Voorwoord

De geschiedenis als wetenschap laat ons over individuen in het ongewisse. Ze laat ons alleen de raakpunten zien met algemene gebeurtenissen. Ze zegt ons dat Napoleon zich niet lekker voelde op de dag van Waterloo, dat de uitzonderlijke intellectuele werklust van Newton toegeschreven moet worden aan zijn absolute gevoelsarmoede, dat Alexander dronken was toen hij Klitos doodde en dat de fistel van Lodewijk de Veertiende bepaalde besluiten in de hand gewerkt kan hebben. Pascal heeft het over de neus van Cleopatra, als die korter was geweest, of over een zandkorrel in de pisbuis van Cromwell. Al die particuliere feiten hebben alleen betekenis voor zover ze van invloed zijn geweest op gebeurtenissen of de loop ervan hadden kunnen veranderen. Of het reële of mogelijke oorzaken zijn, dat is verder aan de geleerden.

De kunst, die een broertje dood heeft aan algemene begrippen, laat alleen maar het individuele zien en is alleen maar op het unieke gericht. Kunst ordent niet maar zaait verwarring. Wat ons betreft hoeven onze algemene ideeën niet te verschillen van die welke gangbaar zijn op Mars, drie lijnen die elkaar snijden vormen overal in het universum een driehoek. Maar neem een boomblad met zijn grillige nerven, zijn kleurschakeringen in licht en schaduw, de zwelling doordat er een regendruppel op gevallen is, het gaatje dat een insect heeft gemaakt, het zilverspoor van een slakje, de eerste dodelijke goudrand die de herfst erop tekent. En zoek nu ergens in alle grote wouden ter aarde naar één blad dat er precies op lijkt: onbegonnen werk. Er bestaat geen wetenschap van het bladvlies, van het netwerk van een cel, de kronkels van een ader, van de hebbelijkheden en wispelturigheden van een karakter. Dat een bepaald iemand een kromme neus heeft, het ene oog hoger dan het andere, knokige polsen; dat iemand gewoonlijk op een vast tijdstip kippenborst eet, liever een Malvoisie drinkt dan een Château-Margaux, vindt in de wereld z’n weerga niet. Thales had evengoed als Socrates gnothi-seauton kunnen zeggen, maar hij zou in de gevangenis beslist op een andere manier over zijn been gewreven hebben voordat hij de scheerlingbeker dronk. De ideeën van grote mannen zijn het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid; alleen hun eigenaardigheden blijven hun persoonlijk eigendom. Een boek dat een mens zou beschrijven in al z’n anomalieën zou net zo’n meesterwerk zijn als de Japanse prent waarop voor eeuwig een rupsje staat afgebeeld zoals het ooit één keer op dat en dat uur van de dag is waargenomen.

Geschiedschrijving doet er over dit soort zaken het zwijgen toe. In de ruwe materiaalverzameling van historische getuigenissen zijn er niet veel bijzondere, onvergelijkelijke kenmerken. Vooral oude biografieën zijn daarin karig. Omdat ze vrijwel alleen maar met het openbare leven of de grammatica rekening hielden, gaven ze ons van de grote mannen alleen de redevoeringen en de titels van hun boeken. Van Aristofanes zelf weten we gelukkig dat hij kaal was, en als de platte neus van Sokrates niet tot literaire vergelijkingen aanleiding had gegeven, en zijn gewoonte om blootsvoets rond te lopen niet deel had uitgemaakt van zijn filosofische minachting voor het lichaam, zouden wij van hem alleen maar zijn vragen over zedenwetten hebben overgehouden. Het geroddel van Suetonius is alleen maar hatelijk gestook. Plutarchus is soms dankzij zijn goede neus een kunstenaar; maar ook hij had geen benul van waar het in de kunst werkelijk om ging, omdat hij in ‘parallellen’ dacht – alsof twee mensen wanneer ze echt tot in alle details beschreven worden ooit op elkaar zouden kunnen lijken! We zijn dus op Athenaeus aangewezen, op Aulus-Gellius, op de scholastici en op Diogenes Laërtius die dacht dat hij zoiets als een geschiedenis van de filosofie had geschreven.

Het gevoel voor het persoonlijke heeft zich in moderne tijden sterker ontwikkeld. Het werk van een Boswell zou perfect zijn als hij het niet nodig had gevonden de correspondentie van Johnson te citeren en uit te weiden over diens boeken. De ‘Levens van uitzonderlijke personen’ van Aubrey zijn bevredigender. Aubrey had ongetwijfeld gevoel voor de biografie. Wat jammer dat de stijl van deze uitstekende verzamelaar niet van hetzelfde niveau is als zijn opzet! Zijn boek zou voor verwende lieden een eeuwige bron van genot zijn geweest. Aubrey voelt nergens de aanvechting een verband te leggen tussen individuele details en algemene ideeën. Voor hem was het voldoende dat anderen de lui die hem interesseerden beroemd hadden gemaakt. Je hebt vaak een hele tijd niet in de gaten of het om een wiskundige, een staatsman, een dichter of een klokkenmaker gaat. Maar elk van hen heeft een uniek kenmerk dat hem voor altijd van alle andere mensen onderscheidt.

