Luggnaggions, Houyhnhnms en T.S. Eliot

In Engeland was ik nog nooit geweest toen ik met de Stichting voor Vertalingen begon. Frankrijk en Italië, zo vaak als ik de kans kreeg (heel vaak) ging ik erheen, maar de Noordzee oversteken was niet bij mij opgekomen. Voor een klein deel lag dat aan de kosten, je moest nu eenmaal de boot betalen want liften was niet mogelijk. Maar meer nog ontweek ik de overkant omdat ik er niet veel vrolijks van verwachtte. Als de Bloomsburygroep er nog geweest was, wie weet, maar die generatie was uitgewist. Uit de krant kreeg je vooral de indruk dat de oorlog het grote Brittanië aan een bijna Dickensiaanse grauwheid had uitgeleverd. Nieuwe literatuur kwam eerder uit het onbereikbare Amerika dan uit Engeland. Waarom daar dan heen te gaan?

Bij wijze van oefening in de literatuurverspreiderij glipte ik eerst nog een paar weken naar het vertrouwde Parijs. Vandaaruit moest ik naar de Buchmesse, in een Frankfurt waar ik me precies zo verloren voelde als ik verwacht had, maar toen kon ik het land van de permanente industriële revolutie niet langer ontlopen. Londen was, dat had ik op de Buchmesse wel gemerkt, voor een onderneming als de mijne de beste uitvalsbasis, eerder dan Parijs waar het literaire establishment geteisterd werd door een soort betweterigheid (‘als ik daar nog nooit van gehoord heb, hoe kan het dan wat zijn?’), die het moeilijk maakte om de deur open te breken. Teveel in eigen huis om zich lang met anderen bezig te houden. Sartre, bijvoorbeeld, begon met mij tot in de puntjes te vertellen hoe het in mijn eigen land toeging. Vragen deed hij niets, hij wist al. Toen Les Temps Modernes een paar jaar later een vertaling van Werther Nieland afdrukte, een nogal avontuurlijke daad, had dat niets met Sartre te maken, het was de jonge Bernard Pingaud, nog niet onder de lakenuitdelers opgenomen, die Simone de Beauvoir warm wist te krijgen. Sartre heeft het verhaal pas gelezen toen het al in zijn tijdschrift stond. Of helemaal nooit, dat kan ook. Maar ik wil niet al te onaardig zijn over de zwaartillende filosoof, hij kon heel geestig uit de hoek komen. Zo vroeg hij mij, toen ik hem erop wees dat Les Temps Modernes zo’n mooi Brazilië-nummer had uitgegeven en misschien ook zoiets kon doen voor de Lage Landen, of ik kans zag een gat te maken in de dijken van Zeeland met dezelfde gevolgen als een paar jaar eerder. Een Holland-nummer zou dan geen probleem zijn. Er kwam daarbij geen lachje op zijn gezicht, zelfs het ene oog waarmee hij mij aankeek stond doodernstig. Ik ging daar op door en vertelde over een oude boer die bij de ramp van ’53 halfbevroren in een boom zat en daar niet uit wilde komen ‘omdat de Heer het water gezonden had’, en de Franse officier in een te hulp geschoten rubberbootje, die riposteerde dat je het natuurlijk zo kon zien maar dat God hèm er dan toch achteraan gestuurd had. Dat verhaal beviel Sartre wel, maar mijn conclusie dat het ging om een botsing tussen Calvinistisch determinisme en Cartesiaanse causale logica weerde hij met veel handgebaren af. Dat zat heel anders met de vrije wil.

Later merkte ik dat het verschil tussen Hollands en Frans denken zich niet alleen bij een confrontatie van Zeeuwse fijne boeren en Franse verlichte officieren manifesteerde, maar misschien nog wel meer als het om literatuur ging. De vertaler Zajicek, die zich op mijn verzoek gebogen had over een paar hoofdstukken van De tranen der acacia’s, riep wanhopig uit dat een normaal mens geen touw kon vastknopen aan de levensopvattingen van Hermans. Die maakte zich druk over de verhouding van Oskar Ossegal met Carola, de halfzuster van Arthur Muttah (alsof niet iedere burgerheer een vriendinnetje heeft), maar vertelde zonder blikken of blozen hoe broer en zuster vechtend over de grond rollen. Zij bijten elkaar zelfs! Geen behoorlijke Franse uitgever zou een boek met zulke krasse incestscènes op de markt willen brengen, Hermans moest eerst een paar passages herschrijven (ik heb het hem maar niet verteld).

