Wie hem dat geflikt had, wilde ze weten. Nog niet helemaal wakker, meende ze eerst nog dat ze het had gedroomd – een akelige droom was het, waarin ze telkens opnieuw de bebloede schop van oom Harrie over het gras zag schieten -, maar nee, daar was geen sprake van, de ravage was reëel. De huizen in het wat lager gelegen, westelijke stadsdeel waren het zwaarst beschadigd, van het Muziekcentrum was zelfs helemaal niets meer over. De dader had het kennelijk vooral op dit gebouw gemunt, want ook de toegangswegen, inclusief de beide bruggen over de rivier, waren volledig vernield. Lot was ervan overtuigd dat de dader op de hoogte moest zijn geweest van de premièredatum, hij (of zij, die kans leek haar heel wat groter) moest dat concert hoe dan ook hebben proberen te verhinderen, en met succes dus, want dat de hele zaak zo snel hersteld zou kunnen zijn was twijfelachtig, ondanks de bouwvakervaring waar ze inmiddels op kon bogen.

Precies twee weken geleden was Lot met de bouw van de stad begonnen. Een woensdagmiddag was het. Dat wist ze nog zo precies omdat het zo’n rotdag was geweest. ‘s Ochtends was het al begonnen. Er was iets met John Cage wat haar verontrustte. Hij keek zo glazig uit zijn ogen en hij liep zo wankel, hij leek wel dronken. En ‘s middags had Evelien haar een smerige streek geleverd. Maar ook een ultradomme streek: als ze ook maar een seconde had nagedacht, zou ze hebben geweten dat ze zelf in die voor Lot gegraven kuil zou donderen.

Een half uurtje na school ging de telefoon. De juffrouw van de bibliotheek aan de lijn. Lot haatte dat mens met haar huid van vergeeld perkament en haar venijnige inspectiezucht, ze haatte de snauwerige manier waarop ze je altijd de teruggebrachte boeken uit je handen griste om ze vervolgens eerst oppervlakkig van buiten en daarna nauwgezet van binnen te inspecteren op vlekken en scheurtjes en meer nog op opmerkingen of tekeningetjes in de kantlijn. Met haar zwaar bebrilde neus ongeveer in de vouw van het boek, alsof ze van plan was hem erin te snuiten, sloeg ze bladzijde voor bladzijde om, tergend langzaam. En bij het minste of geringste was er paniek.

Toevallig had Lot zelf de telefoon opgepakt, maar aan Lot had mejuffrouw korporaal Biebel niks, ze moest moeder spreken, zei ze met haar dreigend-geaffecteerde ouwevrijsterstem, en toen had Lot wel al begrepen dat het eigenlijk om haar ging. En ja hoor, er was iets mis geweest met haar boeken, er was een blad uit een van haar boeken gescheurd, bladzijde 43 en 44 van Dansen op de brug van Avignon, het boek was geen cent meer waard, of uw dochter voor het eind van de week maar even f 24,50 wilde komen betalen, anders ging de boeteprocedure ook nog in werking, onverwijld, en dan mevrouw… Maar haar moeder had haar onderbroken. Wat kon haar die procedure schelen? Ze had net thee gezet en voelde er niets voor die koud te laten worden, wat vast het geval zou zijn als ze die tante de gelegenheid gaf de bibliotheekreglementen plus de uitleenvoorwaarden van a tot zet te gaan voorlezen. Moeder had gezegd dat ze haar boetegeld in elk geval vóór zaterdag 12.00 uur zou hebben, ja ja f 24,50, maakt u zich maar niet ongerust juffrouw, het komt heus wel weer goed juffrouw, goedemiddag juffrouw.

Evelien moest dat gedaan hebben. Lot had Evelien gevraagd ook háár boeken bij de bibliotheek in te leveren, omdat ze zelf die middag niet goed kon. In verband met de celloles die een uur vervroegd was omdat de celloleraar iets moest wat ze nu weer was vergeten. Niemand anders dan Evelien kon het gedaan hebben. Woedend was Lot naar buiten gerend, ze begreep er geen snars van.

Zonder er met haar hoofd helemaal bij te zijn was ze in de zandbak, waar ze eigenlijk nog maar zelden kwam de laatste tijd, iets gaan bouwen, een berg, een huis, een plein, het was allemaal zo gemakkelijk gegaan – het had de laatste dagen een beetje gemiezerd waardoor het zand precies voldoende kleefde – dat ze zin kreeg er iets spectaculairs van te maken, een stad bij voorbeeld. En dat was het geworden. Een complete stad, met een hoog en een laag gedeelte, van elkaar gescheiden door een rivier. In het oude hoge gedeelte lag natuurlijk een kasteel om in te wonen; haar torenkamer bood uitzicht op het dal en de bergen daarachter, waar het oog zich verloor in dichte wouden. In het lage gedeelte, dat je vanuit het kasteel via een kronkelweg bereikte, lagen allemaal hypermoderne huizen rondom een Muziekcentrum waar zij regelmatig optrad, en toen was ze ook op het idee gekomen van het concert voor Charlie en Ferdinand.

