De blik van een sperwer op een boomtak in de bosrand, Gronsveld.
Twee vrouwen liepen onder hem door. Ze waren te druk in gesprek om naar boven te kijken. De sperwer bleef zitten.
Ikzelf stond helemaal aan de andere kant van een bolle akker. Ik zag hem met mijn Leitz Trinovid 10x40B. Hij zag mij met het blote oog. Hij aarzelde geen seconde. Hij wipte op en vloog weg.
Dieren vinden het niet prettig om gezien te worden. Je wordt gezien, je wordt gegrepen, zo gaat het in de natuur maar al te vaak. En dan die ogen van een verrekijker, zo groot, zo hol en koud.

De blik van een steenuiltje in een knotwilg aan de dijk, Driel.
Het steenuiltje heeft zich in de nachtploeg laten indelen om overdag lekker in het zonnetje te kunnen zitten. Ogen dicht. Doet hij ze open, dan zie je het felst denkbare geel, een geel dat hem in combinatie met een suggestie van gefronste wenkbrauwen een strenge gelaatsuitdrakking geeft.
En hij ziet jou, je kijker.
Wat? Staat daar iemand naar mij te kijken? Ongeloof aan de ene, verontwaardiging aan de andere kant.
Zijn emoties spreken overigens niet alleen uit de ogen, hij toont ze ook, nogal overdreven, met geschokte bewegingen van kop en lijf. Acteren zonder misverstand, Ko van Dijk in zakformaat.

De blik van een rotgans bij Bart Ebbinge op schoot, Terschelling.
Rotganzen overwinteren hier. Ze werden gevangen onder een net dat met behulp van mortierbuizen werd gelanceerd. Vervolgens werden ze in een donker tentje gezet tot ze aan de beurt waren: ringen, seksen, meten en wegen, het bekende werk.
Je zag niets bijzonders bij een dier dat aan de beurt was. Je ziet niets aan het gezicht van een gans, niets in zijn ogen. Geen angst, geen paniek – en ook geen flegma.
Je kon beredeneren dat er angst of paniek moest zijn, maar je miste dan toch de urgentie. Wat je verstand ook zegt, je gevoel denkt bij dit gemis eerder ‘dom’ dan ‘bang’.

oog links

Bart hanteerde zijn ganzen intussen met grote omzichtigheid. Hij sprak ze voortdurend zachtjes toe. Praten helpt. Praten geeft rust, aan het dier, aan jezelf, aan het dier.

De blik van Wouter Helmer bij een verhaal over een beer en een boer, Mook
Wouter was in Griekenland geweest. Hij zat daar op een berghelling en zag op de tegenoverliggende helling een beer lopen. Die beer ging naar beneden. Over hetzelfde pad kwam op dat moment een boer naar boven. De beer die naar beneden ging, de boer die naar boven ging, het leek wel een gedicht van Paul van Ostaijen. Maar net voordat zij elkaar zouden mogen begroeten, week de beer af zijn route. Hij verdween in het kreupelhout en kwam pas weer te voorschijn toen de boer voorbij was. Beiden vervolgden zij hun weg, de beer die naar beneden ging en de boer die naar boven ging.
Wouter vond het een prachtig verhaal om te vertellen. Zijn ogen schitterden van plezier. Want die beer was wel een boer tegengekomen, maar die boer geen beer.
Zo vergaat het ons in de natuur.

