Ooit heeft men eens gezegd dat de natie geen fiaker is waar je bij de vol­gende hoek uit kunt stappen als de rit je niet meer bevalt. Dat blijft juist, ook al zijn de verkeersmiddelen moderner geworden; tegenwoordig is de natie veeleer een supersneltrein die door een landschap raast waarvan niemand weet of daar überhaupt rails liggen. De modernisering van de vergelijking heeft het voordeel dat je daarmee de vrees kunt omschrijven die zich steeds meer bij het reisgezelschap in de trein uitbreidt, de vrees namelijk dat al sinds geruime tijd niemand meer in de locomotief zit.

Dus stellen we de vraag, wat is tegenwoordig een natie? – waarbij met het woord ‘tegenwoordig’ het tijdperk van de acefale systemen wordt be­doeld; daarin maakt men zich geleidelijk los van de fantasma’s van de centrale besturing. Hoe ik op deze vraag zal antwoorden, kunt u na de bo­venstaande dodenbezweringen in het citaat en na mijn excursies in de land- en volkenkunde wel vermoeden.[1] Ik zal beweren dat de natie een stemmengegons is, een ruisen van informatie in de oren en lichamen van een bevolking. Stelt u zich eens voor dat u een hal betreedt waar twee-, drieduizend mensen aan tafels zitten te praten; probeert u zich dit zoemen en bruisen in de zaal eens voor de geest te halen; betreed dat geluidstapijt waar nauwelijks nog afzonderlijke stemmen bovenuit te horen zijn: voel die klankknevel van een helemaal van zichzelf en zijn levensuitingen doordrongen gezelschap. Vermenigvuldig dat geluidsbeeld nu tot een reusachtige omvang, hoor het simultane geluid van veertig, zestig, tach­tig miljoen Duitse stemmen, breng in uzelf de nationale detonatie teweeg, dat historische dreunen boven een territorium, dat angstaanjagende brui­sen van een nationale taal dat al sinds honderden jaren aanzwelt. Het lijkt mij dat men voor de volkeren niet alleen optische satellieten zou moeten bouwen maar ook akoestische en men zou ’s avonds bij het weerbericht een satellietopname van het simultane geluid van de naties moeten uit­zenden. En net zoals de wolkenspiralen boven Europa die we bijna dage­lijks op de beeldschermen zien niet aan de staatsgrenzen plegen te stop­pen, zou het ook nauwelijks mogelijk zijn de speciale Duitse toon zo hel­der uit het enorme klankentapijt der continenten te filteren dat die alleen te horen zou zijn.

Onze gehoorfantasie stuit op haar grenzen als ze zich inlaat met het spel met een politieke akoestiek. De natie als collectief geluid en als stem­mengegons boven een stuk aarde lost weldra op in het onvoorstelbare, ze blijft ongehoord, een onwaarneembaar geluid. Dat komt ook door de aard van de zaak: de taal. Want een nationale taal is evenzeer schrift als stem, ja misschien nog meer bibliotheek dan stemmengegons, meer drukkerij dan parlement. Ik wil dus mijn definitie uitbreiden en zeggen dat de Duitsers, evenals de overige volken, een neurologische bibliotheek zijn; in Duitse zenuwstelsels, in Duitse synapsenschakelingen is de encyclope­die van de Duitse geschiedenis opgetekend. De Duitse bibliotheek staat dus niet in Frankfurt, ze staat helemaal nergens; want deze feitelijke bi­bliotheek, dat zijn wij – levende aantekeningen in de Middeneuropese bi­bliografie. En we staan niet stil, we suizen rond, we wemelen, we zijn mobiel, we zijn een razende boekengemeenschap … Zeker, nauwelijks iemand weet hoe je deze bibliotheek intelligent gebruikt. Nog steeds le­ven we als analfabeten; we lezen onszelf niet genoeg. In talrijke schrift­systemen is de hoeveelheid informatie van heel Duitsland in onze eigen en in vreemde opnamemedia geregistreerd; op die manier hoeven we slechts in onszelf te bladeren of aan de hand van wachtwoorden de histo­rische programma’s op te roepen, en de Duitse tekst verschijnt vóór ons, in ons, door ons, precies zoals hij werd gefixeerd, in Gotische en Latijnse letters, met de hand geschreven, in lettertekens voor een optische lezer, ook in lichamelijke taal, in celgeheugens, zelfs in het in het lichaam ont­stane mineraalwater, als het zijn moet. U moet dat goed begrijpen – toen vier weken geleden Duitse mensen huilend door de muur liepen, toen speelde het toneel zich geheel af binnen de Duitse neurologische biblio­theek – op die plaats was in het tekstboek de mogelijkheid voor tranen ge­codeerd; onder het motto weerzien waren in het psychosomatische scena­rio van na de oorlog lachen en huilen verplicht – nu kwam het wacht­woord, het passeerwoord; de rest van de passage spellen we sindsdien vanuit onszelf – op zoek naar de juiste tekst voor het volgende Duitse hoofdstuk, die wijsheid en domheid om het hardst schrijven. Nulla dies sine linea.