Misschien klinkt dit allemaal een beetje gallofoob, maar daarmee had mijn verbazing over Franse verbazingen niets te maken. Ik had tot op dat moment, door de Mouvement Laïque, in Frankrijk alleen maar met naar kennis hongerende machinebankwerkers, droge naaisters en nachtportiers gepraat. Intellectuelen had ik nog niet anders meegemaakt dan op schrift of tijdens een lift van hooguit een paar uur. Daardoor leken de meesten van hen mij bij eerste kennismaking ondoorgrondelijk, en soms angstaanjagend onwetend (‘had U op reis nog last van de spoorwegstaking in Duitsland?’). Natuurlijk raakte ik na een tijdje ook aan de praat met heel andere Fransen, Paul Flamand van Éditions du Seuil, Gaëtan Picon, Roland Barthes. Maar bij mijn eerste verkenningstochten liep ik tegen een massief gebrek aan kennis en belangstelling op.

De Engelsen in Frankfurt leken mij minder zeker van zichzelf dan het gros van de Fransen. Bovendien werkten veel Britse uitgevers samen met Amerikanen, steeds meer huizen zaten zowel in Londen als in New York.

Ik had voor mijn vertrek een schema gemaakt en de eerste vijf, zes afspraken per brief geregeld, de andere vijf-en-twintig zou ik ter plaatse telefonisch proberen te bekokstoven. Ik heb maar één persoon van mijn lijstje niet te spreken gekregen. Op mijn programma van de eerste dagen stonden: Sir Stanley Unwin, voorzitter van de Engelse uitgeversbond, Alan Pryce-Jones van de Times Literary Supplement, Stephen Spender van Encounter en John Lehmann van de London Magazine (om over mijn verhalenplannetjes te praten), Allen Lane van Penguin Books die mij in Frankfurt ter opmontering verteld had hoe hij in de jaren Dertig in Nederland zijn eerste successen had geboekt, en T.S. Eliot vanwege Nijhoff. De donderdag en de vrijdag waren dus gevuld, want ik moest natuurlijk ook de stad een beetje verkennen. Zaterdag een paar vertalers die in Londen woonden, en zondag Cambridge, waar de Van Schendel-vertaler Brian Downs al decennia lang zetelde. Bij iedereen klopte ik aan op het afgesproken uur, de afgesproken minuut kan ik wel zeggen want ik wacht liever een half uur om de hoek dan dat ik vijf minuten te laat of te vroeg kom, en iedereen zat op zijn plaats. Zo zijn de Engelsen, wel wat anders dan de Parijzenaars met wie ik bijvoorbeeld een afspraak voor drie uur ‘s middags maakte, die vanwege een uitgelopen lunch pas om half vijf gehonoreerd werd, zodat ook het volgende rendez-vous in het honderd liep.

De London Magazine had zijn burelen in een huis aan één van die laatgeorgian ‘crescents’, die Londen voor de haastige bezoeker verborgen houdt. Het vereist enige moed om bij zo’n pand aan te bellen en de volmaakte stilte, alsof er altijd sneeuw ligt, te verstoren. Als de eeuwige wederkeer waar mocht zijn, hoop ik dat dit één van die punten is die een beetje anders geregeld gaan worden en dat ik een paar jaar mag wonen aan zo’n besloten tuinplein.

Ik trok toch maar aan de koperen belknop en de deur werd opengedaan, door Margareth Rutherford. Zij zei niets, liet mij in de kamergrote vestibule mijn jas ophangen, fronste (‘no brolly?’), en liep met zware tred voor mij uit, het trappenhuis in dat mij aan Willet-Holthuysen deed denken. Aan de voet van de trap, ter linkerzijde, stond een bureau en daarachter nam Rutherford plaats. Nog altijd zweeg zij, en ze is dat blijven doen, zodat ik niet kan vertellen hoe haar stem klonk. Wel drukte zij heimelijk op een belletje, want binnen een halve minuut nadat wij onze pantomime begonnen waren, kwam een serafijn door het gezeefde licht naar beneden zweven. Suède schoenen die wel van muizenvel gemaakt leken, grijze sokken met het vermoeden van een blauw streepje, flanellen broek (was het nog grijs, was het al blauw?), powderblue coltrui, pauwblauw horlogebandje. Ik wist met drukkende zekerheid dat het voor mij nooit weggelegd zou zijn, hoe mijn leven ook zou verlopen, om zo adembenemend mooi gekleed te gaan, maar voor hem was het de gewoonste zaak van de wereld. Ik besloot in stilte dat hij Jonathan moest heten. De levenskunstenaar John Lehmann wilde zijn bezoekers zoekers het woord van David goed inprenten: ‘Uwe liefde is mij wonderlijker dan liefde der vrouwen’, en had daartoe Margareth en Jonathan naast elkaar gezet.

