Verglaasde lagen tijd achter elkaar,
troebel van afstand, zodat ik meer vermoed
dan zie: wegglippen van je voet
achter groen langs het pad, je haar
opgaand in gouden herfstdraden. Er moet
een hoek zijn die dit voorgoed leesbaar maakt.

Op deze ansichten nog tergend vaag:
De Belvédère. Op de Zwanenbrug.
Van Lorentz tot de Grote Waterval
plekken vergaard. Maar ieder beeld wijkt terug
in dubbele onleesbaarheid. Er valt
geen leven te ontwaren in zoveel sepia.

Ik moet iets met mijn blik doen. Als ik staar
zonder verwachting klikt alles op zijn plaats.
Diepte. Het peilloos park haarscherp. Je staat
bij het Paviljoen. Voeten kuis naast elkaar.
Zes zilveren knopen aan je winterjas.
Je bontmuts op, een ernstig klein gelaat
daaronder. Je handen op je rug.

Uitstapje van voor haast tachtig jaar.
Daar staat het kind dat toen al in zich droeg
wat het niet kon vermoeden: het grote
meisje, de vrouw, de bruid, de moeder
die het zou worden. Adembenemend vergroot
zie ik de glimlach komen die je pas
weer had in de seconden voor je dood.