(Uit: Het derde gesprek. Nijmegen, 1 juli 1993)

 

Vorig fragment: De biografie

 

Ook niet in de zin dat je geïnteresseerd bent in hoe er werk van wordt ge­maakt? Hoe de dichter kans ziet datgene wat bij iedereen amorf is te transformeren?

Dan krijg je de vorm van de vorm, bijna, de innerlijke biografie. Als je er zin in had, zou je een hele innerlijke biografie van Vestdijk kunnen schrijven. Daar zou dat gijzelaarskamp dan wel een rol in spelen, maar op een andere manier: via de gedichten. Dan zou je misschien zeggen: de dood fascineert hem en dat wordt daar actueel. Dat zou een schrijvers­biografie zijn in de meest strikte zin, met alleen het werk als gegeven. Maar dat gebeurt bijna nooit.

Wat je een intellectuele biografie zou kunnen noemen: waar komen ie­mands ideeën vandaan? Waardoor zijn ze in een stroomversnelling ge­raakt of afgetakt?

En ook, wat mij bij schrijvers interesseert: hoe die mensen werken. Daar kom je niet zo verschrikkelijk veel over te weten. De meeste schrijvers hebben over het schrijfproces zelf weinig mee te delen. Ik zou er geen bloemlezing van kunnen maken. Van Nijhoff bestaat daarover niet één uitlating. De biografie is natuurlijk wat het werk betreft de geschiedenis van de aanleidingen, niet van het schrijfproces.

Kom je in dagboeken niet iets meer tegen?

Nee. Ik heb wel veel dagboeken gelezen, zij het niet dat van Warren. Van schrijversdagboeken zou je wel de stijl kunnen analyseren, dan be­trap je ze veel directer op hun manier van schrijven, omdat ze geen lezer hebben. Dan zie je ze experimenteren.

Je hebt allerlei soorten dagboeken: echte en pseudodagboeken, die al­leen de naam hebben. De laatste hebben meer literaire pretenties, en zijn vaak met een lezer in het hoofd geschreven.

Zodra er in een later stadium aan geprutst wordt, is het ook kapot. Maar dat geldt misschien ook wel voor de meeste dagboeken die gepubliceerd worden. Dat viel mij op bij dat boek dat Dresden over de oorlog heeft ge­schreven: de grote waarde die hij aan dagboeken toekent. Terwijl een dagboek zich natuurlijk modelleert – niet alleen naar bestaande dagboe­ken. maar ook naar wat je gaat schrijven. Er ontstaat altijd een systeem van vormgeving.

De uitzondering is misschien Kafka. Dat is heel naakt.

–  Omdat hij schetsen schrijft waar je later een nieuwe versie van ziet, dan kun je precies zien wat hij heeft weggelaten.

– Een van de mooiere voorbeelden is ook Flaubert, in de brieven. Kafka schrijft niet voor niets, als hij het daarover heeft, over dagboeken, terwijl hij die brieven bedoelt.

Bij Flaubert heb je natuurlijk ook dat werkmateriaal, een gigantische verzameling aantekeningen, kaartjes.

– Ook bij Valéry kun je het proces volgen.

Dat elke dag om vier uur opstaan, dat vind ik schitterend. Gewoon zeggen: ik weet niets, en nu begin ik.

Heb jij nooit een lectuur-dagboek bijgehouden?

Nooit. Buiten wat ik gepubliceerd heb, heb ik nooit wat geschreven. Dat klinkt heel raar. Op het moment dat ik een dagboek bij ga houden, weet ik dat ik me zit aan te stellen. Ja, in bed denkt iedereen wel eens dat hij dat zal gaan doen.

 

 

Volgend fragment: Biografie en roman

_____________________

De redactie van Raster die Kees Fens het interview afnam bestond in 1993 uit Nicolaas Matsier, Cyrille Offermans, Willem van Toorn en Jacq Vogelaar.