Maar van die hele stad was nu niets meer over dan een bouwval, een paar zandhopen waar hier en daar wat stokjes, plankjes, stenen en speelgoedautootjes uitstaken. Gebouwen kon je er met de beste wil van de wereld niet meer in ontdekken. Door een waas van tranen zag Lot dat ook het kerkhof geruïneerd was. Eén persoon kon ze zich maar voorstellen die haar dat geflikt had.

Van alle vriendinnen speelde ze de laatste tijd nog het meest met Evelien. Niet dat ze haar als lievelingsvriendin beschouwde, dat zeker niet, maar het omgekeerde was wel het geval: Evelien zat in de klas naast haar, liep haar overal na en liet haar geen moment met rust. ‘s Morgens stond ze al om vijf over acht aan de deur terwijl ze pas om half negen in de klas hoefden te zijn en de school hoogstens tien minuten lopen was. Na school wilde ze altijd met Lot spelen en op de onmogelijkste tijden hing ze aan de telefoon – nu eens omdat ze niet wist wat ze voor rekenen op hadden, dan weer om zo maar wat te kletsen, een oud wijf leek het wel. De laatste tijd, vond Lot, was dat kind om gek van te worden. Geen stap kon ze meer zetten of Evelien liep haar voor de voeten. Niets kon ze meer ondernemen of Evelien wilde per se ook meedoen. En dan die naäperij! Had Lot nieuwe gymschoenen dan had Evelien een dag later precies dezelfde. Verruilde Lot haar schooltas voor een rugzak, een week later liep madame gegarandeerd met precies dezelfde rugzak rond. Het liefst wilde ze als twee druppels water op haar lijken, alsof ze tweelingzusjes waren. Lot haatte tweelingzusjes. Zie: punt 112 van haar haatlijst.

Bijna een jaar geleden had Lot voor het eerst iets gemerkt van die jaloezie. Ze was jarig, van haar moeder had ze een cello gekregen en die stond, voor iedereen die binnenkwam onmiddellijk zichtbaar, in de hoek van de woonkamer. Evelien moest hem hebben gezien. Ze kwam lachend binnen, gezicht richting cello, maar die lach verstarde op hetzelfde moment – vlak na haar binnenkomst – dat ze met een ruk de andere kant uitkeek, alsof ze iets zocht waar ze niets over hoefde te zeggen. Toen Lot haar even later op het instrument attendeerde, had ze eerst verwonderd ‘hoezo?’ gevraagd en quasi in de war de kamer rondgekeken voor ze het ding eindelijk zag staan. En ook toen nog had haar stem vals geklonken. Het was dat afgeknepen geluid van iemand die ‘oooh, wat mooi’ zegt, maar je daarbij niet aankijkt en het meteen daarna over iets anders gaat hebben. Het was een geluid dat Lot sindsdien nog heel vaak zou horen. Ze haatte dat geluid. Zie haatlijst, nummer onbekend.

Eigenlijk had ze John Cage niet alleen willen laten; in de gegeven omstandigheden kon die best wat gezelschap gebruiken. En hoe het bij oma zou gaan, wist ze al precies. Gôh kind, wat ben je toch gegroeid de laatste tijd – terwijl ze ‘de laatste tijd’ nu juist niets gegroeid was. Of: Gôh Charlotte, heb je alwéér een nieuwe trui? – een zin die ze zich herinnerde van hun vorige bezoek aan oma en die ze letterlijk van voor tot achteren haatte.
– Stel je niet aan, zei haar moeder.
Maar ze stelde zich niet aan. Ze haatte die zin.
* Ten eerste vanwege dat Gôh, dat niets anders dan een afgeplatte versie van God kon zijn, en die ze alleen in de allerplatste vloeken om aan te horen vond.
* Ten tweede vanwege de nadruk waarmee ze de laatste lettergreep van Charlotte uitsprak, terwijl ze al honderd keer had gezegd dat ze Lot heette, niet meer en niet minder.
* Ten derde vanwege dat langgerekte wéér in alweer, dat klonk als iemand die vlak voor je neus ongegeneerd gaat staan geeuwen.
* Ten vierde vanwege die trui, terwijl het om een t-shirt ging.
* Ten vijfde vanwege de inhoud van de zin in het algemeen: het wàs helemaal niks nieuws wat ze aan had, maar een t-shirt dat ze de voorvorige zomervakantie in Spanje had gekregen en dat ze alleen deze zomer al, óók bij oma, wel drie of vier keer had aan gehad, en dàt, Lot wond zich behoorlijk op toen ze deze opsomming tegenover haar moeder ten beste gaf, en dat terwijl oma d’r nieuwe gympen niet eens had gezien, dat mens (tuttut, suste haar moeder, weet je wel over wie je het hebt?) heeft geen ogen in d’r kop, de volgende keer ga ik echt niet meer mee, dan blijf ik John Cage gezelschap houden.
– Stel je niet aan, zei haar moeder nog eens. Alsof die dat op prijs stelt als jij daar een beetje dom naar hem zit te koekeloeren.
– Ik stel me niet aan. Ik weet dat hij dat op prijs stelt, ik zie het aan zijn ogen.
– Je kunt beter morgen eens met hem naar de dokter gaan, misschien heeft die iets in huis waarvan die opknapt. Als je wilt, ga ik wel even met je mee, na school.