Uit mijn privé-bibliotheek heb ik zoeven teksten geciteerd die ik een beetje misleidend als stemmen heb voorgesteld [2], hoewel ze voor ons vooralsnog geen zaak van het oor zijn geweest maar geschriften, aanteke­ningen uit de duistere tijd – geadresseerd aan mensen die zo lichtzinnig waren toen Duitsers te zijn, ja zelfs zo onbeheerst dat ze nog meer Duitsers op de wereld zetten; misschien dachten ze dat dit spel van de chromosomen, de letters, de stemmen in Midden-Europa ondanks de oor­log hoe dan ook door moest gaan. Mijn citaten documenteren Duitsland als aangesproken, als aangeschreven natie – en deze citaten zijn ten dele nog altijd op zoek naar hun geadresseerde. U ziet, dames en heren, ik speel hier een beetje de nationale postbode die zich ervan heeft overtuigd dat een natie vooral een adres is. De post van het bondgenootschap, waar­van de schrijvers de bestellers zijn, werkt langzaam; zoals men ziet zijn bestellingen met een vertraging van veertig jaar minder uitzondering dan regel. Er is zo veel post bij van na de oorlog; ook een hoop onduidelijk geadresseerde post tussen de generaties, veel psycho-historische fluistertekst uit het niet verwerkte leven van vroeger. Maar voor een natie is het goed beter vertraagd dan nooit de brieven overhandigd te krijgen waarin haar geboortebeloften werden geformuleerd.

De kinderen van de aangesproken, aangeschreven natie schrijven en spreken sinds een poosje zelf; maar omdat de nationale post zo aarzelend en onbetrouwbaar met hun bestellingen omging, is het nog altijd een beetje zo alsof onze taal historisch uit het niets komt. We zijn er alsof we uit de lucht zijn komen vallen. Je begint met elementaire zinnen, je pro­beert zo dicht mogelijk te blijven bij wat je zelf kunt weten, wilt niet overdrijven, geen woord te veel zeggen. Zo wordt het naoorlogse Duits een taal voor het vaststellen van feiten en voor dementi’s. Duits wordt een vreemde taal in het eigen land; we hadden immers alle reden geen woord te geloven dat niet door bewijs en eigen waarneming bekrachtigd was. De Duitse zin werd loodzwaar; de Duitse taal moest aan het werk als een teruggekeerde krijgsgevangene die de moed tot spreken is vergaan. Ze was het liegen en dwepen beu, ze bleef er weerloos tegen dat juristen haar nu lieten zeggen wat ze wilden, en dat politici van de frase overgin­gen tot daden. Het was alsof de taal rouwde en geresigneerd had voor haar opgave werelden te openen. De reden van die rouw en die vrijwillige zelfcontrole van de stemmen was voor het gevoel al lang duidelijk, ook al hadden we moeite de motivering voor deze toestanden nadrukkelijk uit­een te zetten. Ik wil maar zo zeggen: men kon in de Duitse naoorlogse taal fatsoenshalve geen zinnen meer vormen in de toekomende tijd; men kon in het Duits niets beloven; Duits was als taal van de voorspelling ge­ruïneerd en in haar kracht om toekomsten aan te kondigen net zo ver­woest als de Duitse steden. Maar haar wederopbouw duurt langer. Dat heeft niemand zo goed begrepen als de jonge Peter Handke, toen hij in de jaren zestig met zijn spreekstukken het woord begon te vragen. Laat me uit mijn nationale privé-bibliotheek een paar Handke-zinnen citeren die precies demonstreren hoe men toen, kort voor het einde van de jaren van de loodzware zin, in het Duits de profetische toekomende tijd uitpro­beerde.