De schilder Hokusaï hoopte wanneer hij honderdtien jaar oud zou zijn het ideaal van zijn kunst te bereiken. Dan, zei hij, zou elke punt die hij zette, zou elke lijn van zijn penseel levend zijn. Levend wil zeggen individueel. Niets lijkt méér op elkaar dan punten en lijnen: op dat axioma is de meetkunde gebaseerd. De volmaakte kunst van Hokusaï eiste dat ze volledig van elkaar verschilden. Dat zou ook het ideaal van de biograaf zijn, eindeloos te differentiëren tussen twee filosofen die vrijwel dezelfde metafysica ontwikkeld hebben. Maar Aubrey, die uitsluitend waarde hecht aan mensen, bereikt de perfectie niet, omdat hij niet de wonderbaarlijke verandering weet te bewerkstelligen van het overeenkomstige in het onderscheidene, waarvan Hokusaï droomde. Aubrey is trouwens ook geen honderdtien geworden. Toch is hij heel verdienstelijk, en hij was zich de reikwijdte van zijn werk bewust. ‘Ik herinner mij,’ zegt hij in zijn voorwoord bij Anthony Wood, ‘een uitspraak van generaal Lambert – that the best of men are but men at the best – waarvan u in deze ruwe en haastig bijeengebrachte verzameling ettelijke voorbeelden vindt. Daarom mogen deze arcana dan ook niet eerder dan over een jaar of dertig aan het licht worden gebracht. Het is inderdaad beter dat de auteur en zijn personages (zoals mispels) eerst verrot zijn.’

Al bij de voorgangers van Aubrey zijn sporen van zijn kunst te ontwaren. Zo leert Diogenes Laërtius ons dat Aristoteles op zijn maag een leren beurs met warme olie droeg en dat men na zijn dood in zijn huis een enorme hoeveelheid aardewerk aantrof. We zullen nooit te weten komen wat Aristoteles met al die potten voorhad. En dat raadsel is even prikkelend als de hypothesen die Boswell opwerpt ter verklaring van wat Johnson deed met de gedroogde sinaasappelschillen die hij in zijn zakken placht te bewaren. Op dit punt overtreft Diogenes Laërtius bijna de onnavolgbare Boswell. Dat genoegen is bij hem echter zeldzaam, terwijl bij Aubrey iedere regel er vol mee zit. ‘Milton,’ zo vertelt hij, ‘sprak de R raspend uit.’ Spenser ‘was een klein mannetje, met kortgeschoren haar, een smal kraagje en korte manchetten.’ Barclay ‘leefde in Engeland ongeveer tempore R. Jacobi. Hij was toen een oudere man met een witte baard, en hij droeg een hoed met veer, waar sommige mensen van stand aanstoot aan namen’. Erasmus ‘hield niet van vis, hoewel hij in een stad van de vishandel geboren was’. Wat Bacon betreft, ‘geen van zijn bedienden durfde hem onder ogen te komen zonder laarzen van Spaans leder; want hij rook meteen de geur van kalfsleer waar hij een afkeer van had’. Doctor Fuller ‘ging zozeer in zijn werk op dat als hij voor het diner wat ging lopen om na te denken hij een brood van een paar stuivers opat zonder het te merken’. Over Sir William Davenant maakt hij de volgende opmerking: ‘Ik was bij zijn begrafenis; hij had een notenhouten kist. Sir John Denham verzekerde dat hij nooit een mooiere lijkkist gezien had.’ Over Ben Johnson schrijft hij: ‘Ik heb Mister Lacy, de acteur, horen zeggen dat hij een jas droeg die op een koetsiersjas leek, met splitten opzij.’ En wat valt hem aan William Prynne op: ‘Zijn manier van werken was aldus: hij droeg een lange puntmuts die minstens twee of drie duim over zijn ogen viel en die hem als luifel diende ter bescherming van zijn ogen tegen het daglicht, en ongeveer elke drie uur moest zijn bediende hem een brood en een kroes ale brengen om zijn levensgeesten weer op te wekken, zodat hij werkte, dronk en zijn brood kauwde waardoor hij op de been bleef tot hij ‘s avonds een goed souper tot zich nam.’ Hobbes ‘kreeg op latere leeftijd een grote kale kop; toch zat hij thuis altijd blootshoofds te studeren, en hij zei dat hij nooit kou vatte maar dat hij moeite had de vliegen ervan te weerhouden op zijn kale kop te gaan zitten.’ Hij zegt ons niets over de Oceana van John Harrington, maar vertelt ons dat de auteur ‘Anno Domini 1660 in de Tower gevangen werd gezet, waar men hem vasthield, vervolgens in Portsey Castle. Zijn verblijf in deze gevangenissen (hij was immers een heer met een grote geest en een heet hoofd) was de procatarctische oorzaak van zijn waanzin of liever van zijn dwaasheid die hem immers niet in razernij liet vervallen, want hij praatte heel samenhangend en was aangenaam gezelschap; maar hij verbeeldde zich dat zijn zweet in vliegen en soms in bijen veranderde, ad cetera sobrius; en hij liet een draaibaar houten huisje in de tuin van Mister Hart bouwen (tegenover het St. James Park) om er proeven te doen. Hij draaide het in de zon en ging ervoor zitten; vervolgens liet hij zijn vossenstaarten komen om er alle vliegen en bijen die zich vertoonden mee te verjagen en dood te slaan; daarna sloot hij de ramen. Omdat hij het experiment in het warme seizoen uitvoerde, waren er altijd een paar vliegen in spleten en plooien van de gordijnen weggekropen. Na ongeveer een kwartier kwam er door de warmte een vlieg of een paar vliegen naar buiten. Hij schreeuwde dan: ‘Zien jullie niet dat ze uit mij komen?’