De blauwe engel begroette mij, zei mijn naam feilloos met een ee, en niet met een ie zoals iedere andere Engelsman, en snelde voor mij uit de trap op, de linkerarm schuin naar achteren gestrekt. Ik vroeg mij af of het misschien de bedoeling was dat ik de geopende hand zou grijpen of dat de lichtgevende alleen wilde zeggen: volg mij maar, naar een oord waar het leven lieflijker is. Op de overloop bleef hij even staan en vroeg mij naar mijn reis. Ik vertelde natuurlijk niets over het soort eilandgenoten dat ik op de boot in actie gezien had (hoe zou hij daarmee ooit in aanraking gekomen zijn?), zei: ‘Uitstekend, beetje ruwe zee’ en probeerde een grapje. Moet men iemand als de dame beneden een ‘doorwoman’ noemen, vroeg ik, of toch maar gewoon een ‘doorman’? ‘Actually, she is delightful company,’ zei hij nuffig (ik had een code geschonden maar wist niet welke), en hij deed een deur open zo groot als die van het Pantheon. ‘John’, zei hij, ‘this is our friend from Holland’.

Bloomsbury is nog niet helemaal tot stof en as vergaan, was het eerste wat ik dacht: John Lehmann leek op niemand, zelfs niet op andere Engelsen. Met Jonathan had hij alleen gemeen dat ook hij een lichtblauwe trui droeg, een sweater. Het bleek een tegemoetkomende man te zijn die mij vrij precies kon vertellen wie ik vooral, nu of bij een volgende gelegenheid, moest gaan zien. De serafijn was in de kamer gebleven maar zei niets, hij stond met samengevouwen vleugels te wachten tot er weer een taak voor hem zou zijn. Lehmann keurde mijn bezoeklijstje goed, bij vrijwel iedere naam had hij een anecdote, met precies de juiste dosering van hoffelijkheid en spot. Na anderhalf uur wist ik genoeg van het Londense literaire leven om er de komende twee weken op te teren.

Ik vroeg, we hadden het daar nog niet over gehad, of de London Magazine een plaatsje voor wat Nederlandse gedichten of een verhaal zou kunnen inruimen? ‘O dear,’ zei John, ‘laten we eerst een sherry nemen.’ We namen een sherry, terwijl Jonathan in het aangrenzende vertrek een paar schalen met sandwiches en bouchées op tafel zette, die een haastig binnenkomende en haastig weer wegschietende oudere heer hem aangereikt had. Al dat lekkers bleek voor ons drieën bestemd te zijn. Natuurlijk was de lunch het moment niet om over beroepsaangelegenheden te praten, maar in stilte zat ik mij er zorgen over te maken dat ik in tijdnood zou komen. Om drie uur had ik met Stephen Spender afgesproken, in de City en dat was een heel eind reizen.

Ik had mij geen zorgen hoeven te maken. Na de sandwiches en de vispasteitjes en een paar glazen witte wijn gingen wij in de andere kamer voor het knappende haardvuur zitten, om te bekomen. De zaken hadden wij in vijf minuten afgehandeld. De Engelsen, zei Lehmann, interesseren zich niet voor hun eigen literatuur, laat staan voor die van andere naties. Hij natuurlijk wel, maar zijn graasgebied reikte niet verder dan het touw waaraan hij vastzat. Hij zag het dus donker in voor mij, maar natuurlijk wilde hij wel wat lezen, je kon nooit weten. In de jaren daarna hebben wij nog verschillende wellevende gesprekken gevoerd en niet minder wellevende brieven gewisseld, maar als ik mij niet vergis heeft de London Magazine pas in 1961 een paar Nederlandse gedichten afgedrukt. Al die jaren bleef ik vertalingen sturen, niet omdat ik daar veel van verwachtte maar omdat ik altijd, ongevraagd, glashelder commentaar kreeg op de vertalingen. Daarbij bracht Lehmann een verschil aan tussen slechte gedichten, slechte vertalers en slechte vertalingen. De kwalifikatie ‘slechte vertaler’ hield in: tsjandala, nooit meer iets te vertalen geven. Latere ontwikkelingen hebben mij geleerd, naar zulke vaststellingen heel goed te luisteren.

