Berlijn – Alexanderplatz

De grond moet altijd nog dezelfde zijn
maar de oude café-restaurants, de wereldvermaarde
warenhuizen, de hoerenhuizen en half en half
clandestiene nerinkjes, de uitdragerijen, de overbevolkte
etagewoningen hier om de hoek – dat alles
werd ermee gelijk gemaakt

een zandvlakte was het, veemarkt en dorpshart
later en daarna een niet meer te ontwarren kluwen
van trams, rijwielen, handkarren, paard
en wagens, voetgangers en automobielen –

in zo’n steriele, hygiënische, door weinig anders
dan indroevige naoorlogse nieuwbouw omgeven kaalslag
waait geen krantje tegemoet, zou geen een
Biberkopf zijn Völkischer Beobachter
meer durven uitventen, met in zilveren letters
die naam trots op zijn pet

op de gevel van een van de kantoorflats
prijkt dan ook precies een slecht gekozen passage
uit Döblin’s werk – iets over weerzien
en hondse kou, waar eigenlijk
bijvoorbeeld dit had moeten staan:

Kijk nog eenmaal om u heen, u allen, die hier
nu gedachteloos krioelend over de Alex gaat, kijk nog
even om, voor alles voorgoed verdwenen is –

in de schaduw van een bouwschutting scholen
allerlei punks samen, sommige in aan elkaar geketende
winkelwagentjes gezeten, en drinken er
misnoegd, verveeld uit blik hun halve liters

het is het zwart weer en het leer, het zijn
de aan iedereen trouw te maken honden weer
en de soldatenkisten en de matglanzende
doodssymbolen, de deinende, wiegende, gekleurspoelde
hanenkammen als vederbossen
op verder kaalgeschoren schedels –

bulldozers schoven traag het puin, die eindmorene
van vergeten leven, naar de uiterste
randen weg en lieten in alle leegte het plein
met zijn pleinvrees alleen

Berlijn – Ansbacher Strasse

Dit is de sleutel in je hand, dit is de vleugeldeur
van de entree, de brede trapopgang
die zijn pluchen loper voor je uitlegt en je naar statige
verdiepingen omhoogvoert

geen roede ligt er scheef, het duister
kruipt uit de lambrisering op en in de kille aderen
van het marmer stremt, vermoeid, het bloed

de lichte scheuren dateren van die keren
dat de luchters vervaarlijk zwaaiden en zich leegschudden
boven tafelkleden en parket, toen het alarm
afging en het laatste kristal versplinterde –

kom, sluit de deur achter je, denk om indringers
en najaarsblad, snuif de verschaalde, bijna vervlogen
geuren van zijde en serge, van dat ene, alles

zo vaak verpestende parfum op, van varkensleren
of goedkope kartonnen koffers en hoor
hoe de sneeuw van toen, dooiend, andermaal
van een kraag van sabelbont druipt

en hoe op de slechts spaarzaam verlichte overlopen
het gekrulspelde wantrouwen en zulke ochtendjasklamme
ongepoederde opvliegers, roddels

en al of niet bedekte toespelingen konden gedijen –
buitenom vergrijpen de tengels van de bosandoom zich
aan lofwerk, loggia’s en balkons, omstrengelen
tot wurgens toe de jaren

hier was het toch?

Berlijn – Schlesisches Tor

De onvermijdelijke treinen, de roetkleurige
avondschemering boven Landwehrkanal en Spree –

jarenlang stond de poort naar het oosten
wijd open voor Silezisch varkensvlees, voor koper
en steenkool, voor afgeladen beestenwagens
in omgekeerde richting, de vettige walm van de locomotieven
als ze onder de Warschauer Brücke vandaan kwamen
waar langs de rails, ’s winters, ’s nachts
tussen bevroren wissels en verlamde seinarmen
soms wat gemorste antraciet te vinden was
die gauw mee naar huis werd genomen, naar een stinkende
schoorsteen, het gekleurde cellofaanpapier
dat de ruitjes van de keukendeur als glas-in-lood
zo mooi sierde maar nu opbolt door het vocht –
nog dringt vanaf de spoorbaan het gehijg en gesis, het gegil
van doodsangst en genot tot hier door en flarden stoom
slaan neer in jachtige, mistige dromen, kristallen
als nachtwitte landschappen en tuilen op de ramen

spiegels van verlangen en ersatz