En alles wat hij over Meriton zegt is dit: ‘Zijn eigenlijke naam was Head. Mister Bovey kende hem goed. Geboren in… Was boekhandelaar in Little Britain. Hij had onder bohémiens verkeerd. Hij had met zijn schalkse ogen iets van een kwajongen. Hij kon welke gedaante dan ook aannemen. Was twee of drie keer bankroet. Werd ten slotte boekhandelaar, of tegen het einde. Hij verdiende zijn brood met zijn schrijverij. Hij kreeg 20 sh. per vel. Hij schreef meerdere boeken: The English Rogue, The Art of Wheadling enz. Hij is rond 1676 verdronken op de terugreis naar Plymouth over zee, op een leeftijd van ongeveer 50 jaar.’

Ten slotte moeten we zijn biografie van Descartes citeren: De heer Renatus Des Cartes ‘Nobilis Gallus, Perroni Dominus, summus Mathematicus et Philosophicus, natus Turonum, pridie Calendas Apriles 1596. Denatus Holmiae, Calendis Februarii, 1650. (Ik vind deze inscriptie onder zijn portret van C.V. Dalen.) Hoe hij zijn jeugd doorbracht en met welke methode hij zo geleerd werd, dat vertelt hij zelf iedereen in zijn traktaat met de titel De la Méthode. De Sociëteit van Jezus beroemt zich erop dat de orde de eer had hem te hebben opgevoed. Hij woonde enkele jaren in Egmond (bij Den Haag) waar hij verschillende van zijn boeken dateerde. Hij was een te verstandig man om zich aan één vrouw te binden; maar aangezien hij man was, had hij de wensen en verlangens van een man; daarom onderhield hij een mooie vrouw van goede komaf, van wie hij hield en bij wie hij enkele kinderen had (ik geloof twee of drie). Het zou verbazingwekkend zijn als spruiten uit de lendenen van zulk een vader niet een bovenstebeste opvoeding hebben genoten. Hij was zo’n uitzonderlijk geleerde dat alle andere geleerden hem opzochten en velen van hen vroegen hem zijn… apparaten te tonen (in die tijd was de mathematische wetenschap nog nauw verbonden met de kennis van instrumenten en, zoals Sir H.S. het uitdrukte, met goocheltrucs). Hij trok dan een laatje uit zijn tafel en toonde hun een kompas waarvan een van de wijzers was gebroken; en als liniaal gebruikte hij een gevouwen vel papier.’

Geloof maar dat Aubrey precies wist wat hij deed. Denk niet dat hij de waarde van de filosofische ideeën van Descartes of Hobbes heeft miskend. Daar lag zijn belangstelling niet. Hij zegt heel terecht dat Descartes zelf zijn methode publiekelijk heeft uiteengezet. Hij weet heus wel dat Harvey de circulatie van het bloed heeft ontdekt; maar hij merkt liever op dat de grote man als hij niet kon slapen in zijn nachthemd ging wandelen, dat hij een beroerd handschrift had, en dat de beroemdste artsen van Londen voor zijn recepten geen stuiver gaven. Hij meent oprecht dat hij ons over Francis Bacon voldoende heeft ingelicht wanneer hij heeft verteld dat hij levendige en gevoelige ogen had, hazelnootbruin, lijkend op het oog van een adder. Maar Aubrey is een minder groot kunstenaar dan Holbein. Hij slaagt er niet in een mens te vereeuwigen door zijn speciale kenmerken af te tekenen tegen een achtergrond van overeenkomsten met het ideaal. Hij geeft leven aan een oog, de neus, het been, het mondje van zijn modellen, maar vermag niet de figuur in z’n geheel tot leven te brengen. De oude Hokusaï begreep dat hij individuele trekken moest zien te geven aan het meest algemene. Aubrey was niet zo scherpzinnig. Boswells boek zou het beloofde meesterwerk geworden zijn, als het niet meer dan tien pagina’s had geteld. Het gezonde verstand van doctor Johnson bestaat uit de meest banale gemeenplaatsen; maar zo bizar als Boswell het afschildert, wordt het iets unieks in deze wereld. Alleen lijkt die logge catalogus op de woordenboeken van de doctor zelf; je zou er een Scientia Johnsoniana uit kunnen halen, met index en al. Boswell heeft niet de esthetische moed gehad een keuze te maken.

De kunst van de biograaf bestaat nu juist uit die keuze. Hij moet zich niet afvragen of het waar is wat hij schrijft; hij moet orde scheppen in een wirwar van menselijke eigenschapppen. Leibniz zegt dat God om de wereld te maken de beste uit alle mogelijke heeft gekozen. De biograaf is een soort lagere godheid: hij kiest uit het menselijk mogelijke het unieke. Hij mag inzake kunst net zo min fouten maken als God zich vergist heeft in wat goed was. Beiden moeten een zelfde onfeilbaar instinct hebben. Geduldige demiurgen hebben voor de biograaf een massa ideeën, gebaren, gelaatstrekken en gebeurtenissen verzameld. Hun werk heeft z’n neerslag gevonden in kronieken, memoires, correspondenties en aantekeningen. De biograaf sorteert die verzameling ruw materiaal in een poging een vorm te vinden die op geen enkele andere lijkt. Ze hoeft helemaal niet het evenbeeld te zijn van een vorm die door een hogere god geschapen is, mits ze maar uniek is zoals elke ware schepping.