En daarmee was de discussie gesloten, zat Lot alleen op de achterbank van hun oude Fiat en John Cage alleen in zijn kooi. Vijf minuten en achtenveertig seconden zuivere rijtijd later (als je de valse start en de twee stoplichten meerekende: zeven-minuten-zesendertig) stonden ze bij oma voor de deur en bleek Lots prognose tamelijk zuiver.
– Gôh, wat heeft Charlotte nu weer voor ons meegebracht? Een vraag die ze niet alleen ontweek omdat die nergens op sloeg – ze hàd niets voor haar meegebracht, en zeker niet voor ons – maar ook omdat er weinig was dat ze zo uit de grond van haar hart haatte als in de derde persoon aangesproken te worden, niet aangesproken te worden dus eigenlijk, op haar mond van niet-sprekend wezen een kleefstrook geplakt te krijgen waar zij de rest van de avond als familievlieg aan vast zou zitten terwijl ze niet eens al te opzichtig mocht spartelen. Wat een vooruitzicht!

Oma stak in een niet te beste bui, wat dat betreft konden ze elkaar dus de hand geven. Er was gisteravond kennelijk iets gebeurd wat haar niet beviel. Eerder dan aan wàt ze daarover te vertellen had, hoorde Lot dat aan de manier waarop. Ze draaide geheimzinnig op haar stoel, sprak namen en soms ook andere zinsdelen op fluistertoon uit, maakte nadrukkelijke gebaren, klonk zoem-zoem-zoem permanent verontwaardigd en probeerde dat dom-dom-dom te camoufleren door ineens hardop iets zeurderigs over het slechte weer te zeggen of iets pietluttigs over de komende herfstvakantie te vragen – als geruststelling bedoelde eilandjes die onmiddellijk weer werden overspoeld door een golf van nieuwe ultrageheime verderfelijkheden. Oma voelde zich, kortom, in haar element, er kwam geen einde aan haar vertoning.

Stijf rechtop in haar leunstoel, de eeuwige stapel mode-, interieur-, vakantie- en roddelbladen op haar schoot, bracht ze, over de rand van haar bril heenglurend, verslag uit van een nieuwe bedrijf in het nimmer eindigende familiedrama. Want ofschoon Lot haar zuchtend en piepend uitgevoerde pantomime niet half begreep, wist ze wel zeker dat die daar betrekking op had. Waar ze zich vooral over verbaasde was dat haar moeder dit maar allemaal gelaten over zich heen liet komen. Zij moest toch ook weten dat oma meestal maar wat kletste. Van grofweg vijftig procent van de dingen die ze zei, schatte Lot op grond van wat ze zelf kon controleren, klopte niets, en van nog eens veertig procent hooguit de helft. Resteerde tien procent waarheid. En dat voor een grootmoeder! Toen ze haar relaas eindelijk voltooid had, zette ze de tv aan, omdat ze per se het zoveelste vervolg van een of andere miljonairsliefdesgeschiedenissenserie wilde zien. Maar de eerste flinke vrijpartij was amper goed en wel begonnen, of ze zette het apparaat weer met een geërgerd klinkende zucht en een verschrikte blik richting Lot af, waarna ze met de afstandsbediening driftig en ongeduldig van kanaal ging wisselen, totdat die door mistige panfluiten omlijste bedscène-een keer of drie, vier ving Lot er een verboden glimp van op – eindelijk was afgelopen. Ook daaraan mocht ze inmiddels gewend zijn, toch wilde Lot maar één ding: zo gauw mogelijk naar huis.

Om 20.37 uur kwam ze haar kamer op. John Cage draafde niet in zijn tredmolen. Hij zat half weggedoken achter een van zijn circusattributen, richtte zijn kopje even op en keek Lot – nog steeds glazig – aan. Toen sliep hij weer verder.