Allen Lane verraste mij door tien keer zo naief te zijn als ik verwachtte van een zo vindingrijk man. Hij had een reusachtig leren bankstel staan dat nog aan Von Ribbentrop toebehoord had, en leek grote schik te hebben in mijn verbazing dat ik op een stoel zat, zo groot als een roeiboot waar Goering zich een keer in had neergelaten, een gespeelde verbazing want het deed mij niets. Voor literatuur verwees Sir Allen mij naar vader en zoon Cohen die buitenlandse boeken onder hun hoede hadden, hij wilde het zelf vooral hebben over koningshuizen, het zijne en het mijne. De Engelse koningin, zei hij, kon alleen over paarden praten. Hoe zat dat bij ons? Beter, verzekerde ik hem, lang niet ideaal maar beter. De koningin was een middle class dame, met de daarbij behorende voorkeuren en vooroordelen. Het jaar daarna kreeg ik van het lot overduidelijk gelijk: een moeder die ziet hoe de officiële geneeskunde verstek laat gaan bij de genezing van haar kind en het zoekt bij een paranormaal begaafde vrouw (wij dachten toen nog dat Greet Hofmans een soort Jomanda was), het is weinig aristocratisch, het kan niet anders dan ‘burgerlijk’ genoemd worden (en lief). Kende ik de landsvrouwe persoonlijk? wilde Lane weten. Zou zij bereid zijn hem te ontvangen? Penguin! zei ik, natuurlijk! Waarschijnlijk heeft zij Uw mooie en toch zo voordelige boeken in haar kast staan, de Oranjes zijn zuinig want zij willen graag ieder jaar met vacantie naar Italië. Lane zat nog meer te glimmen dan hij van nature al deed, en hij begon nog een beetje meer te stotteren.

Mijn tweede uitgever, Sir Stanley Unwin, zocht ik de dag daarna op, vroeg in de ochtend want hij was een early riser. Ik trof hem aan achter een napoleontisch bureau in een stille, ruime kamer, waarin je als bij een zwembad langs een trapje afdaalde. Een keurige oude heer, sik, vossekop, gouden bril met halve glazen, en, onverwacht en toch in harmonie met het geheel, om zijn hals een zijden doekje dat door een gouden ring gehaald was. Dat soort kleine indicaties van artisticiteit, want zo was het wel bedoeld, trof mij de komende weken bij meer uitgevers. Sir Stanley leverde, in het beknopte bestek van het ene uur dat mij toegemeten was, een nauwkeurige analyse van de Engelse uitgeverswereld, de literaire kritiek, de machinerie binnen een uitgeverij. Ik vermoed moed dat hij over die onderwerpen lezingen gehouden had, zo geordend zat alles in zijn hoofd, maar hij begreep dan toch maar precies wat ik moest weten om mijn werk goed te doen.

Er staan nog twee personen op mijn lijstje, die hun opwachting mogen maken voordat wij naar Eliot gaan. Ik vertel over die ontmoetingen niet om op te scheppen maar juist omdat ik er een beetje zwakzinnig uit te voorschijn kom. Ook daarover moet de lezer ingelicht worden, al was het maar omdat mijn wederwaardigheden laten zien hoe weinig literatuur ons leert over omgangsvormen, taboes en eufemismen, zelfs de sociale romans zoals die in Engeland geschreven plegen te worden.

Alan Pryce-Jones woonde in een achttiende-eeuws appartement ‘off Piccadilly’, en deed mij open, klokke half vijf, gehuld in een joyeus roze gestreept jasje. Met uitgestrekte hand stapte ik op hem af. ‘Meneer Pryce-Jones wacht U in de salon’, zei de huisknecht, zonder de uitgestoken hand aan te nemen. De machtige hoofdredacteur van de TLS was weliswaar bijna even formeel als zijn butler, maar zijn uitmonstering was in stemmig anthraciet gehouden.
Als ik aan deze gaffe terugdenk moet ik er om lachen maar wat mij de zondag daarna gebeurde, ik kan het nog steeds niet leuk vinden.
Brian Downs was Master of Christ’s College, Cambridge. Hij had mij uitgenodigd om de lunch te komen gebruiken, na ‘chapel’. Dat betekende, merkte ik toen wij na de bone dry sack aan tafel gingen, dat de preker van de dag, een befaamd theoloog, mee aanzat, met zijn vrouw. Look, look, Master, here come two religious caterpillars. Omdat het gesprek bij de sherry over de preek was gegaan, kon ik het allemaal niet zo goed volgen, maar dat vond ik niet erg. Ik was in een opperbeste stemming. Het weer was zaterdagochtend omgeslagen, de avond had ik gelukzalig door het roomblanke Belgravia gedwaald, en de reis door het zonnige landschap tussen Londen en Cambridge had alle vermoeenissen van de afgelopen dagen weggeblazen. Zo zacht was het dat ik het coupéraampje aan de brede linnen banden omlaag kon trekken om af en toe mijn hoofd naar buiten te steken.

