OMTRENT DE OORSPRONG VAN HET PLAFOND
 
 
Stromende regen. De wolken dreunden.
Spattend zwavel en vuur. Een gezicht
keek grijnzend neer.
‘s Nachts spreidden zich melkwegstelsels
en twintig miljard jaar
zette zijn tantalusklauwen
in de nek.
 
Het was ondraaglijk,
op momenten van liefde na.
En van dood. Vast ook daarvan.
 
Dus voorzagen we het van
betonnen dwarsbalken, isolatielak
en pleister, rijk aan kalk.
 
En als we nu naast elkaar liggen,
zomaar omhoogstarend, en je vraagt,
als je al iets vraagt,
– wat zit daar?-
kan ik me naar je oor buigen
en zachtjes geheimnisvol zeggen:
 
Daar kruisen elkaar twee spanten,
er rent daar een barokke vlek
in de vorm van een driepotig hert
en een spinnetje werkt zich rot.
Morgen moet je er maar
een bezem langshalen.
 
 
 
 
EERSTE ENGELEN
 
 
De eerste engelen waren donker, voorovergebogen,
behaard, met plat terugwijkend voorhoofd
en kruinhaar,
handen als schoppen.
Geen vleugels maar vlieghuid voor het zweven
in de stormwind van vulkaanuitbarstingen,
zoiets als vliegende nachteekhoorns.
 
In vol vertrouwen
verrichtten ze geweldige wonderen,
transsubstantiatie, metamorfosen,
veranderden modder in moddervis,
bliezen schommelpaarden op
tot hemelse afmetingen,
lieten atomen fuseren bij kamertemperatuur,
hielden ons een spiegel voor,
schiepen het bewustzijn,
majesteit van de dood.
 
Vol ijver
wroetten ze in gene zijde,
zwommen in zwart water,
vlijden zich neer in eileiders,
stonden achter deuren,
wachtten.
Wachtten vergeefs.
 
 
 
 
MASSAGANGERS
 
 
Ja, het komt voor.
De massaganger komt er al aan
over de hoofden van mensen,
houten stappen galmen in de schedels,
uit de mouw steken al handdrukken,
uit twee, zeven, dertig mouwen,
uit de kraag kruipt al halsbrekerij,
bacchanten stralen,
woorden stokken in schuurlapstomheid,
bloed sijpelt in de sokken.
 
Hij komt als een stier met tien kloten,
als een gespierde vorstelijke pier
met zilveren slijm,
maar wij hebben geen woorden
tegen pieren.
En in ons hoofd galmen spermatozoa
van volgende massagangers.
 
Ja, het komt voor. Want
de mens is geen loopbaan.
Hij is een rat.
 
 
 
 
VOORDRACHT VAN DE MEESTER
 
 
Hij sprak
en de hemden van boetelingen
vielen op de grond, bezwangerd.
 
Het was de keizersnede van de gedachte,
pluchen poppetjes werden geboren, juichend.
Het was het profiel van eenieder,
geknipt uit zwart papier.
Lieveheersbeestjes kropen vanonder onze nagels.
Je kon het bazuingeschal horen bij Jericho
en het gesis van onze genen.
 
Het was schitterend, zoals hij sprak.
Ik kan me alleen niet meer herinneren
waarover.
 
 
 
 
STANDBEELD VAN DE MEESTER
 
 
Binnen
noch het gekronkel
– haar van de Gorgo Medusa –
noch het gekronkel van darmen,
 
noch het geschommel
– montgolfière in november –
noch het op- en neergaan van longen,
 
noch het karamelgoed
– stille confiserie van zilverpapier –
noch het karamelbrein.
 
Noch het gewichtheffen
– solide, eeuwige Atlas –
noch het aanhoudende hart.
 
Binnen
alleen steen
en steen
en steen
 
en hij staat in de vrieskou,
de lippen op elkaar geklemd,
 
en slikt bloed.
 
 
 
 
WALVISZANG
 
 
Om twee uur ‘s morgens
hoor ik mijn hartklep
uit een gedempte tunnel vol bloed,
dat ben ik. De celreceptoren
vallen met een metalen klik in het slot
en de cellen ben ik en de sloten ben ik.
Uit een soort symfonische verte
klinkt walviszang en omsluit me.
 
In ons zwarte slot
prikte Doornroosje zich aan een doorn,
dat ben ik bijvoorbeeld. De klok stokte,
bij ons thuis staat de klok elk moment stil,
want ze prikt zich elk moment
aan een scherf,
aan een woord,
aan een melktand,
aan een speeltje, gevallen in de gracht,
en het is een stilleven, nature morte,
met mij op de genetische achtergrond.
 
In de lucht verstijft een papieren vlieger;
de tijd vliegt maar vliegt nooit weg, zegt meneer Einstein,
welja, zegt moeder, tien jaar na haar dood,
en de klok loopt weer, de Onzichtbare
schiet door de kamer als bolbliksem,
Doornroosje legt eitjes vol spinnetjes,
de walvissen zwemmen de tunnel binnen
 
en ik ben weer
een machine
voor het maken
van mezelf.
 
 
 
 
DICHTER VAN STEEN
 
 
Een ketter, die in zijn borst
vuur droeg voor zelfverbranding,
een hert, dat nachtenlang
zijn gewei zoekt
tussen de trofeeën in Het slot.
 
Lang geleden zei hij tegen me
– in Rotterdam –
God helpe je, Miroslav,
vlak voor mijn terugkeer
– naar Praag –
onder de Russische stinkende
laars vol plooien.
 
En het klonk, alsof
god werkelijk bestond,
bij beschikking van de dichter.
 
En het klonk, alsof
Rusland werkelijk bestond,
bij beschikking van de dichter.
 
Hij was een ketter.
Als ze hem zouden verbranden,
zouden prelaten vooraan zitten,
rechts zou een stel epileptici
kronkelen over de grond
en achteraan zouden in extase
enkele paren copuleren.
 
Maar vuur vatten, ho maar!
Hij was namelijk van steen.
Zou alleen maar kruimelen.
 
 
 
 
WAT OOK OVER GOD
 
 
Op de heuvel Cézava
botten van een meisje en een jongen
uit de bronstijd,
armloos, beenloos,
geofferd aan ritueel kannibalisme.
 
En hier een spatader van de steen,
het laatste wat ze zagen
toen hun de borstkas werd geopend,
onder het spuiten van bloed,
onder Gods gebrul
en animale defecatie.
 
En hier een hevig, gelaagd
zwijgen van leem.
 
Dus sprak de meester:
Wat je ook zegt over God
is niet waar.
 
 
 
 
EEN BOM
 
 
Moord in de lithosfeer.
Uit steen spoot klei,
uit klei vloeide vuur.
 
Op de bodem van de trechter
een naakt, teder, liefderijk
kikkerhart,
klopt.