nr. 189: Met familie georganiseerd gaan fietsen.
nr. 190: Wandelende families. Eerst een groep mannen, tien meter verderop de vrouwen.
nr. 191: Je zit achter in de tuin bij voorbeeld met Suske en Wiske of postzegels en daar komt ineens familie aanzetten, achterom dus, denkelijk om zo de verrassing te vergroten.
nr. 192: Je hebt net gepoept, je bent klaar met afvegen en dan merk je dat er nog wat komt.
nr. 193: Henk en Suzan van Beinum.
nr. 194: Oom Harrie op mollenjacht.
nr. 195: Oom Harrie in zijn auto.
nr. 196: Oom Harrie onder het eten.
nr. 197: Oom Harrie als hij een paar glazen gedronken heeft.
nr. 198: Oom Harrie als zodanig.
nr. 199: Groep mensen tussen de twintig en de vijfentwintig jaar die op zondag omstreeks de middag met grote voetbaltassen half op straat staan te wachten tot de auto komt die hen naar het voetballen brengt.
nr. 200: Zoals Stefan als een gek komt aanfietsen met een knalrooie kop en na tien minuten nog kliedernat van het zweten.
nr. 201: Oude mannen met strak zittende, glimmende sportkleren op racefietsen.
nr. 202: Mensen die per se willen dat je een stukje piano of cello speelt terwijl je zelf geen zin hebt en die dan soms ook nog na een paar maten stom d’rtussendoor gaan kletsen.
nr. 202: Moeders die bij het tennissen langs de kant hun kinderen coachen en hardop meetellen.

Onder het lezen grinnikte Lot af en toe. Hun lijst met dingen die ze haatten (een coproduktie van haar en Freek, de meeste formuleringen waren van hem) was in nog geen week tijd met drieëndertig punten uitgebreid. Niet lang meer en haar schrift was vol.

Lot maakte zich ongerust. En ze had de pest in. Twee redenen om nog wat punten aan de lijst toe te voegen, ook al kon ze op dit moment niet met Freek over de formuleringen overleggen. Ze hoorde hem in de garage pingpongen met Serge.

nr. 203: Het aanstellerige geschreeuw van Serge, telkens als hij een bal mis heeft geslagen.
nr. 204: Het pingpongen in de garage terwijl ik (L) moet gaan slapen (maar het niet kan).

Met dat laatste punt zou Freek het wel niet eens zijn. Ze hadden afgesproken alleen dingen op te nemen die ze allebei vonden. Dan stond je sterker, vond Freek. En of het telde dat zij het nu voor twee vond, betwijfelde ze. Ze wist al wat Freek daarop zou zeggen: dat kun je niet bewijzen. Freek wilde overal bewijzen voor. En zijzelf eigenlijk ook, dacht Lot, dus dacht ze erover nr. 204 maar weer vrijwillig te schrappen.

John Cage lag nog steeds voor Pampus achter in zijn kooi. Onder het lezen en het schrijven keek Lot voortdurend in zijn richting. Ze hoopte dat hij eindelijk weer eens in beweging kwam. Zo zenuwslopend als ze het monotone gepiep van zijn tredmolentje in het begin gevonden had, zo onheilspellend vond ze het nu dat geluid niet te horen. Ze betwijfelde of ze straks wel kon slapen. Of ze niet voortdurend zou liggen luisteren wanneer dat gedraai en gepiep van John in zijn hometrainer nu eindelijk begon.

Lot legde het schrift naast het bed op de grond en stond met één sprong bij de kooi op haar bureau. Met haar balpen tikte ze zachtjes tegen de tralies. Geen reactie. Toen trok ze een streep van raspend geluid dwars over de tralies, en nog een streep terug, en nòg een en nòg een, met toenemend ongeduld. En zowaar: John Cage richtte zijn puntige, met plukjes zaagsel overdekte kopje op, kwam toen – langzaam voor zijn doen – overeind, en wipte in zijn wiel, waar hij eerst een beetje duf voor zich uit bleef zitten kijken, maar toen, na wat fluisterend maar met smekende klem uitgesproken aanmoedigingen van Lot, zowaar toch een paar rondjes ging trimmen. Daarna kroop hij weer in zijn zaagselholletje. Een ultrakorte voorstelling, dat wel, genoeg niettemin om Lot de rust te geven die ze nodig had om zich weer op haar lijst te kunnen concentreren.
nr. 205: Oma die in de derde persoon tegen je spreekt.
nr. 206: Als je tv zit te kijken en oma zet bij vrijscènes meteen een andere zender op.
nr. 207: Als je tv zit te kijken en oma is er steeds doorheen aan ‘t praten. nr.
208: Als oma tv zit te kijken en al heel overdreven ssst sist terwijl wij nog niks gezegd hebben, en dan nog eens uitvalt ook dat ze door onze schuld niet heeft kunnen horen wat die-of-die zei, zodat ze door haar eigen geklets een hele hoop mist.
nr. 209: Je van oma moeten omdraaien als je iets nieuws aan hebt en je van alle kanten moeten laten bekijken, soms wel drie keer op een middag, eerst voor haar zelf en dan telkens opnieuw als er anderen binnenkomen.

Lot overwoog of de haatpunten over oma niet beter apart gerubriceerd konden worden. Ze had nu geen zin om te gaan tellen, maar ze wist zeker dat oma de hoofdpersoon was in haar schrift. Misschien wel de helft van alle aantekeningen gingen over haar. Als ze die een dezer dagen eens in een apart schrift overschreef?