Ik zei zoëven: wij gingen aan tafel, maar dat kan een verkeerd beeld oproepen. Een Nederlander denkt bij die uitdrukking aan een intiem samenzijn, maar wat hier gebeurde vereiste een niet geringe aanpassing mijnerzijds. De tafel was een ovalen spiegel van mahoniehout, met een lengteas waarvan de uitersten een meter of vier van elkaar verwijderd waren. Daaraan zaten wij zo evenredig verspreid als met vijf personen mogelijk is. Er moest met enige stemverheffing gesproken worden maar natuurlijk toch ook weer zo dat het gedempt klonk. Spreken deed maar één persoon tegelijk, de godgeleerde meestal, soms Brian Downs, één of twee keer Mevrouw Caterpillar, op momenten dat er een stilte viel Mevrouw Downs, en heel af en toe, als er iets te antwoorden viel, ik. Niet alleen de afstand was een probleem, ook het zicht. Twee uitbundige, en uitbundig mooie, boeketten stonden op de middelpunten van de tafelellips (‘Heeft U die bloemenweelde zelf samengesteld, mevrouw Downs?’ Nee, rund, heel Engeland loopt vol met oude dametjes die zulke dingen doen en anders neemt de universitaire tuinman het wel voor zijn rekening). Middenin prijkte, vanwege de bijzondere gelegenheid, een fonkelende biljartersbeker uit het wijkcafé volgens mijn ongeoefende oog (het was de zestiende-eeuwse gouden College Chalice). Wanneer iemand van achter één van die drie voorwerpen mij iets vroeg, kiekeboe, moest ik gevaarlijk ver op mijn stoel, chippendale of hepplewhite, wat was het, opzij buigen om oog in oog met mijn gesprekspartner te komen, als een zeiler die een boei rondt. Een vrolijk voorval, dat mij helemaal op mijn gemak stelde, vond plaats toen de echtgenote van de Voorganger op verzoek van de gastvrouw begon te vertellen over Denemarken waar zij dat jaar de vacantie hadden doorgebracht. Aardige mensen, vond ze, ze leken op de Nederlanders, lomp maar behulpzaam. Plotseling begon iedereen tegelijk te praten, behalve ik. Toen het weer stil werd, verzekerde ik de ongelukkige dame, die haar faux pas begrepen had, dat ze gelijk had en ik ontwikkelde een theorie die ik nu vergeten ben. Een warm gevoel doorstroomde mij: heerlijke schotels, meer bedienden dan eters, en iemand anders die de bok geschoten had waarvoor ik zelf zo bang geweest was.

Na een uur of anderhalf brak het gezelschap op. Toen iedereen weg was, bleef ik nog wat met de gastheer praten, over Cambridge waar ik de rest van de dag zou doorbrengen. Om half drie maakte ik mij op om naar het Fitz-william te gaan, nog even wash hands.

In de toiletkamer, een ruimte die ik graag als studeervertrek ter beschikking had gehad, hing helaas een, uiteraard achttiende-eeuwse, spiegel, en ik zag mijzelf: rijst-met-krenten, de roetvlokken die in dit land van fraaie stoomlokomotieven langs de wagonramen dwarrelden waren niet aan mij voorbijgegaan. Vegen, wat ik blijkbaar aan tafel al gedaan had, maakte alles erger, wash hands was niet genoeg. Niemand, dat wou ik zeggen, niemand had mij gewaarschuwd, ook Brian Downs niet, en toen ik fris gewassen de hal binnenkwam, waar hij op mij stond te wachten, zei hij nog steeds niets. Hij moet toch, mag ik hopen, iets opgemerkt hebben, al had hij mij nooit eerder gezien? Luggnaggions en Houyhnhnms. Het ergste is dat die Victoriaanse kippekut, met haar grove Hollanders en Denen, het laatst gelachen heeft.

How pleasant to meet Mr. Eliot

De koninklijke ingang van Faber & Faber bevond zich aan Russell Square, Bloomsbury zoveel ik maar wilde, maar de secretaresse van T.S. Eliot (het kost mij moeite om niet Meneer Eliot te schrijven) had mij verteld dat ik aan de zijkant van het gebouw naar binnen moest, daar zat de portier. Dat ik langs die weg zonder moeite in het domein van Mr. Eliot terecht zou komen, bleek echter een illusie te zijn, de portier moest naar boven bellen dat ik in de hal stond. Een jongedame kwam mij ophalen en voerde mij drie keer heen en weer door het dubbele pand, na iedere trap weer over de volle lengte naar de andere kant, en soms dwars door kamers waar vriendelijk groetende lieden zaten te werken. De laatste etappe leidde ons door een smalle vore tussen zolderhoge boekenkasten naar een zijgangetje dat uitliep op een kamer waarvan de deur openstond. Dat bleek het hokje te zijn waar de grootste Engelse dichter van zijn tijd op mij zat te wachten. Hadden zij zich bij Faber afgevraagd waar zij de oude heer moesten laten en toen bedacht dat er achter de magazijnen nog een ongebruikt booienkamertje was, of wilde hijzelf zich op deze wijze onvindbaar maken?