abcd
En de veranderden zullen zich veranderd voelen.
En de tot zoutpilaren verstarden zullen staan als tot zoutpilaren verstard.
En de door de bliksem getroffenen zullen omvallen als door de bliksem getroffen.
En de gefascineerden zullen gefascineerd luisteren.
En de versteenden zullen versteend staan.
En de geroepenen zullen komen als geroepen.
En de verlamden zullen verlamd staan.
En de van de donder geslagenen zullen er staan als van de donder gesla­gen.
En de slapenden zullen lopen als in hun slaap.
En de bestelden en niet afgehaalden zullen staan als besteld en niet afge­haald.
En de verwisselden zullen zich verwisseld voelen.
En de gespiegelden zullen zich gespiegeld zien.
En de verslagenen zullen zich verslagen voelen.
En zij die van de aardbodem verdwenen zijn zullen als van de aardbodem verdwenen zijn.

Is Handke een apolitiek auteur? Ik zie niemand die het probleem van het Duits als uitgestorven taal van de profetie zo gevarieerd heeft aangepakt als deze Oostenrijker, die onder het mom van de niet in politiek geïnteresseerde, introverte schrijver een taalontologisch experiment ten uitvoer brengt: de functie van de toekomende tijd voor de Duitse taal opnieuw te ontdekken; zo precies als mogelijk, zo pathetisch als nodig. Vanuit het nulpunt van de profetie is Handke geleidelijk op de tast vooruit gescho­ven van de tautologie naar de inhoudrijke zin. Beginnen moest het onver­mijdelijk aldus:

c
De veer zal vederlicht zijn
b
De gal zal bitter als gal zijn
a
De kalk zal wit als kalk zijn.
d
De boter zal boterzacht zijn.

c
De gedachte zal als een gedachteflits zijn.
b
Het haar zal haarfijn zijn.
a
Het doodgaan zal doodvervelend zijn.
d
De doden zullen doodsbleek zijn.

c
De stervenden zullen zich doodziek voelen,
b
De raaf zal ravezwart zijn.
a
De planken zullen recht als een plank zijn.
d
Het vlies zal vliesdun zijn.

c
De vinger zal vingerdik zijn.
b
De draden zullen tot op de draad versleten zijn.
a
De steen zal steenhard zijn.
abcd
Elke dag zal een dag zijn als elke andere.