De blik van Mama bij een bezoek van Jan van Hooff, Arnhem.
Je had toen dat chimpanseevolkje in Burgers Zoo. Mama was veruit de tanigste. Ze had het lijf van een oud vrouwtje en ze genoot het respect van een oud vrouwtje, wat als een teken van beschaving kan worden opgevat.
Aan de sociale organisatie van dit volkje werd onderzoek gedaan door studenten en promovendi van prof. Van Hooff uit Utrecht. En zoals dat gaat, in het begin kwam hij geregeld kijken, daarna minder en minder en op den duur nauwelijks meer.
Ik zat destijds bij dat chimpansee-eiland voor een reportage in een weekblad. Op zekere dag, zeker moment, zag ik Mama langzaam overeind komen. Ze keek strak naar een bepaald punt achter mijn rug en werd als aan een touw in deze richting getrokken.
Tot de rand van de gracht, verder kon ze niet. Nog steeds volledig in de ban van dat ene punt, liet ze zich op haar achterwerk zakken. Ze boog zich iets over het water heen om er toch maar zo dicht mogelijk bij te komen en keek, en keek.
Daar tussen de struiken stond Jan van Hooff.
Je ziet dieren wel vaker denken, maar zelden zo intens, zelden zo getroffen. De basis van Mama’s gedachten lag onmiskenbaar in de herkenning. Mijn God, je bent het. Je leeft! Waar was je al die tijd?
De blik van een varken in het slachtbedrijf van Dumeco, Boxtel.
Ze werden met zeven of acht tegelijk, betrekkelijk rustig wel, grotendeels door de druk van mechanisch bestuurde stangen, in een liftkooi gedreven – hek dicht, kelder in, kooldioxide, en weer naar boven, bewusteloos het slachtproces in.
Hij leefde nog, hij keek nog, hij zag mensen staan, die eeuwige, ietwat onzekere, bijna beschaamde varkensblik in zijn ogen: man, wat overkomt me toch, weet jij hoe ik in deze positie verzeild ben geraakt, kun jij niks voor me doen?
Dit is, geloof ik, de smartelijkste blik die me ooit vanuit het dierenrijk werd toegeworpen.
De blik van een kalf in het slachtbedrijf van esa, Apeldoorn.
Dappere dieren toch, allemaal even jong en onervaren. Als ze zich zorgen maken, zie je dat eerder aan hun oren en hun neusvleugels dan in hun ogen. Grote ogen, poelen van verdronken daglicht.
Ze stonden in een wachtruimte en er was maar één uitweg, het pad tussen stangen omhoog naar de schietkooi. Een klap, een zucht, de dood.
Eén bepaald kalf ging die weg, bereikte de schietkooi en keerde onverrichterzake terug. Het dier schuifelde achterwaarts dat smalle pad weer af en draaide zich, zodra dat kon, om naar de andere. Zij kwamen aan zijn snuit snuffelen.
Gesproken werd er uiteraard niet, maar je kreeg stellig de indruk dat er wel degelijk informatie werd uitgewisseld. Die ene keek een beetje verlegen, afwerend. Ja, ik weet het ook niet hoor, niks te beleven daarboven.
De mannen van de schietkooi waren gaan schaften. Dat zou een halfuur duren.
De blik van een koe in het weiland, Rosnay.
Ik herinner me dit voorval uit Frankrijk, maar op de Hollandsekade was het welbeschouwd precies hetzelfde: je loopt langs een weiland, er grazen koeien in dat weiland en van die koeien is er één die jou ziet aankomen. Die kijkt. Die blijft kijken. Als je na een tijdje omkijkt, zie je dat ze je staat na te kijken.
Een kennis van me deed onderzoek aan koeien in een natuurgebied. Er zaten ook vossen in dat gebied en zij hadden een vos altijd eerder in de gaten dan hij. Daar was maar één verklaring voor: ze kijken met z’n allen.
Ook als er maar één kijkt, kijken ze met z’n allen. Die ene die jou voorbij ziet gaan, kijkt in commissie. De hele kudde weet ervan.
De blik van een koe in de sloot, Woerden.
Meestal laat op een zomeravond, na zonsondergang zelfs, als het hoog tijd werd de polder te verlaten. Dan bleef de hond met een zekere hardnekkigheid achter een rijtje elzen hangen en dan lag daar een koe in de sloot. Ze keek je ongelukkig aan. Soms hief ze bovendien haar hoofd op en dan brúlde ze je aan.
Andere koeien, de kudde, liepen een eind verderop. Die hadden hun belangstelling voor het geval allang verloren. Koeien geven geen hulp aan koeien. Koeien verwachten ook geen hulp van koeien. Koeien verwachten hulp van jou.