De kamer van Eliot had ik mij anders voorgesteld, misschien een beetje zoals die van Unwin, maar hijzelf was precies zoals ik verwacht had, peinzend gezicht, donkergrijs pak, overhemd met een heel licht streepje, roodblauwe das (met speld), zorgvuldig gepoetste schoenen (merkwaardigerwijs donkerbruin), vest met horlogeketting. Maar toen hij opstond schrok ik even: ik moest plotseling omhoogkijken want hij was veel langer en breder dan het smalle gezicht, dat ik van foto’s kende, deed vermoeden. Wij stonden, na elkaar gegroet te hebben, enkele ogenblikken zonder iets te zeggen bij de deuropening, een andere mogelijkheid was er niet in het met boeken volgestouwde vertrekje. ‘Zal ik dáár een plaatsje vrij maken?’ vroeg het meisje dat mij gebracht had, wijzend op een negentiende-eeuwse bank met krulleuningen tegenover Eliot’s bureau, de enige plaats inderdaad waar iemand anders dan de bezitter van de bureaustoel zou kunnen plaatsnemen. Alleen, ook op die bank lagen stapels boeken. Veel mensen komen hier niet op bezoek, dacht ik.

Eliot knikte en naast elkaar staand keken wij hoe op de bank een mensbrede opening aangebracht werd door met de boeken van het midden de buitenste stapels op te hogen. Het meisje keek tevreden naar haar werk, ‘probeert U dit eens,’ zei zij. Het zat uitstekend, als ik wilde kon ik mijn armen op de boeken leggen zodat de bank een leunstoel werd. Eliot stond nog. ‘Gaat U zitten,’ zei hij. Het leek of hij tegen zichzelf gesproken had, want ik zat immers al en zelf nam hij nu pas weer plaats. Wij konden elkaar goed zien door de kloof tussen de boeken, waarmee ook het bureau vollag. Eliot legde zijn handen langs het vloeiblad en keek ernaar, met de bezorgde blik van een pianist die zich afvraagt of hij niet de eerste tekenen van een gewrichtsaandoening bespeurt. Hij vroeg of ik koffie wilde. Het meisje had dat blijkbaar verwacht want zij stond nog bij de deur, en nadat ik ‘ja graag’ gezegd had, liep zij de gang in. Eliot en ik zwegen weer een tijdje. Tersluiks keek ik de kamer rond, naar wat voor boeken er stonden, naar de spiegel boven de schoorsteenmantel waar Eliot ongetwijfeld in keek als hij zo af en toe zijn scheiding nog wat scherper maakte door een overgelopen haar naar de juiste kant terug te brengen, en naar een mooie foto van Virginia Woolf met, in de lijstrand gestoken, een soort bidprentje van Pius XII (vanwege de encycliek Humani generis, om Maria Tenhemelopneming, of gewoon omdat hij de zittende paus was?).

‘Ik heb die foto van Virginia Woolf nooit eerder gezien,’ zei ik tenslotte, ik moest toch ergens beginnen. Eliot draaide zich om alsof hij wilde zien welke foto ik bedoelde en zei toen: ‘Ik heb hem ook nooit ergens afgedrukt gezien, misschien is dit het enige exemplaar.’ ‘Het verrast mij een beetje dat U een portret van háár in Uw kamer hebt hangen,’ zei ik, al vond ik zelf de geïmpliceerde vraag op de rand van het te intieme af, ‘van haar en niet bijvoorbeeld van Ezra Pound.’ ‘Die hangt daar’, antwoordde Eliot en hij wees naar een wand die niet te zien was omdat er een sideboard met een meterhoge boekenlast voor stond. ‘Deze foto laat heel goed zien hoe Virginia Woolf eruitzag,’ voegde hij eraan toe, alsof dat de enige reden was om haar zo’n geprivilegeerde plaats te geven. (Ik heb Eliot nooit iemand alleen met de voornaam horen aanduiden.)

Blijkbaar hadden de paar zinnen die hij nu gesproken had een sleutel in hem omgedraaid, want hij begon een beetje meer te praten. Het viel mij op hoe zorgvuldig hij articuleerde, bijna als iemand die een licht spraakgebrek probeert te verbergen. Helemaal plezierig vond ik zijn afgemeten manier van spreken niet, zelf praat ik haastig en slordig en dat was nu nog beter te horen dan gewoonlijk. Ik hield rekening met de mogelijkheid dat hij zo sprak om het een buitenlander niet te moeilijk te maken, want het kon toch niet zijn om de laatste sporen Missouri en Boston uit te wissen, maar bij een van mijn latere bezoeken hoorde ik hem vijf minuten praten met zijn secretaresse en dat was op dezelfde nauwgezette wijze. Hij zei niets, weet ik nu, zonder altijd eerst na te denken, en als het gesprek eenmaal op gang was liet hij zich nog niet verleiden tot ondoordachte uitspraken. Ook hoffelijkheid, bezorgdheid dat hij iets zou zeggen dat de ander zou kunnen kwetsen, speelde een rol. Toen ik een keer het woord ‘restive’ gebruikte in een zin waarin het niet ‘rustig’ zou betekenen maar ‘weerspannig’, corrigeerde hij mij wel maar op een manier die niets van een terechtwijzing had. Zo zou het moeten zijn, zei hij, maar vreemd genoeg gebruiken Engelsen en Amerikanen het woord anders.