Ze moest er wel voor zorgen dat oma die schriften nooit te zien kreeg. Van oma mocht ze het woord haten namelijk niet eens gebruiken. Laatst nog, toen ze had gezegd die voetbaltrainer met dat toepetje te haten, was oma met bolle wangen van de bonbons tegen haar uitgevallen: Kind, hoe durf je dat te zeggen! Jij weet helemaal nog niet wat haten is, daar ben je veel te klein voor. Haat is iets heel ergs, iets wat je pas kunt voelen als je groot bent. Alsof oma wist wat zij voelde! Die knokige hand in haar middel bij voorbeeld, die haar half en half dwong zich om te keren, die moest ze zelf eens voelen. Eerst deed Lot dan net of d’r neus bloedde, of ze niet begreep dat die hand een bevel doorgaf, maar dan porde oma haar een paar keer flink, en dan moest ze wel.

Lot spitste de oren. John Cage lag stil in zijn kooi. Wat kon oma haar ook schelen.

Zeker wist ze het niet, maar Lot had het gevoel dat Evelien wat verder van haar weg zat dan anders. Ze keek al de hele tijd kaarsrecht voor zich uit naar het bord, alsof het verhaal van Juf daar rechtstreeks als een oerspannende oorlogsfilm op werd geprojecteerd. Toch sprak die niet minder saai en lijzig dan gewoonlijk. En op het bord verschenen alleen maar af en toe wat moeilijke namen, Messerschmidt, geallieerden, Churchill, nietszeggende woorden van het type dat Eveliens aandacht anders altijd, zodra Juf d’r kont maar voor een moment gekeerd had, automatisch in Lots richting hadden geleid. Want Lot was veel interessanter. Zowiezo, maar vandaag speciaal. Ze had namelijk een nieuw schrift met een zeer opvallende kaft, en daar had Evelien nog niets over gezegd. Vreemd. Anders rook ze zoiets altijd op een kilometer afstand. Nu had ze zogenaamd niks in de gaten, net als bij haar cello, ofschoon die vogel op haar kaft – een scherp gestileerde knalrode vogel tegen een helder blauwe achtergrond – haar zowat de ogen uitpikte.

Lot had de pest in. Alle vriendelijkheden van de laatste twee weken waren dus vergeefs geweest. Als het aan haar had gelegen zou ze trouwens gelijk een stevige en definitieve punt achter de vriendschap hebben gezet. Maar ja, Juf wilde weer zonodig de vredestichter spelen. Belachelijk, zo schaapachtig als Evelien voor zich uit had zitten kijken, die middag na school. Twee korte vragen, eigenlijk eerder constateringen dan vragen – Waarom heb je die boeken niet gewoon afgegeven? Waarom heb je die bladzijde eruit gescheurd? – en ze was in huilen uitgebarsten. Juf had toen niet aangedrongen, zodat Lot nu nog niet wist waarom. Ze haatte die huilebalken.

Het was onrustig in de klas. De grote aanval op West-Europa begon op tien mei. De kern van het zorgvuldig uitgewerkte plan van de Duitsers bestond uit een geconcentreerd offensief op de zwak verdedigde Belgische Ardennen. Alleen met verdubbeld voorleesvolume kon Juf nog boven het rumoer uitkomen. En desondanks keek Evelien nog steeds straal voor zich uit. Na het bombardement op Rotterdam capituleerde Nederland op veertien mei. België hield het vol tot achtentwintig mei en Frankrijk tot tweeëntwintig juni. Van haar moeder had ze het weer moeten goedmaken. Die kon slecht tegen dat domme geruzie. Dus had Lot meteen die vrijdagochtend daarna, onder speeltijd, een verzoeningspoging gedaan. Want als zij het niet zèlf deed, zou het nooit gebeuren. En dus had ze haar maar als tweede gekozen in het pingpongteam van de meisjes. En dus hadden zij dik verloren van de jongens. Evelien pingpongde niet echt slecht, ze werd alleen veel te gauw kwaad. Als ze een bal missloeg, knalde ze van gif nog vijf of zes ballen met raketsnelheid richting Rotterdam, waar de verwoestingen toch al niet te overzien waren. Er was voor de geallieerden maar één lichtpuntje, en dat was de evacuatie van Duinkerken. Met haar calligrafeerpen schreef Lot dat woord, nadat Juf het had gespeld, op de eerste, nog blanco pagina van haar nieuwe schrift. duinkerken. Aan zee, dacht ze, dat is vast een badplaats in de duinen. Ze stootte Evelien aan, wees op het woord in haar schrift en vroeg fluisterend of zíj wist waar dat lag. Evelien schudde van nee, maar eerder alsof ze zich betrapt voelde dan als neutraal blijk van topografische onwetenheid, alsof Duinkerken de plaats van het misdrijf was, de plaats waar niemand haar ooit mocht hebben gezien, die prachtige oude stad in de duinen die zij – Lot wist het nu zeker – met haar plompe voeten had platgewalst.