oog rechts

De blik van koeien op een doek van J.H. Wijsmuller, thuis.
Jan Hillebrand Wijsmuller, gestorven in 1925, wordt tot de kleinere meesters uit de nadagen van de Haagse School gerekend. Het is inderdaad een braaf landschap, maar de koeien zijn goed gedaan.
Op de voorgrond liggen twee verrukkelijk rugpartijen. Verderop zijn een paar beesten net overeind gaan staan. Van elke koe drukt de houding aandacht uit, alle ogen zijn gericht op een punt in het weiland en als je goed kijkt, zie je op dat punt een figuur in een blauwe kiel aankomen.
Je vraagt je af wat wij in koeien zien. Vroeg of laat begin je je dan ook af te vragen wat koeien in ons zien. Bij dit schilderij van Wijsmuller kwam ik op de gedachte: wij nemen hun melk, wij zijn hun onbegrijpelijke kinderen.

De blik van mijn hond als hij je ziet eten, thuis.
Volgens het rassenboek heeft de borderterriër een ‘doordringende’ manier van kijken. En dat klopt. Als Stanley eetbare of bejaagbare dingen ziet, neemt zijn belangstelling obsessieve vormen aan.
Buiten deze momenten zou ik zijn manier van kijken eerder ernstig noemen. Deels is dit karakter (deze hond is nu eenmaal nogal afstandelijk), deels is dit anatomie (die ogen zitten nu eenmaal zo in zijn kop). Ons valt het dan moeilijk de balans te vinden. Onze radar is van nature meer op karakter ingesteld. Wij kunnen nauwelijks geloven dat een dier ernstig kijkt zonder ernstig te zijn. Vooral dát hinderde me in het begin bij Stanley: ‘Je kunt niet zien of-ie vrolijk is.’
Op den duur hecht je je aan een hond en je kunt je onmogelijk aan een hond hechten, zonder je ook aan de blik in zijn ogen te hechten. Je leest er genegenheid in, zelfs als hij het eten uit je mond probeert te kijken.

De blik van een steenarend op mijn hond, Grindelwald.
Het was begin september, op de flanken van de Männlichen, zo tegen de boomgrens. We liepen half in de wolken, half in de regen: die nacht zou de eerste sneeuw vallen.
Het pad maakte een flauwe bocht en daar streek een enorme vogel neer in een spichtig sparretje. Zijn eerste zorg gold zijn evenwicht. Steenarend!
Wij bleven ademloos staan, de hond, die zoals het een hond betaamt meer aandacht voor de aarde had dan voor de lucht, liep door. Het was Rekel nog. Hij scharrelde onder die boom heen en weer, argeloos.
De arend keek naar ons, toen naar de hond, nog eens naar ons, weer naar de hond. De hond, besliste hij, was interessanter. Hij boog zich voorover en keek recht op hem neer. Hij nam hem de maat. Hij bekeek hem met het koele oog waarmee de slager een lap vlees bekijkt.
Ik denk nóg wel eens: als die arend toen honger had gehad… Hij had hem natuurlijk geen kwaad gedaan, hij zou hem alleen maar hebben opgegeten.