Toen Eliot eenmaal aan het praten was, bleek hij geleidelijk zijn verlegenheid te overwinnen (het klinkt raar maar die indruk maakte zijn onhandigheid). Hij wilde weten of ik Londen goed kende, en toen bleek dat dit mijn eerste bezoek was vroeg hij wat ik zoal gedaan had. Dat was nog niet zo veel. Het leek mij niet verstandig om over mijn ontmoetingen met Lehmann en Spender uit te weiden, Dylan Thomas was een veiliger onderwerp. Ik barstte in loftuitingen uit over Under Milk Wood, over de auteur, over de acteurs, en ik vroeg hem waarom de Engelsen de dichter zo wegwapperden, want dat was mij opgevallen. In Holland, deelde ik parmantig mee, wordt hij meer bewonderd. Eliot trok even met zijn mond, een gebaar dat ik later heb leren duiden als: ik heb er geen zin in maar ik moet hier toch wat tegen inbrengen. ‘U weet dat het een radiospel is, Under Milk Wood (ik wist het niet), het is als spel voor stemmen geschreven en in die vorm vind ik het beter dan op de planken. Een beetje beter, het blijft natuurlijk heel réussi, ook als theaterstuk’ (als hij een oordeel uitsprak gebruikte Eliot vaak Franse woorden). Hij keek weer een tijdje zwijgend naar zijn handen en zei toen: ‘Ik ben blij dat U er zoveel genoegen aan beleefd heeft, ik heb mij nogal ingespannen om de BBC over te halen, die opdracht aan Dylan Thomas te geven.’ Natuurlijk kreeg ik op dat moment op allerzachtaardigste toon een verdiende schrobbering, maar dat had ik pas door toen ik naar mijn hotelletje liep. Ik moet het gevoel van schaamte zo langzamerhand maar eens van me af zetten, na veertig jaar mag dat wel.

Eliot vertelde mij dat allerlei projecten van Dylan Thomas onuitgevoerd waren gebleven, een oratorium waarbij Stravinsky de muziek zou schrijven, bijvoorbeeld. Zo kwamen wij op Stravinsky, tot mijn grote geluk want ik had Eliot toch al in die richting willen duwen, je wilt natuurlijk altijd graag weten wat iemand die je bewondert denkt van iemand anders die je evenzeer bewondert. Maar ik zou dat toen nog niet gedurfd hebben. Eliot bleek een voorkeur te hebben voor de neoklassieke werken en vooral voor The Rake’s Progress (voor een deel misschien vanwege Auden). Ik vroeg hem of Stravinsky zo overstromend sprak als zijn muziek deed vermoeden, en Eliot zei dat hij dat niet wist omdat zij elkaar nooit ontmoet hadden. Ik kon het haast niet geloven en dat moet aan mijn gezicht af te lezen zijn geweest, want Eliot, zowaar, lachte, of glimlachte, of nog beter: trok het gezicht van iemand die even tevoren gelachen heeft. ‘Ik leef nogal teruggetrokken’, zei hij, en: ‘Stravinsky komt niet zo vaak in Londen en als hij hier is heeft hij waarschijnlijk andere dingen te doen dan mij op te zoeken.’ Ruim een jaar later kwam hijzelf op Stravinsky terug en vertelde dat zij bij hun eerste ontmoeting, kort tevoren, veel gezwegen hadden, ‘ik vooral’.

Gode zij lof hebben zij elkaar daarna nog een paar keer gesproken, wij danken daaraan het geschreven portret van Eliot in Stravinsky’s Themes and Conclusions, zo compact en zo feilloos geobserveerd dat ik heel wat remmingen heb moeten overwinnen om deze aantekeningen op papier te zetten. Ik heb perslot het ontmoedigende voorbeeld van Spender, die niets zag in en niets begreep van Eliot (wat hij gelukkig zelf toegeeft). Pas toen ik mij realiseerde dat rivaliseren met iemand als Stravinsky kinderachtig zou zijn, heb ik het aangedurfd. Voor de smaak één citaat uit het ‘Memoir’, de slotzin: bij hun laatste ontmoeting, kort voor Eliots dood, hoorden zij toevallig de maitre d’hotel van de River Club tegen het garderobemeisje zeggen: ‘Daar zie je de grootste levende dichter en de grootste levende componist samen.’ ‘My wife,’ vertelt Stravinsky, ‘saved the day by saying in just the right tone: Well, they do their best.’