Biografen hebben helaas gedacht dat ze geschiedschrijver waren. En ze hebben ons op die manier prachtige portretten onthouden. Ze hebben verondersteld dat alleen het leven van grote mannen onze belangstelling had. Kunst heeft met dat soort overwegingen niets van doen. In de ogen van de schilder heeft het portret van een onbekende man geschilderd door Cranach evenveel waarde als het portret van Erasmus. Dat schilderij is niet uniek vanwege de naam Erasmus. De kunst van de biograaf zou evenveel waarde moeten hechten aan het leven van een arme acteur als aan het leven van Shakespeare. Lagere instincten maken dat we met genoegen zien dat de buste van Alexander een kippenborst heeft of dat er op het portret van Napoleon een lok over zijn voorhoofd valt. De glimlach van Mona Lisa, van wie we niets weten (misschien is het een mannengezicht) is geheimzinniger. Een grijns die Hokusaï getekend heeft, geeft aanleiding tot ernstige overpeinzingen. Als we ons aan de kunst zouden wagen waarin Boswell en Aubrey excelleerden, zouden we vermoedelijk niet minutieus de grootste man van onze tijd moeten beschrijven, of optekenen wat het meest kenmerkende was aan de grootste beroemdheden van weleer, maar met dezelfde aandacht de unieke levens van willekeurige mensen moeten vertellen, of dat nu goddelijke, middelmatige of misdadige mensen zijn.

 

Empedokles
Een man van goddelijke oorsprong

Niemand weet iets over zijn geboorte noch hoe hij ter wereld kwam. Hij dook op aan de goudgele oevers van de rivier Akragas, in de mooie stad Agrigente, kort na de tijd dat Xerxes de zee in de boeien liet slaan. De traditie verhaalt slechts dat zijn grootvader Empedokles heette: niemand kende hem. Waarschijnlijk moeten we daaronder verstaan dat hij zoon van zichzelf was, zoals een God betaamt. Maar zijn leerlingen beweren dat voordat hij in zijn glorietijd de velden van Sicilië doorkruiste hij in onze wereld reeds vier levens achter de rug had: als plant, als vis, vervolgens als vogel en ten slotte als meisje. Hij droeg een purperen mantel waar zijn lange haar los op neerviel; om zijn hoofd droeg hij een gouden band, aan zijn voeten bronzen sandalen en hij hield slingers van gevlochten wol en lauriertakken in de hand.

Hij genas zieken door ze de hand op te leggen en droeg verzen voor in Homerische stijl, op gedragen toon, staande op een wagen en met het gezicht ten hemel geheven. Een grote schare volgde hem en knielde voor hem neer om naar zijn gedichten te luisteren. Onder de heldere hemel die de korenvelden verlicht, kwamen de mensen van heinde en ver naar Empedokles, de armen vol offergaven. Hij oogstte hun bewondering door het goddelijke gewelf van kristal te bezingen, de vuurbal die wij zon noemen, en de liefde die alles als een grote bol omvat.

Alle wezens, zo verklaarde hij, zijn slechts verspreide splinters van die liefdeskoepel waarvan de haat zich meester heeft gemaakt. En wat wij liefde noemen is het verlangen ons te verenigen, ons te versmelten en één te worden zoals we dat voorheen waren in de schoot van de ons omgevende door onmin versplinterde God. Hij beriep zich op de dag waarop de goddelijke bol na alle gedaanteveranderingen van de zielen geheel van zichzelf vervuld zou zijn. Want de wereld die wij kennen is het werk van de haat en de vernietiging ervan zal het werk van de liefde zijn. Zo zong hij in de steden en op de velden; en zijn uit Lakonië afkomstige bronzen sandalen dreunden aan zijn voeten, en voor hem klonken de cimbalen. Maar tegelijkertijd spuugde de Etna een zuil van zwarte rook uit haar muil de hoogte in, waardoor Sicilië overschaduwd werd.

Gelijk een hemelvorst had Empedokles zich omwikkeld met purper en omgord met goud, terwijl de pythagoreeërs rondsjokten in hun dunne wollen tunieken en schoeisel van papyros. Men zei dat hij oogplak kon oplossen, tumoren kon laten verdwijnen en pijnen aan de ledematen kon onttrekken; men smeekte hem een einde te maken aan regens of onweer; vanaf een kring van heuvels bezwoer hij de stormen; in Selinonte verdreef hij de koorts door twee rivieren in de bedding van een derde te laten vloeien; en de inwoners van Selinonte bouwden ter ere van hem een tempel en sloegen medailles met zijn beeltenis face à face met die van Apollo.

Andere beweren dat hij waarzegger was en, grootgebracht door Perzische magiërs, toverkracht bezat en kennis van kruiden die gek maken. Op een dag zat hij aan tafel bij Anchitos toen er een dolle man met geheven zwaard de kamer binnenstormde. Empedokles stond op, strekte zijn arm uit en zong de verzen van Homeros over het toverkruid nepenthes dat gevoelloos maakt. En onmiddellijk werd de uitzinnige door de nepenthes bevangen en bleef stokstijf staan, het zwaard in de lucht, en hij was alles vergeten alsof hij het zachte gif gedronken had dat door de schuimende wijn in een beker gemengd was.