Handke noemde zijn tekst Voorspelling – hoe anders? Ik denk dat we toen iedereen die meer voorspeld zou hebben, een kletskous hadden ge­vonden. In Duitsland – zei Benn – heeft men de gewoonte denkers die taalkundig niet opgewassen zijn tegen hun wereldbeeld, zieners te noe­men. Welnu, dachten de kinderen van na de oorlog, als dat zo is, dan ver­wijderen we alles uit onze taal wat met zien, met vooruitzien, met voor­spellen te maken heeft. Wij werden de generatie zonder verwachtingen. Nauwkeuriger, de generatie die verwachtte dat ze niet te veel te verwach­ten had. Maar wat is te veel? Hoe weinig kun je verwachten? Hoe ver kun je gaan bij de poging in leven te zijn en er toch niets van te verwachten? Wie tot de generatie zonder verwachtingen behoorde, moest in de loop der tijd ondervinden dat menselijk leven zonder verwachtingen iets on­mogelijks is. De exploitatie van nieuwe, wilde, onnauwkeurige, politieke en pseudo-politieke verwachtingen heeft het sinds 1968 aangetoond. Je weer iets voorstellen – hoe doe je dat? Voor ons moest het conflict tussen het zich-niet-voorstellen-kunnen en het zich-voorstellen-moeten het mid­delpunt van de Duitse taal worden, ja niet alleen het middelpunt van de taal maar ook van de Duitse kwestie, het Duitse vraagstuk. Duits zijn be­tekent, er niet zeker van zijn watje van jezelf en de wereld mag verwach­ten. Ik denk dat deze onzekerheid over de verwachting niet meer te schei­den zal zijn van de Duitse rol in de wereld. Want niets weten we zo pre­cies: er is geen Duitse wereldmissie meer. – Juist omdat het zonneklaar is ontstaat daaruit een kritische missie tegenover de missies. Die erkent de noodzaak de machtige missionaire krachten in de wereld, zowel de poli­tieke als de religieuze, te bewegen er radicaal over na te denken hoe be­loofd moet worden en hoe niet, wat beloofd moet worden en wat niet. De wereldvraag stellen betekent tegenwoordig, beginnen met de kritiek van de missies en hun uitverkorenen. De Duitse taal is vermoedelijk de eerste taal in de wereld geworden waarin de overgeleverde toezeggingen en be­loften, heilig of profaan, niet gewoon verder verteld en nagepraat kunnen worden. Ze kan noch de Duitse, noch de Amerikaanse, noch de Russische way of life op planetaire schaal willen doorgeven zonder onheilspropaganda te maken. Ze mag ook de elfenkoningen van de economie zonder grenzen niet naar de mond praten. Wie in het Duits iets wil beloven moet radicaler nadenken over het wat en hoe van zijn woorden in de toekomst, dan zomaar iemand waar dan ook. Natuurlijk, zelfs tijdens de wereldoor­log was Duitsland als aangesproken natie niet volledig uitgesloten van de stromingen van de morele, poëtische en profetische beloften waarin het talige
zelfbesef van de mensheid wordt gevormd; niet in de laatste plaats moesten mijn citaten dat laten zien. Ik vraag dus, wat betekent het, tegen­woordig, vanuit de Duitse scepsis, vanuit de niet-profetische zwaarte­kracht van Duitse gemoedstoestanden, scherp te luisteren naar het ruisen van de talloze talen op de aarde waarin levensbeloften verder verteld zijn -houdbare en onhoudbare, verstandige en onduidelijke, banale en bui­tensporige? Door beloften organiseert de mensheid haar onbetrouwbaar­heid. Hoe past tegenwoordig onze voorzichtig geworden taal in het pla­netair zich – aaneenpraten van de volkeren? Wat betekent het tegenwoor­dig het gebruik van de toekomende tijd als legitieme functie van het Duits op een nieuwe en verstandige manier aan te leren? Hoe kunnen we leren betere beloften te doen – beloften die zonder zelfvernietiging van de spre­ker gehouden kunnen worden? Kunnen we binnenkort nog meer van zul­ke nieuwe, verstandige, vanzelfsprekend klinkende dingen zeggen als de twee kleine zinnen die Willy Brandt de avond van de 9de november voor het gemeentehuis van Schöneberg uitsprak: ‘De muur zal vallen en Berlijn zal leven.’ Dat is een van de eerste voorbeelden voor een toeko­mende tijd zonder holle frasen na de Tweede Wereldoorlog, en vandaag al zijn ze als gelukkige nieuwe verworvenheid niet meer weg te denken uit de nationale bibliotheek in het oor. Wanneer Handke bij zijn voorspellingsoefeningen schreef: Elke dag zal een dag zijn als elke andere, dan moet dat nu aangevuld worden met: die dag zal geen dag als elke andere zijn geweest. Vanaf die dag hebben de burgers van de BRD het vooruit­zicht ooit naast een iets sympathiekere, iets normalere, iets coöperatievere Duitstalige buurstaat te wonen – waarom niet naast een Pruisisch Oostenrijk? Dat zou meer zijn dan gehoopt kon worden; nog meer te ei­sen zou weer deel van een kwaadaardige belofte kunnen blijken te zijn die de verwoesting van Europa op de koop toe neemt om een Grootduitse fantasie verder uit te spinnen.