De blik van een gems die een gems zag aankomen, Gran Paradiso.
Ik zat daar met mijn telescoop, eigenlijk voor de luchtshow die elke avond stipt om acht uur werd opgevoerd door een steenarend. Hoog boven het dal graasde een gems, een wijfje.
Met de telescoop kun je een onwaarschijnlijke vergroting bereiken, zo onwaarschijnlijk dat er vrijwel geen dieren meer zijn die terugkijken. Je zag het voedsel in haar mond, de adem in haar neus. Je zag dat ze haar achterpoot langs haar lijf naar voren stak om even aan het hoefje te knabbelen.
Op zeker moment ging ze naar beneden staan kijken. Er kwam nog een gems aan. Twee gemzen nu, een kijkende en een klimmende en die kijkende wist wel van de klimmende, maar die klimmende niet van de kijkende. Zij hield zich stil, één en al aandacht, professionele aandacht.
Dezelfde belangstelling heb ik zelf eens ondervonden van een steenbok, toen ik achter de Mettenberg in Grindelwald, hoog boven een gletsjer, een bij nader inzien toch wel riskant sneeuwveld overstak. Hij maakte zich los uit de groep, kwam wat omlaag en ging staan kijken – hoe ik dat deed.
De blik van een aspisadder die een zandhagedis heeft opgegeten, Obsteig.
We waren net gearriveerd. We hadden onze kleren uitgehangen, de bergschoenen klaargezet. Kom, even achter de boerderij het bos in, een slingerweggetje op. De eerste orchideeën: grote muggenorchis, bergnachtorchis, rood bosvogeltje.
Toen we wilden terugkeren (wat later zou het inderdaad gaan regenen), zagen we die slang liggen. Er zat een merkwaardige knoop in zijn lijf. Ik dacht dat hij was aangereden en in de berm geslingerd. Maar weldra kwam het kopje te voorschijn en daarin was zojuist het kopje van een hagedis verdwenen, de rest spartelde nog wat.
Hoe vaak zie je een hagedis? Hoe vaak zie je een adder? Hoe vaak zie je een adder eten? Aan één hagedis heeft een adder voor weken genoeg.

oog midden

Je zag hem achter zijn kaken geleidelijk opzwellen. Millimeter voor millimeter werkte hij zijn prooi naar binnen. Na de verdikking van de hulpeloze achterpoten, werd het staartje uiteindelijk als een spaghettisliert opgeslurpt.
Het eten was gedaan, de adder kreeg weer oog voor andere dingen. Hij richtte zich een weinig op, lang niet genoeg om ons in het gezicht te kunnen kijken. En daar kwam het listig gevorkte tongetje voor de dag. Het begon in hoog tempo de lucht op te likken.
Toen draaide adder zich helemaal om. Hij rechtte zijn rug en verdween in de vegetatie. We waren wel degelijk gezien.

De blik van een vale gier in Artis, Amsterdam.
Hij zat met zijn rug naar het publiek, zijn machtige schouders een beetje kouwelijk gekromd. Hij boog zijn lange nek, hij hield zijn kop scheef, hij keek met één oog naar de lucht, nee, hij keek naar de huismus die zomaar wat heen en weer hipte op het gaas van zijn kooi. De aandacht van die grote vogel voor een kleintje. Je zou gezworen hebben dat je een traan zag opwellen in dat oog. De vrijheid is altijd in een ander.

De blik van een oehoe, ergens.
Hij gleed van de ene kant van de mergelgroeve, waarvan wij zojuist de wand beklommen hadden, naar de andere. Je zag hem op zijn rug. Het is al wonderlijk een kleine uil te zien vliegen, maar zo’n grote (twee maal ransuil) is ronduit verbluffend. Wij zijn gewend dat beweging geluid maakt, dat een beweging op dit formaat véél geluid maakt. Maar geen zuchtje.
Aan de overkant ging hij pontificaal, prachtig getekend verenkleed, in een acacia zitten. Oranje ogen. Oranje met de fonkeling van avondzon. Een juwelier had hem zo in de etalage gezet.
Het was net Spanje.
Het was net de dierentuin.
Hij wist natuurlijk dat hij gezien werd (de Leitz inmiddels vervangen door Swarovski). Hij keek in alle rust terug. Hij keek in alle rust om zich heen. Zijn boodschap: dat dieren het niet prettig vinden om gezien te worden, is een verhaal voor de kleintjes, te kinderachtig om serieus te nemen. Zijn boodschap: jullie aanwezigheid laat me siberisch. Zijn boodschap: hier telt alleen de oehoe. Of helemaal geen boodschap dus.