In het voorjaar van 1948 verscheen in Parijs bij uitgeverij Gallimard een merkwaardig boek. Niet alleen de titel, Sens-plastique – een neologisme – was ongewoon, dat was ook de half-Engelse half-Franse naam van de schrijver, Malcolm de Chazal, en al helemaal de inhoud. Het geschrift, dat ruim driehonderd bladzijden telde, bevatte ongeveer tweeduizend prozateksten, in lengte variërend van een enkele regel tot een hele pagina. Viel dat eenvoudig vast te stellen, moeilijker was het dit proza te benoemen. Waren het aforismen? Aperçu’s? Fantasieën? Prozagedichten? Micro-essays? Van allemaal wat, maar niets helemaal.
Het boek dat Gallimard uitbracht, was een heruitgave van een boek dat een jaar eerder was verschenen op het eiland Mauritius, de voormalige Franse kolonie in de Indische Oceaan, waar ook de schrijver zelf woonde. Volgens de overlevering had een exemplaar van deze editie zijn weg gevonden naar Parijs, waar het op tafel lag bij de dichter Francis Ponge, toen de schilder Dubuffet langskwam. Deze was zo gefascineerd, dat hij meteen Jean Paulhan waarschuwde, een van de adviseurs van Gallimard. Paulhan aarzelde niet en stuurde een brief naar Mauritius waarin hij zijn belangstelling kenbaar maakte. Een brief die insloeg als een bom.
Mauritius behoort weliswaar tot de grotere eilanden in de wereld, maar héél erg groot is het nu ook weer niet: zo’n zestig kilometer in de lengte en iets meer dan veertig kilometer in de breedte. Halverwege de vorige eeuw woonden er ruim vierhonderdvijftigduizend mensen, van wie de blanken een minderheid vormden. De familie De Chazal maakte deel uit van de oude eilandaristocratie, een geslacht van vermogende planters, weldoeners en bestuurders, en was prominent gebleven, ook toen Mauritius in 1810 in Engelse handen overging. Het enige opmerkelijke aan de familie was dat ze niet het katholicisme of protestantisme aanhing, maar behoorde tot de Kerk van het Nieuwe Jeruzalem, de mystiek georiënteerde Swedenborgianen. Aan de rechte boom van dit illustere geslacht werd Malcolm de spreekwoordelijke kromme tak. Hij had in Amerika voor suikeringenieur gestudeerd; de enige keer dat hij zijn geliefde en gehate eiland verlaten had, de plek waar hij in 1902 geboren werd en in 1981 zou overlijden; was ten enenmale ongeschikt gebleken voor het praktische leven en sleet nu zijn dagen als subaltern beambte bij de plaatselijke Dienst voor Elektriciteit en Telefonie. Ook daar zou hij geen carrière maken: hij eindigde zijn loopbaan als eenvoudig meteropnemer die, zo wil het verhaal, de armere klanten steevast te weinig in rekening bracht. In zijn persoonlijk leven had Chazal niet veel méér geluk. Hij woonde, ongetrouwd, bijna tot het eind van zijn dagen op een zolderkamer bij een zuster, aan wie hij een hartgrondige hekel had.
In het enige mij bekende boek van enige omvang over Chazal, Malcolm de Chazal: Quelques aspects de l’homme et de son oeuvre van Laurent Beaufils (1995) – overigens een typisch ‘Frans’ boek: rijk aan grote woorden en arm aan kleine feiten – valt na te lezen hoe geïsoleerd hij zich op Mauritius voelde. Na zijn terugkeer uit Amerika had hij een aantal artikelen in de lokale pers gepubliceerd waarin hij van leer trok tegen bestuur en economie van het eiland, en die hem niet in dank waren afgenomen. In een kleine kring van kunstenaars en intellectuelen genoot hij een zekere reputatie vanwege een zestal boekjes met Pensées die hij bij een plaatselijke uitgeverij gedrukt had weten te krijgen, de vrucht van lange en eenzame wandelingen met een notitieboekje in de zak. De verkoop echter was te tellen in enkele stuks. Chazal gold als een zonderling, nagewezen en achter zijn rug bespot, en op zijn beurt voelde hij zich volstrekt onbegrepen. En toen was daar die brief uit het moederland, nog wel van de belangrijkste Franse uitgeverij. Hij klampte zich er aan vast als een drenkeling aan een stuk hout. Zijn wanhoop klinkt door in de brieven die hij in 1947 en ’48 aan Paulhan schreef. Ze zijn niet alleen buitengewoon lang, opvallender nog is hun heftige, bijna extatische toon. Paulhan moet danig geschrokken zijn, als iemand die om een glas water vraagt en opeens een brandspuit op zich gericht ziet.
Sens-plastique verscheen in Parijs, kreeg in het literaire wereldje een warm onthaal (André Breton zag in Chazal een onontdekte surrealist; W.H. Auden bejubelde hem in de New York Times), maar verkocht slecht. Een jaar later bracht Gallimard nog een bundel essays uit, La vie filtrée, maar dit keer bleef het in Parijs even stil als het op Mauritius altijd was geweest. De correspondentie met Paulhan breekt abrupt af; dezelfden die Chazal eerder met égards hadden binnengehaald, lieten hem nu geruisloos vallen, op zoek naar de nieuwe held van het seizoen.