Ik ga eindigen. Er is geen tijd meer om scherper te luisteren naar de na­tionale dodenkoren; ik heb hier niet genoeg plaats om de belangrijkste stemmen van het Duitse stemmengegons te achterhalen. Ik zal van een andere gelegenheid moeten profiteren om de gedachte uiteen te zetten dat naties zowel oorsprongmythologische als politiekjuridische complexen zijn. Ze ontstaan territoriaal uit de binding met de begraafplaatsen van de voorvaderen; ze ontstaan psycho-akoestisch door bindingen van het in­nerlijke oor met de hypnose in de moedertaal; ze ontstaan psycho-historisch door betoverende missies en probleemdelegaties aan de ‘zonen en dochters van het land’. Ik heb hier niet genoeg tijd voor die dingen en evenmin om de indruk te corrigeren dat ik doof ben voor het vrouwelijke spreken en dat ik de stemmen van het verleden slechts als een Duits man­nenkoor hoor. Er is niet eens meer ruimte over om na te denken over de raadselachtige regel van Rose Ausländer: ‘Een lied bedenken betekent geboren worden en dapper zingen van geboorte tot geboorte.’ Maar ik wil niet eindigen met deze korte inmenging in het nationale stemmengegons zonder te verwijzen naar een passage uit een rede die enkele jaren gele­den aan dezelfde lessenaar werd gehouden – voor mijn oren de het meest te denken gevende passage uit de het meest te denken gevende rede. Alexander Kluge stond zes jaar geleden hier op het podium en trok zijn publiek mee in een duizelingwekkende gedachtengang. Hij vroeg, hoe kan ik überhaupt iets over Duitsland zeggen terwijl ik op Duitsland, op Duitse bodem sta? Hoe kun je praten over iets dat je draagt, dat je om­geeft, datje mogelijk maakt en domineert? Kluge zei toen:

Daarover is al in de scholastiek gediscussieerd bij het begrip sopra. Christoffel draagt het kindje Jezus. Het kindje Jezus draagt de wereld op zijn schouders. Waar zet Christoffel zijn voeten neer als die toch al­leen vaste grond krijgen als Christoffel de wereld op Jezus’ schouders beklimt, pas daar zet hij vaste voet aan de grond?
Vat u dat gerust ernstig op, want het betekent de zin: cogito quia na­tus sum. Ik zeg dat niet als geloofsbekentenis, maar alleen om een va­riant te geven voor cogito ergo sum, dat ik liever zou veranderen in: Ik ben in staat te denken omdat ik ervan kan afzien dat ik Ik ben. Een hulp daarbij is de zin: cogito quia natus sum (Ik denk zo en niet anders om­dat ik op een bepaalde plaats ben geboren)… natus sum = natie, – u kunt me geloven, iets heeft het met elkaar te maken …
(Nachdenken über Deutschland, 1988, 73/74)