Spijt had ze ervan, spijt als haren op haar hoofd dat ze naar haar moeder had geluisterd. En zeker dat ze ook nog zo idioot was geweest John Cage een avond naar Evelien af te vaardigen. Doe dat nu maar, had haar moeder gezegd, voor de lieve vrede, blijkbaar niet op de hoogte van het historische feit dat het hier om een verachtelijk marionettenbewind ging onder leiding van maarschalk Pétain. Maar ze had het toch gedaan, ze moest naar celloles, er was niemand meer thuis. Dus had ze generaal Cage naar het onbezette gebied in het Zuiden getransporteerd, nabij de hoofdstad Vichy. Daar hebben ze hem, ondanks de witte vlag, in een verraderlijke hinderlaag laten lopen. Onder die omstandigheden had Lot het laffe vredesaanbod van de vijand gedecideerd afgeslagen. Onvoorwaardelijke vrijlating van alle gevangenen had ze geëist. Maar Cage had, nog maar half bij zijn positieven na die misselijke verdoving, teruggevochten als geen ander, zijn verzwakte lichaam niet ontziend, onwaarschijnlijk dapper. Hij had haar onverhoeds de punt van zijn bajonet op de keel gezet. Met zijn gouden hart besloot Cage haar in leven te laten. En toen heeft zij zijn capitulatieaanbod getekend. De laffe gans.

Cage, één arm in het gips, was die avond in triomf onthaald door een juichende en vlaggende bevolking. Het plein zag zwart van de mensen. Cage stond grijnzend op het balkon van het stadhuis, een sigaret nonchalant bungelend in zijn ongeschoren mondhoek. Winston Churchill, burgemeester van Duinkerken, had hem in gloedvolle bewoordingen toegesproken. En vervolgens had hij Cage gedecoreerd tot oorlogsheld in de derde graad, een slechts bij hoge uitzondering verleende onderscheiding. Maar het was of Cage sinds die dag veranderd was. Zijn oogopslag was trager en matter geworden, zijn tred onzekerder. Het was alsof hij werd gekweld door herinneringen, alsof er iets was gebeurd dat hem vreselijk dwars zat. Na een tijdje bleef hij met één oog, rond en rood, alsmaar in de verte staren, ook ‘s nachts. Lot had sindsdien elke dag wel een uur naar hem zitten kijken. Zij had geprobeerd te voelen wat Cage voelde. Tevergeefs, vreesde ze, zijn verdriet was peilloos.

Evelien moest er meer van weten. Maar die leek wel van haar spraak beroofd. Een beetje dom met haar hoofd schudden was zowat het enige wat ze kon. Toch zou Lot het haar duidelijk maken. En ineens wist ze ook hoe. Maar dan moest ze wel opschieten, over vijf, zes minuten ging de bel. Geconcentreerd begon ze in haar geschiedenisboek te lezen, rechtsboven p. 161. Af en toe krabbelde ze gehaast iets met potlood in de marge. Na anderhalve bladzijde hield ze op. Toen begon ze met haar zwarte viltstift het papier te bewerken. Bijna de hele tekst streepte ze door. Op een paar plaatsen spaarde ze letters en woorden uit. De boodschap zou hard aankomen: Lafaard. Je hebt na de capitulatie mijn stad verwoest. Er is maar één lichtpuntje: je positie is hopeloos. Daarna maakte Lot de paginanummers onleesbaar, schreef waar 161 had gestaan 43 en waar 162 had gestaan 44, scheurde die pagina uit het boek en legde die in het boek van Evelien. Lot zag Eveliens gezicht verbleken. Toen ging de bel en sprintte iedereen met zijn haastig ingepakte boekentas de klas uit.

Alsof er geen vuiltje aan de lucht was, die indruk moest je wel krijgen. Vriendelijk lachend had hij hen binnengeroepen, de kooi op zijn witte schoot genomen en kijk, kijk gezegd, zal ik eens raden hoe jij heet? Prima, zei Freek, maar zachtjes tegen Lot: Dat raadt hij nooit, let maar op. Hammie, zei de dokter, al bijna zeker van zijn zaak, en ofschoon hij aan het hoongelach van de kinderen kon horen dat hij er wel ultraver naast moest zitten ging hij door met Bruintje, Snuitje, Pluisje, die hele stoet namen die Lot indertijd ook voorzichtig had geopperd maar die Freek resoluut had verworpen. Jij wilt toch ook niet Meisje of Zusje heten, of Zus, dat is een boerengewoonte, zoek maar liever een behoorlijke naam.

John Cage was een vondst van hun vader. Na twee of drie naamloze dagen was de naam John Cage hem ineens, geïnspireerd, zei hij, door Lots vingeroefeningen op de cello, te binnen geschoten. Het scheen de naam van een beroemde componist te zijn, een heel moderne, en meteen had hij op briefkaartformaat een virtuoos cellospelende hamster getekend, zodat er gelukkig een eind was gekomen aan dat kwellende naamloze tijdperk. John Cage heette hij voortaan. Het is de naam van een beroemde componist, hielp Lot. Waarna de dokter nieuwe moed vatte en Ha, Mozart! riep. Niet goed? Bach dan! Bach of Beethoven of hoe al die ouwe knakkers heten mogen. Een heel moderne, riep Lot. Een heel moderne? Ja, Cage! Keetsj? Cage!! Nee, Keetsj, haha, daar had hij nog nooit van gehoord.