Zieken kwamen naar hem toe buiten de stadsmuren en hij werd omgeven door een menigte ongelukkigen. Vrouwen mengden zich in zijn gevolg. Zij kusten de zoom van zijn kostbare mantel. Een van hen heette Panthea, de dochter van een edelman uit Agrigente. Zij was aan Artemis gewijd, maar zij vluchtte voor het kille beeld van de godin en bestemde haar maagdelijkheid voor Empedokles. Men zag geen enkel teken van liefde tussen hen, want Empedokles bleef te allen tijde de onberoerbare god. Hij uitte zich slechts in metrische verzen en in Ionisch dialect, hoewel het volk en zijn getrouwen alleen maar Dorisch spraken. Al zijn gebaren hadden iets plechtigs. Wanneer hij met mensen verkeerde, dan alleen om hen te zegenen of te genezen. Meestentijds deed hij er het zwijgen toe. Niemand uit zijn gevolg heeft hem ooit slapend aangetroffen. Men zag hem alleen in zijn grootsheid.

Panthea was gekleed in fijne wol en goud. Haar haren waren geschikt naar de weelderige mode van Agrigente, de stad waar het leven kalm verliep. Haar borsten werden ondersteund door een rode gordel en de zolen van haar sandalen waren geparfumeerd. Verder was zij even mooi als rijzig en zij bezat een verrukkelijke teint. Of Empedokles haar werkelijk heeft bemind, is niet zeker, maar hij had medelijden met haar. De Aziatische luchtstroom verspreidde de pest over de Siciliaanse velden. Veel mensen werden aangeraakt door de zwarte vingers van de plaag. Zelfs lagen er dode beesten aan de rand van de weilanden en men zag hier en daar geschoren schapen voor lijk liggen met geopende bek naar de hemel, met uitstekende ribben. En Panthea kwijnde weg door de ziekte. Zij viel ter aarde en blies haar laatste adem uit aan de voeten van Empedokles. De mensen die erbij stonden tilden haar verstijfde lichaam op en baadden het met wijn en welriekende stoffen. Ze maakten de rode gordel los die haar jonge borsten omsloot en wikkelden haar lichaam in linnen. En haar open mond werd door een band dichtgehouden en haar lege ogen weerspiegelden het licht niet meer. Empedokles keek naar haar, maakte de gouden band om zijn voorhoofd los en zette hem op haar hoofd. Hij legde over haar borsten de profetenkrans van laurier, zong onbekende verzen over de reis der zielen en gaf haar tot drie keer toe bevel op te staan en te lopen. De menigte werd vervuld van schrik. Bij de derde aanroeping verliet Panthea het schimmenrijk, haar lichaam werd levend en kwam overeind, geheel omzwachteld met doodswaden. En het volk zag dat Empedokles doden tot leven wekte.

Pysianaktes, de vader van Panthea, kwam de nieuwe God aanbidden. Tafels werden buiten onder de bomen geplaatst om hem plengoffers te brengen. Staande naast Empedokles hielden slaven grote toortsen omhoog. Herauten riepen zoals bij de mysterieën plechtig om stilte. Plotseling gingen bij de derde wake de toortsen uit en omhulde de nacht de aanbidders. En een krachtige stem liet zich horen, die riep: ‘Empedokles!’ Toen het weer licht werd, was Empedokles verdwenen. De mensen zagen hem niet meer terug.

Een ontstelde slaaf vertelde dat hij een rode flits had gezien die de duisternis om de top van de Etna had doorkruist. Getrouwen beklommen in het droeve licht van de dageraad de kale hellingen van de berg. De krater van de vulkaan spuugde een vlammenbundel uit. Op de poreuze kraterrand van lava die rondom de brandende afgrond loopt vond men, gehavend door het vuur, een bronzen sandaal.

 

Paolo Uccello
Schilder

Hij heette eigenlijk Paolo di Dono; maar de Florentijnen noemden hem Uccello, of Vogelpaul vanwege de vele afbeeldingen van vogels en dierschilderingen waar zijn huis mee vol stond: hij was namelijk te arm om beesten te eten te geven of vreemde dieren aan te schaffen. Men zegt zelfs dat hij in Padua een fresco van de vier elementen uitvoerde en als zinnebeeld voor de lucht een kameleon afbeeldde. Maar omdat hij er nooit een gezien had, schilderde hij een kameel met een dikke buik en een wijdopen bek. De kameleon lijkt volgens Vasari op een magere hagedis terwijl de kameel een slungelig groot zoogdier is. Maar het interesseerde Uccello volstrekt niet of dingen echt bestonden, het ging hem om hun veelvormigheid en talloos vele lijnen; dus schilderde hij de velden blauw, de steden rood en de ridders in zwarte wapenrusting op paarden van ebbenhout, hun bekken als vlammen, en de lansen als lichtstralen die naar alle windstreken wezen. En hij tekende graag zogenaamde mazocchi, dat zijn houten, met doek bespannen ringen die men zo op het hoofd zet dat de plooien van de stof om het hele gezicht hangen. Uccello tekende sommige spits toelopend, andere vierkant of veelkantig, weer andere piramideof kegelvormig, in alle mogelijke perspectieven. Hij ontdekte een hele wereld van combinaties in de plooien van de mazocchio. En de beeldhouwer Donatello zei hem: ‘Ach, Paolo, je geeft het wezenlijke op voor de schijn!’