Welnu, ik heb deze ochtend over niets anders gepraat dan over dat iets dat tussen natus en natie bestaat, over die relatie tussen nationaliteit en nataliteit, over het raadsel dat ons wordt opgegeven doordat we niet anders kunnen dan in een ‘natie’ te komen als we beginnen op de wereld te ko­men. ‘Natie’, in die etymologische en filosofische betekenis, is een con­stante in het proces van het ter wereld komen die voortaan aandacht vraagt, ook als de nationale staat een moderne uitvinding voorstelt die al­lang aan revisie toe is. Naties zijn, zo opgevat, politieke moederinstanties, ze zijn en hebben politieke schootfuncties, ze zijn vormen van het sa- men-geboren-zijn. Waarom waren de scènes van de 9de november eigen­lijk zo ontroerend? Het Berlijnse iets heeft de doorbraak tot de wereld aangeroerd, waaruit elk menselijk leven voortkomt, ook en juist als het zich zijn verschijnen niet op eigen kracht kan herinneren. Maar als ‘het’ gebeurt – als het naar buiten treden doorgaat door zich te herhalen -, dan wijzen de effecten in de richting van de oorsprong. De nationale vraag­stukken hebben daarom, als ze acuut worden, iets ontroerends of iets dat doet verstarren, iets dat ons doet smelten of het oerverzet oproept; daarbij horen de tranen en het onderscheiden van tranen; daarbij horen het uitwij­ken naar onverschilligheid en de terugkeer van wat niet onverschillig kan worden. Het zijn geen andere vragen dan die waardoor we ons terugvra­gen, terugdenken naar het veelomvattende, dragende, mogelijk makende en overweldigende. Natie is een genealogisch begrip; onder genealogie moet de wijze van denken worden verstaan die de bestaanskracht van din­gen en ordeningen uit oorsprongbetrekkingen duidelijk maakt. Daarom denkt wie aan zijn nationaliteit denkt in het krachtveld, om niet te zeggen in de ban van de oorsprongen. Nationalisme was daarom altijd een dub­belzinnige en in beide aspecten gevaarlijke factor, enerzijds het uithalen van de territoriale machten naar wereldwijde machtsverbanden, ander­zijds het verlangen van de subjecten naar het weer opgeslokt worden door datgene waaruit ze voortgekomen zijn. Juist hier speelt de Duitse les van deze eeuw een rol. Met het oog op wat we hebben meegemaakt bestaat er voor ons niets kwaadaardigers dan die schootnaties, die zuigende vader­landen, die grote gekrenkte moedergodinnen met hun allegorische boe­zems en vlaggen en tranen en met hun heidenzonen die ze eerst erop uit sturen grootse dingen te doen om ze vervolgens terug te slurpen in het vochtige, veelbelovende graf dat natuurlijk ook al placenta is voor heroï­sche wedergeboorten in het vaderland, we kennen dat verhaal. We heb­ben genoeg van die slachtoffers eisende, halfreligieuze, nationale porno­grafie; de schoten zouden er in de toekomst genoegen mee moeten nemen achter ons te liggen en voor meer dan korte bezoekjes niet in aanmerking te zullen komen. Stellig begint de levensweg van de kinderen van na de oorlog net zoals die van alle anderen: met de eigen politieke familie, de natie; dat wordt vermoedelijk bedoeld met Martin Walsers ‘machtige’ na­tionale grondlaag, waar zoveel onenigheid over was, terecht maar ook onterecht. Het geboren zijn in iets dragends dat door ons verder gedragen wil worden blijft het kleinste gemeenschappelijke probleem van alle mensen van stammen, volken en naties; maar het dringen naar de uitgang neemt toe, dat hebben de vluchtelingen en de vrije geest gemeenschappe­lijk; de weg naar de vrijheid gaat onvermijdelijk verder dan de natie. Zo mondt het nationale probleem, gezien in het licht van de wereld, uit in de vraag hoe pervers of hoe gezond – dat bedoel ik normatief – de politieke moederliefde is die overgaat op de jongere generaties of door deze gene­raties aan hun eerste milieu, hun geboortegrond, wordt geschonken. Als onze politieke uterus in de toekomst a good enough nation wil zijn, een natie die goed genoeg is om er in vrijheid te leven, dan moet die haar kin­deren loslaten voor de wereld. Moeder Duitsland weent zo zeer / heeft nu toch geen Hansje meer./ Dan bedenkt het kind zich / gaat terug naar huis – maar nee, het weet, het zou overal heen kunnen lopen, alleen niet naar huis, alleen niet meer naar het koele Duitse graf thuis in de moeder.

Dus wanneer zullen de Duitsers ophouden misbruik te maken van het zwoele woord hereniging? Het is een grondwoord van de Duitse neurose – een verbale zuignap die juist de mensen die tekort gekomen zijn, de identiteitsgehandicapten in het eigen slachtoffer aantrekt ten gunste van een bedwelmend, allesoverheersend geheel. Onthoud dus; weerzien is be­ter dan herenigen; vriendschap tussen twee mensen beter dan versmelten met iemand.

Toch is het waar, we hebben aanleiding te vragen, wanneer waren de Duitsers voor het laatst zo weinig onaangenaam als nu? Wanneer hebben ze voor het laatst zoals de laatste tijd met goed nieuws de nieuwsgierig­heid van de wereld gewekt? Sinds wanneer waren Duitse tekenen dat men iets wilde zeggen, vooral over ecologische aangelegenheden, zo nuttig als nu voor het ontstaan van planetaire zelfwaarnemingen? En tenslotte, hoe lang is het geleden dat mensen in Midden-Europa het gevoel konden hebben dat intelligentie op lange termijn het enige is, dat misschien toch niet onderdrukt kan worden?

 

______________________________________

[1] Deze tekst betreft het laatste hoofdstuk uit Versprechen auf Deutsch (Frankfurt 1990), een ‘rede over het eigen land’, die Sloterdijk op 10 december 1989 in het kader van de ‘Münchner Kammerspiele’ heeft gehouden. Verwijzingen hebben betrekking op eerdere, hier niet vertaalde delen uit de rede. (Noot van de red.)

[2] Bedoeld zijn de ‘stemmen’ van onder meer Albert Camus, Peter Weiss en Paul Tillich, die zich tijdens de oorlog (gedeeltelijk via de radio, gedeeltelijk in geschrifte) tot de Duitsers richtten. Sloterdijk brengt die in het begin van zijn rede (in de boekuitgave op p. 16 e.v.) ter sprake.