Het was voor Chazal een verpletterende teleurstelling, temeer daar hij het idee had pas nu aan zijn échte werk toe te komen: Sens-plastique was achteraf voor hem niet meer dan een voorstudie. Misschien waren de zaken anders gelopen als hij zich, zoals zijn eilandgenoot Loys Masson, in Parijs had gevestigd en het literaire spel had meegespeeld. Daar staat tegenover dat een metropolitane Chazal moeilijk voorstelbaar is: zijn originaliteit wortelt nu juist in dat ene, even provinciale als exotische eiland in de Indische Oceaan.
Teruggeworpen op dat eiland vatte Chazal de pen weer op. In totaal publiceerde hij zo’n vijftig boeken en boekjes, allemaal bij een plaatselijke uitgever en in minieme oplagen. Reden waarom die boeken en boekjes, zoals eigen ervaring leert, onvindbaar zijn. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de enkele geschriften waarop ik wél de hand heb weten te leggen, niet deden verlangen naar meer. In zijn latere werk bouwt Chazal de intuïties van Sens-plastique uit tot een systeem, een heel eigen kosmogonie, waarin Mauritius, met zijn mythische eerste bewoners, de Lemuren, de navel van de wereld wordt. In zijn omvangrijkste boek, Pétrusmok (1951) doolt de schrijver als een tropische William Blake tussen de rotsen en ziet daarin, in wat je eerbiedig ‘visioenen’ en oneerbiedig ‘fantasieën’ kunt noemen, het oerverleden van het eiland tot leven komen. Er staan prachtige stukken in, maar als geheel is het taaie lectuur.
In Sens-plastique is die latere filosofie, door Chazal ‘Unisme’ gedoopt, alleen nog in de kiem aanwezig. De kracht van dit boek ligt in de frisheid van de observaties, de oorspronkelijke manier waarop de schrijver ‘kleine’ dingen waarneemt in flora en fauna, water en lucht, weer en wind, vanuit een verrassend perspectief. Om dat perspectief te verklaren, is in geleerde publicaties verwezen naar mystici als Boehme en Tauler en de natuurfilosofen van de Romantiek, en hoewel Chazal een zeer belezen man was, die heel wel weet kan hebben gehad van deze voorgangers, vergeleek hij zijn kijk op de dingen toch het liefst met die van een kind. Zoals een kind in het patroon op een gordijn gezichten kan zien, een optocht of een veldslag, zo zag Chazal in de natuur ongeziene krachten en verbanden. Zelf heeft hij het als volgt samengevat:
‘Mijn filosofische positie in dit werk komt voort uit het beginsel dat mens en natuur geheel en al continu zijn en dat alle delen van het menselijk lichaam en alle uitdrukkingen van het menselijk gezicht, met inbegrip van hun gevoelens, te onderscheiden zijn in planten, bloemen en vruchten en in hogere mate zelfs in dat alter ego van ons, het dier. En hoewel mineralen gewoonlijk worden beschouwd als onbezield, meer als dood dan als levend, zou ik toch liever zeggen dat ook zij tenderen naar die opperste synthese, de menselijke gedaante, met name als ze in beweging zijn. “De mens werd geschapen naar het beeld van God”, maar daar bovenuit stel ik dat “de natuur geschapen is naar het beeld van de mens”.’
De geboorte van zijn bijzondere ‘blik’ heeft Chazal een en andermaal beschreven: hij liep op een dag door de botanische tuin van Port Louis, de hoofdstad van Mauritius, en keek aandachtig naar een bloem. En terwijl hij stond te kijken, zag hij opeens dat de bloem terugkeek. Het was het moment waarop hij zijn ‘zesde zintuig’ ontdekte. Sens-plastique is, in zijn eigen woorden, een poging om ‘ten eerste het menselijke en de natuur te vatten tussen de twee armen van een pincet, waarvan de ene arm de vijf zinnen zijn en de andere het zesde zintuig, en ten tweede de zinnen zelf te onderzoeken, door ze twee aan twee te bezien door de bril van dat zesde zintuig.’
De hier gepresenteerde keuze uit Sens-plastique – vertaald als ‘Zinnebeelding’, een vertaling die ik graag geef voor een betere – kan natuurlijk geen recht doen aan een boek van meer dan driehonderd dichtbedrukte pagina’s. Ze geeft niet meer dan een doorsnede, zij het, naar ik hoop, een redelijk representatieve. Met één uitzondering: de vele opmerkingen over De Vrouw, een onderwerp dat de vrijgezel Chazal na aan het hart lag, heb ik en bloc weggelaten, voornamelijk omdat ik ze nogal zouteloos vind. Wat overblijft, rijp en groen door elkaar, zijn soms prikkelende, soms bizarre en soms ronduit onnavolgbare observaties. Noem het ‘poëtische waarheden’, bestemd voor de lezer die het met víjf zintuigen moet doen.