De dokter had hem op zijn hand gewogen en van alle kanten bevoeld. Toen had hij hem in de ogen gekeken, speciaal in dat ene oog, dat er als een onbeschutte uitkijkkoepel bij lag. Met zijn rechterwijsvinger probeerde hij het ooglid er voorzichtig, als een hoesje, overheen te schuiven, maar dat lukte niet, het gleed blijkbaar niet goed meer, want hij liep – meefluitend met de weeïge muziek die ergens boven uit het plafond kwam – naar een open kast vol medicijnen en kwam terug met een bruin flesje van zacht plastic waaruit hij twee druppels duwde die hij recht op de rode oogbol van Cage mikte. Dat zou wel helpen, zei hij. Tenminste als zij dat thuis ook nog een paar keer zouden doen. Om de twee uur drie druppels. Behoedzaam zette hij Cage terug in zijn kooi, waar die even aan het waterpijpje lurkte en toen meteen wegkroop in het zaagsel. Zijn kopje stak er nog half boven uit. En bovenop dat kopje zijn uitkijkkoepel, die nu in elk geval een beetje glom. Matglanzend, zeg maar. Als het niet helpt moeten jullie morgen om vier uur terugkomen, had hij nog gezegd.

Maar helpen deden die druppels niet. Het oog van Cage leek nu nog het meest op een verschrompelde, doffe knikker, waarmee hij hopeloos in de ruimte bleef turen. Daar kwam nog bij dat hij weinig at en ook ‘s avonds, als hij normaal gesproken tot leven kwam, nauwelijks nog bewoog. Lot kon zich met niets anders meer bezig houden dan met de verzorging van haar arme oorlogsinvalide. Zin om piano of cello te spelen had ze niet meer, voor vrienden of vriendinnen, zelfs voor Evelien had ze elke belangstelling verloren. Ze kon haar ogen niet van Cage afhouden, geen moment. Misschien was het op haar kamer wel te koud, misschien moesten ze hem voortaan maar ‘s nachts beneden laten, met de kooi in de buurt van de verwarming. Niemand had bezwaren, ondanks enig gesputter van haar vader. Of ze echt dacht dat dat hielp. Ja, dat dacht ze echt. Ze had het zojuist nog in Zorg zelf voor je hamster gelezen. Twintig tot zevenentwintig graden moest het zijn. Te grote wisseling van temperaturen was niet goed. Met kloppend hart had ze ook het hoofdstuk ‘Ziekten en kwalen’ gelezen, waarin ontsteking of korstvorming aan de ogen, ook wel bindvliesontsteking of conjunctivitis genoemd, een veel voorkomende kwaal werd genoemd, wat haar weer een beetje had gerustgesteld, maar ook dat het vaak een ouderdomsverschijnsel is, en dat was gek, want Cage was nog geen half jaar oud, veel te jong voor invaliditeit.

De volgende dag zat ze al om tien voor vier in de wachtkamer, weer met Freek, want alleen durfde ze niet. De dokter deed nog steeds even vrolijk. Tot dan toe had Lot gedacht dat zijn humeur een aanwijzing bevatte voor de te verwachten diagnose en de vooruitzichten op genezing, maar dat begon ze nu toch ernstig te betwijfelen. Iedereen kon toch zien dat Cage doodziek was?! Hoe kon hij dan zo doodgemoedereerd blijven fluiten? Hoe kon hij aan iets vrolijks denken terwijl hij met een spits wit lampje hardhandig in het matte oog van Cage stond te porren, ergens aan de rand van de bol, alsof hij op zoek was naar een plekje dat voldoende houvast bood om hem er in één keer uit te wippen? Lot kon het niet meer aanzien. Ze zocht steun in de blik van Freek, maar toen werd ze onmiddellijk verscheurd door het gevoel Cage te verraden, hem alleen te laten met zijn pijn, zijn verschrikkelijke herinneringen en zijn angst voor nog meer pijn, een gevoel dat haar extra overtuigde van de valsheid van het gesus van de dokter, een sprookje leek het wel met al die verkleinwoorden. Ik durf niet, ik wil weg, schreeuwde ze, en weg was ze, de behandelkamer uit.