Maar Vogelpaul zette zijn geduldwerk voort, hij voegde de ene cirkel aan de andere, hij splitste de hoeken in andere hoeken, hij onderzocht alle schepsels van alle kanten, en de moeilijkheden in Euclides liet hij zich door zijn vriend de wiskundige Giovanni Manetti uitleggen; dan sloot hij zich op en bedekte zijn paperassen en zijn houten tafels met punten en bogen. Hij hield zich eindeloos bezig met het bestuderen van de architectuur, waarbij hij zich liet bijstaan door Filippo Brunelleschi; maar niet met de bedoeling zelf iets te bouwen. Het enige wat hij deed was weergeven welke richting de lijnen volgden, vanaf de fundamenten tot aan de daklijsten, waar rechte lijnen elkaar sneden, en hoe gewelven zich naar hun sluitsteen bogen, en de waaiervormige verkorting van de dakspanten die aan het eind van de langgerekte zalen samen leken te komen. Ook tekende hij alle soorten dieren en hun bewegingen alsook de gebaren van mensen om ze terug te brengen tot simpele lijnen.

Vervolgens liet Uccello (als een alchemist die zich over het mengsel van metalen en organen buigt en aandachtig hun versmelting in het vuur bestudeert om goud te vinden) alle vormen in een smeltkroes van de vorm opgaan. Hij voegde ze samen, combineerde ze en smolt ze om en wilde ze veranderen in één enkele oervorm, waaruit alle andere kunnen worden afgeleid. Dat is de reden waarom Paolo Uccello leefde als een alchemist, opgesloten in zijn kleine huisje. Hij dacht dat hij alle lijnen in één enkele, ideale figuur kon omvormen. Hij wilde de geschapen wereld zien zoals zij zich in het oog van God spiegelt, die alle gedaanten uit een alles omvattend middelpunt ziet ontspringen. Om hem heen leefden Ghiberti, della Robbia, Brunelleschi en Donatello, ieder een trotse meester in zijn eigen kunst; zij dreven de spot met de arme Uccello, met zijn perspectief-manie, en beklaagden hem met zijn huis vol spinnenwebben en leeg aan levensmiddelen; maar Uccello was nog trotser dan zij. En telkens als hij zijn lijnen opnieuw combineerde, hoopte hij het scheppingsproces ontdekt te hebben. Zijn doel was niet de nabootsing maar het vermogen om alle dingen uit zichzelf te ontwikkelen, en zijn wonderlijke serie gevouwen mutsen leek hem meer te openbaren dan de magnifieke marmeren figuren van de grote Donatello.

Zo leefde de Vogel, zijn hoofd vol gedachten gehuld in zijn cape; hij nam nauwelijks waar wat hij at en dronk, hij had veel weg van een kluizenaar. In die toestand zag hij op zekere dag op een weide, naast een kring van oude in het gras verzonken stenen een lachend meisje met een krans van bloemen om haar hoofd. Zij droeg een lange lichte jurk die bij de borsten door een bleek lint bijeengehouden werd, en haar bewegingen waren soepel als de twijgen die zij opzij boog. Zij heette Selvaggia en zij lachte Uccello toe. Hij keek naar de gebogen lijn van haar lach. En toen zij hem aankeek, zag hij alle kleine lijntjes van haar wimpers, de cirkels van haar oogappels, de welving van de wenkbrauwen en de subtiele verstrengeling van het haar, en in zijn gedachten plaatste hij de krans op allerlei verschillende manieren op haar hoofd. Maar Selvaggia merkte daar niets van, zij was pas dertien. Zij nam Uccello bij de hand en hield van hem. Zij was de dochter van een stoffenverver uit Florence, haar moeder was dood. Een andere vrouw was in huis gekomen en had Selvaggia geslagen. Uccello nam haar mee naar huis.

Selvaggia zat de hele dag op haar hurken voor de muur waarop Uccello zijn universele vormenwereld schiep. Zij begreep nooit waarom hij liever naar rechte en gebogen lijnen keek dan naar haar gezicht dat zij naar hem toegekeerd hield. ‘s Avonds wanneer Brunelleschi of Manetti samen met Uccello studeerden, sliep zij in, na middernacht, voor de elkaar kruisende lijnen, in de kring van schaduw onder de lamp. ‘s Ochtends ontwaakte zij vóór Uccello en genoot ervan dat zij door geschilderde vogels en kleurige dieren omgeven werd. Uccello tekende haar lippen, haar ogen, haar haar, haar handen en legde alle houdingen van haar lichaam vast; maar hij maakte geen portret van haar zoals andere schilders hun geliefde schilderden. Want de Vogel kende niet het genot zich tot één individu te beperken; hij bleef niet op één enkele plaats; hij wilde in zijn vlucht boven alle plaatsen zweven. En zo werden ook de lijnen van alle houdingen van Selvaggia in de smeltkroes van de vormen gegooid, bij de bewegingen van dieren, de lijnen van planten en stenen, bij de lichtstralen en de trillingen van aardse dampen en de golven van de zee. En zonder zelfs maar aan Selvaggia te denken, leek Uccello eeuwig gebogen te blijven zitten over de smeltkroes van vormen.

