonen glijden. Als de hele voorraad door het molentje was gegaan, werden de bonen in azijn gelegd en ingemaakt in weckpotten.

‘s Winters, als de bonen in de pan werden gegoten en met uit en tomaat werden klaargemaakt, zag ik rode slierten als flinters van gemalen vingers tussen de bonen op mijn bord belanden en ik at geen hap.

Het molentje heb ik tientallen jaren niet gezien. Toen mijn moeder gestorven was en er wat werd opgeruimd, bleek het ergens in een hoge kast op de schemerige gang te hebben gelegen achter een oude broodtrommel, en toen ik het in de handen nam bleek het dan toch gebroken. Het was alsof het mijn dagen in schilfers had gemalen; het rook naar ijzer, kil en ondoorgrondelijk, niet naar de eindeloze zomerdagen, niet naar de dichte struiken waaraan de bonen zwaar hadden afgehangen, niet naar het heftige groen dat het eindeloos had vermalen, zodat het sap langs het tafelblad liep; niet naar de dagen, de jaren, niet naar de vluchtigheid van mijn moeders leven dat het had vermalen, alleen maar naar fonte, gietijzer naar het schijnt, en dode muizen of iets van dien aard. De breuk was korrelig en grijs, een donkere streep door het rood, hetzelfde onpeilbare donkergrijs dat ik ooit in de smalle opening had gezien, de kleur van nachten zonder herinnering.