Freek aarzelde. Moest hij haar achterna? Of moest hij solidair zijn met Cage, die nu zonder tegenstribbelen op zijn rug in de linkerhandpalm van de dokter lag, de kleine pootjes lichtjes trillend omhoog, de buik open en bloot, een makkelijk doelwit voor de spuit die daar over een of twee tellen in zou priemen. Freek beet op zijn tanden. Hij dwong zich ertoe te blijven kijken, Lot kon wel even wachten. Cage klapte op de punt van de naald bijna dubbel van de pijn. Alles aan hem schokte en trilde. Freek voelde zijn ingewanden binnenstebuiten keren. Een paar seconden, toen trok de dokter dat ding uit het lijfje. Cage bleef levenloos liggen. Hij had hem toch niet vermoord? Hij had hem toch niet fluitend een overdosis van het een of andere gif gegeven? Freek wilde gillen, maar hij kreeg geen geluid uit zijn mond. Pas na het ‘zoooo’ van de dokter voelde hij de droge kramp uit zijn kaak wegtrekken, kon hij één, twee keer slikken en vragen of het gelukt was, de operatie, of de dokter dacht dat hij nog kansen had, die moedige Cage. Misschien, zei de dokter, misschien, hij is ontzettend zwak en misschien dat deze spuit hem er weer een beetje bovenop helpt. Het is een alles-of-niets-spuit, morgen kan ik meer zeggen.

Maar daar hoefden ze niet op te wachten. De toestand van Cage ging snel achteruit, zienderogen zelfs, daar hoefde je geen dokter voor te zijn. Hij lag daar maar, begraven in het zaagsel, geen aanmoediging scheen er meer tot hem door te dringen. Op zijn best zwalkte hij zo nu en dan nog wat door zijn kooi, snuffelend aan al het lekkers dat Lot hem, met haar neus tegen de tralies, voor de voeten wierp, maar meer ook niet, het leek wel of zijn eetlust totaal verdwenen was. Het stukje kaas dat ze hem voor de mond hield, anders toch een van zijn lievelingsgerechten, pakte hij tussen zijn pootjes, snuffelde eraan, tamelijk lang zelfs, alsof hij een valstrik vermoedde, en liet het dan vallen zonder er één keer in gebeten te hebben.

Lot begreep er niets van. Had hij geen honger? Dan bracht hij zijn mais of zijn zaadjes, zijn stukjes appel of wortel, zijn sla- of paardebloemblaadjes toch altijd naar een van zijn geheime ondergrondse voorraadschuren? Ze probeerde het nog eens, met een stukje beschuit ditmaal. Cage nam het over en bracht het tot voor, nee tot tegen zijn mond, alsof hij het er wel in wilde duwen maar dat om de een of andere reden niet kon. Ineens schoten Lot een paar vreselijke regels te binnen uit Zorg zelf voor je hamster die ze gisteren of zo gelezen had, waarschuwende regels over de zeer ernstige gevolgen bij onvoldoende gelegenheid tot knagen. Het knaagdiertje krijgt dan te lange snijtanden, ook wel olifantstanden genoemd, die een slot op de mond vormen, waardoor eten onmogelijk wordt. Dat was het dus: Cage had wel degelijk honger, hij wilde ook wel degelijk eten, maar hij kreeg zijn kaken niet meer van elkaar! Hij moest nu in elk geval gauw wat te drinken krijgen, anders ging hij dood. Dus druppelde haar moeder met een pipet wat melk in de spleet tussen zijn tandjes, waarna ze de kooi op de verwarming zette, zieken moeten het warm hebben. Maar er was geen redden aan. Om half negen, toen haar moeder hem andermaal een paar druppeltjes melk toediende, ademde Cage nog een beetje, te zien aan het zachte deinen in de flanken. Om negen uur niet meer.

De volgende morgen vouwde en plakte Freek een kartonnen kistje op maat. Op het deksel tekende hij een kruis met RIP in het hart, eronder schreef hij: Hier rust onze lieve John Cage. Cage voelde stijf en koud aan, hij woog bijna niets meer. Met zijn allen brachten ze hem naar het kerkhof, vlak naast de verwoeste stad. Lot had daar op dodenherdenking ter ere van de eerdere roemruchte overledenen een celloconcert willen geven, haar eerste openluchtconcert met vrij entree, maar ze wist niet of ze daar nu, met het kersverse lijk van Cage d’rbij, nog wel toe in staat zou zijn. Er zou dan trouwens toch eerst een nieuw Muziekcentrum gebouwd moeten worden.

Freek zette de schop in de grond, in de hoop dat hij niet in de beenderresten van Charly of Ferdinand sneed. Toen pakte hij het kistje met Cage, plaatste dat voorzichtig in de gleuf en gooide die met een schep grond dicht. Hij draaide zich om en keek naar Lot. Lot, die al gedurende de hele plechtigheid in haar hoofd een lied neuriede, heel hard, soms met de ogen dicht, keek terug. Ze voelde dat ze nog veel harder moest neuriën.
Die avond in bed vroeg ze zich af hoe Cage erbij zou liggen. Zou hij echt niks meer merken van de regen die nu met bakken naar beneden kwam? Hoe lang zou zijn kistje het houden? Erg dik was het karton niet, misschien hadden de eerste wormen zich al een weg naar binnen weten te banen. En de mollen? Die wisten natuurlijk precies waar er overal begraafplaatsen waren, die zouden wel al op de loer hebben gelegen. De een zijn dood is de ander zijn brood. Verder wilde Lot niet denken.