Ondertussen was er in het huis van Uccello niets te eten. Selvaggia durfde het niet aan Donatello of de anderen te vertellen. Zij zweeg en stierf. Uccello tekende de verstarring van haar lichaam, de kleine magere handen die ze gevouwen had, en de lijn van haar gesloten arme ogen. Hij wist niet dat zij dood was, zomin als hij tevoren had geweten dat zij leefde. Ook deze nieuwe vormen voegde hij toe aan alle andere die hij verzameld had.

De Vogel werd oud, en geen mens begreep meer zijn schilderijen. Men zag alleen maar een wirwar van gebogen lijnen. Men herkende niet meer de aarde, noch de planten, noch de dieren, noch de mensen. Jarenlang werkte hij aan zijn ultieme werk, dat hij voor aller ogen verborgen hield. Het moest al zijn onderzoekingen samenvatten en hij droeg het evenbeeld van dit werk in zijn geest. Hij was een ongelovige Thomas die de wonden van de Heer bevoelt. Uccello was tachtig toen hij het schilderij voltooide. Hij liet Donatello komen en onthulde het hem in alle bescheidenheid. En Donatello riep: ‘0, Paolo, dek je schilderij weer toe!’ De Vogel stelde vragen aan de grote beeldhouwer, maar die wilde niets meer zeggen. En zo wist Uccello dat hem het wonder was gelukt. Maar Donatello had alleen maar een wirwar van lijnen gezien.

En enkele jaren later vond men Paolo dood van uitputting op zijn armzalige bed. Zijn gezicht straalde van rimpels. Zijn ogen waren op het onthulde geheim gericht. In zijn stevig gesloten hand hield hij een klein rond stukje perkament, bedekt met slingerende lijnen die van het midden naar de omtrek liepen en weer terug van de omtrek naar het midden.

 

De heren Burke en Hare
Moordenaars

Meneer William Burke werkte zich van helemaal onderaf op tot eeuwige beroemdheid. Hij werd geboren in Ierland en begon als schoenlapper. Hij oefende dat beroep enkele jaren lang uit in Edinburgh, waar hij bevriend raakte met meneer Hare op wie hij grote invloed had. In de samenwerking tussen de heren Burke en Hare beschikte meneer Burke onmiskenbaar over het inventieve talent en de gave tot eenvoudige oplossingen. Maar hun namen blijven in hun kunst even onverbrekelijk met elkaar verbonden als die van Beaumont en Fletcher. Zij leefden samen, werkten samen en werden samen gepakt. Meneer Hare protesteerde nooit tegen de populariteit die speciaal meneer Burke betrof. Deze volledige belangeloosheid heeft hem niets opgeleverd. Want het speciale procédé dat de twee compagnons beroemd maakte, droeg de naam van meneer Burke. Het woord burke zal nog op eenieders lippen liggen wanneer de persoon van Hare allang in vergetelheid is geraakt, zoals dat nu eenmaal het treurige lot van bescheiden types is.

Meneer Burke schijnt in zijn werk de sprookjesachtige fantasie te hebben meegebracht van het groene eiland waar hij geboren was. Zijn ziel moet doortrokken zijn geweest van de folkloristische verhalen. Wat hij gedaan heeft roept een vage herinnering op aan de Duizend-en-één-Nacht. Gelijk de door de nachtelijke tuinen van Bagdad dwalende kalief smachtte hij naar geheimzinnige avonturen en was hij een liefhebber van onbekende verhalen en vreemde mensen. En gelijk de grote zwarte slaaf met zijn kromzwaard vond hij geen waardiger besluit van zijn wellust dan de dood van anderen. Maar zijn Angelsaksische aard kwam vooral tot uiting in het feit dat hij praktisch voordeel wist te ontlenen aan zijn Keltische fantasiewereld. Wat deed de zwarte slaaf wanneer zijn kunstgenot ten einde was met degenen die hij onthoofd had? Zoals een Arabische barbaar betaamt, sneed hij ze in partjes om ze gepekeld in een kelder te bewaren. Wat had hij daaraan? Niets. Meneer Burke was daarin verreweg zijn meerdere.

Op een of andere manier diende meneer Hare hem als Dinarzade. Meneer Burke’s vindingrijke geest werd naar het schijnt door de aanwezigheid van zijn vriend bijzonder geprikkeld. Hun dromen wekten een zo sterke illusie dat ze aan een gribus genoeg hadden om hun grootse visies te herbergen. Meneer Hare hokte in een kamertje op de zesde verdieping van een drukbewoond hooghuis in Edinburgh. Een canapé, een grote kist en een paar toiletspullen vormden zo ongeveer het hele meubilair. Op een tafeltje een fles whisky met drie glazen. In de regel ontving meneer Burke maar één gast tegelijk, nooit dezelfde. Bij het vallen van de avond placht hij een onbekende voorbijganger uit te nodigen. Hij dwaalde door de stad op zoek naar interessante gezichten. Vaak koos hij op goed geluk iemand uit. Hij sprak de vreemde aan met de wellevendheid die Haroen-Al-Raschid aan de dag zou hebben gelegd. De vreemde liep zes trappen op naar de gribus van meneer Hare. De canapé werd voor hem vrijgemaakt en zij boden hem Schotse whisky aan. Meneer Burke vroeg hem naar de meest bijzondere gebeurtenissen in zijn leven. Hij was een onverzadigbare toehoorder, meneer Burke. Het verhaal werd altijd door meneer Hare afgebroken voor het aanbreken van de dag. De manier waarop hij hem onderbrak was onveranderlijk dezelfde en zeer dwingend. Om de draad van het verhaal af te breken, ging meneer Hare achter de canapé staan en legde beide handen over de mond van de verteller. Op hetzelfde moment nam meneer Burke plaats op zijn borst. Beiden droomden in die houding zonder zich te bewegen over de afloop van de geschiedenis die ze nooit zouden horen. Op die manier maakten de heren Burke en Hare een einde aan een groot aantal verhalen waar de wereld geen weet van zal hebben.

Wanneer het verhaal met de laatste adem van de verteller voorgoed gestopt was, onderwierpen de heren Burke en Hare het geheim aan een nader onderzoek. Ze kleedden de onbekende uit, bewonderden zijn juwelen, telden zijn geld, lazen zijn brieven. Sommige correspondenties waren niet oninteressant. Daarna stopten ze het lichaam ter afkoeling in de grote kist van meneer Hare. En op dit punt toonde meneer Burke zijn praktische geest.

Het was belangrijk dat het lijk vers was, maar niet meer warm, anders beleefden ze aan het avontuur niet het volste genoegen.

In de eerste jaren van die eeuw bestudeerden artsen enthousiast de anatomie; maar vanwege religieuze principes was het heel moeilijk lijken voor hun secties te vinden. Dank zij zijn heldere verstand gaf meneer Burke zich rekenschap van die lacune in de wetenschap. Niemand weet hoe hij in contact kwam met de eerbiedwaardige, geleerde arts dokter Knox, die een leerstoel bekleedde aan de faculteit van Edinburgh. Misschien had meneer Burke zijn openbare colleges gevolgd, hoewel hij door zijn verbeeldingskracht eerder in kunstzinnige richting neigde. Zeker is in elk geval dat hij dokter Knox beloofde hem zo goed mogelijk te helpen. Van zijn kant verplichtte dokter Knox zich hem voor zijn moeite te betalen. Het tarief ging in glijdende schaal omlaag van de lijken van jonge mensen naar die van ouderen. Voor de laatste had dokter Knox maar weinig belangstelling. Die mening was ook meneer Burke toegedaan – want gewoonlijk hadden ze minder verbeelding. Dokter Knox verwierf met zijn anatomische kennis groot aanzien onder al zijn collega’s. De heren Burke en Hare genoten met volle teugen van hun liefhebberij. Waarschijnlijk ligt daar de klassieke periode van hun leven.

Want het immense genie van meneer Burke doorbrak weldra de wetten en regels van een tragedie die steeds maar één verhaal en één vertrouweling kent. Meneer Burke ontwikkelde in zijn eentje (het zou kinderachtig zijn daarin de invloed van meneer Hare te willen zien) een soort romantiek. Het decor van meneer Hare’s gribus was hem niet meer genoeg, hij bedacht het nachtelijke procédé in de mist. De talloze navolgers van meneer Burke hebben enigszins afbreuk gedaan aan de originaliteit van zijn vormgeving. Maar hier hebben we de ware oorsprong van de meester.

Meneer Burke had met zijn rijke verbeelding genoeg van eeuwig dezelfde verhalen over de menselijke ervaring. Nooit had het resultaat aan zijn verwachting beantwoord. Hij was zover dat hem nog alleen het reële, voor hem steeds wisselende gezicht van de dood kon bekoren. Hij verplaatste het hele drama naar de ontknoping. De kwaliteit van de acteurs was voor hem niet meer belangrijk. Hij voegde zich naar het toeval. Het enige hulpmiddel in het theater van meneer Burke was een linnen masker gevuld met pek. Met dit masker gewapend ging meneer Burke in mistige nachten de straat op. Hij werd vergezeld door meneer Hare. Meneer Burke wachtte op de eerste de beste voorbijganger, liep snel voor hem uit, draaide zich dan om en zette hem het pekmasker op het gezicht, onverwacht en stevig. Onmiddellijk grepen de heren Burke en Hare, de een links de ander rechts, de armen van de acteur vast. Het met pek gevulde linnen masker was even geniaal als simpel, omdat het tegelijk de kreten dempte en de adem verstikte. Bovendien was het een tragisch masker. De mist vervaagde de wilde gebaren van de medespeler. Sommige acteurs leken te doen alsof ze dronken waren. Zodra de scène afgelopen was, namen de heren Burke en Hare een cab, onttakelden het personage; meneer Hare hield de kostuums in het oog en meneer Burke bezorgde dokter Knox een vers en schoon lijk.

In onderscheid tot de meeste biografen wil ik de heren Burke en Hare achterlaten op het hoogtepunt van hun roem. Waarom zulke artistieke effecten teniet doen door de heren op hun steeds langdradiger weg te volgen tot aan het eind van hun carrière en hun teloorgang en teleurstellingen aan het licht te brengen? Waarom ze anders zien dan met hun masker in de hand dwalend door mistige nachten? Want het einde van hun leven was banaal en leek op zoveel andere. Het schijnt dat een van beiden werd opgehangen en dat dokter Knox de medische faculteit van Edinburgh moest verlaten. Meneer Burke heeft geen andere werken nagelaten.