Meer haal ik niet aan, veel te riskant om Stravinsky’s stijl de mijne te laten ontmoeten, maar over die ene zin wil ik toch iets opmerken: Eliot was blijkbaar met zijn figuur verlegen als iemand in zijn nabijheid blijk gaf van bewondering (en Stravinsky ook). Ik denk dat het mengsel van byzantinisme en kinnesinne, waarmee de Londense literaire wereld hem tegemoet kwam, Eliot in zijn schulp heeft doen kruipen. ‘We zien old Tom nooit meer,’ zei een romancière toen zij mij met de secretaresse van Eliot hoorde bellen om een afspraak te bevestigen. Juist die toon heeft Eliot zijn eenzame kamertje doen opzoeken, daar ben ik zeker van. Ik had het geluk dat ik met een concrete aanleiding bij hem kwam. Toen wij eenmaal aan de praat waren geraakt moet hem zo’n incidenteel contact met iemand die buiten het Londense gedoe stond niet onaangenaam zijn geweest, anders zou hij niet een paar jaar lang bij elk afscheid hebben gezegd: ‘Belt U mij op zodra U weer in Londen bent’.

‘But now,’ zei Eliot na een half uur, ‘but now for Neighhoff,’ op een toon alsof hij mij al die tijd aan de praat had gehouden in plaats van andersom, en met een, het ouderwetse woord hoort hier thuis, schalkse blik. In de brief die ik een paar weken eerder had geschreven, kondigde ik aan dat ik graag wilde komen praten over een mogelijke uitgave van Nijhoff-gedichten, aangevuld met het verhaal De pen op papier. En misschien met nog wat teksten, dat was juist wat ik graag van hèm wilde horen.

Eliot pakte het serieus aan. Hij had van Nijhoff gehoord, ook dat hij in Nederland beschouwd werd als een dichter die aan hemzelf verwant was, en vroeg mij om daar iets over te vertellen, geen vraag om tussen neus en lippen te beantwoorden. De poëzievertalingen had ik bij mij, en die kon ik laten zien. Hij las er wat in terwijl ik een kort verslag van Nijhoffs leven en werken gaf. ‘Wat ik hier zie is een beetje ouderwets,’ zei hij, ‘meer kan ik er zo op het eerste oog niet van zeggen.’ Hij zweeg even, en voegde er toen aan toe: ‘Vindt U zelf dat deze gedichten op de mijne lijken?’ Ik moest toegeven dat de gelijkenis misschien gold voor Awater, maar niet voor de sonnetten die hij zoëven vluchtig bekeken had. Eliot sloeg een blik in de Awater-vertaling die onderop het stapeltje lag, maakte het geluid dat men met ‘hm’ pleegt aan te geven, legde de bladen behoedzaam weer op elkaar en deed het bundeltje in de map. Hij zei niets en snoot zijn neus (dat deed hij vaak, het leek mij weer een verlegenheidsgebaar). ‘Het is ook eerder om de opvattingen over wat poëzie is en niet is, dat Uw naam wel eens valt in artikelen over Nijhoff,’ zei ik, want ik merkte natuurlijk wel dat hij door de poëzie niet overtuigd was.

Eliot vroeg mij om dat uit te leggen, en luisterde aandachtig. ‘Het klinkt vertrouwd,’ zei hij, ‘misschien zelf wat “démodé”. Gelooft U dat de poëziekenners na bijvoorbeeld Valéry van zulke standpunten op zullen kijken?’ (hij noemde zichzelf niet). Ik antwoordde dat het er mij niet om te doen geweest was, Nijhoff’s ideeën als een vernieuwing te schetsen maar alleen om de gedichten een achtergrond te geven en te laten zien bij welke internationaal bekende dichters zijn werk en zijn opvattingen aansloten. Een korte inleiding bij de gedichten zou juist dat moeten uitwerken. Dat daarbij geen grote verrassingen tevoorschijn zouden komen stond van tevoren vast bij een dichter die vrijwel tegelijk met hem, Eliot, gedebuteerd had en die al een paar jaar dood was. ‘Laat U dan ook maar iets vertalen van zijn essays,’ zei Eliot, ‘en dat verhaal, zou dat ook kunnen?’ Wij spraken af dat ik een soort dossier zou samenstellen, met de gedichten als pièce de résistance en verder De pen op papier, de ‘Enschedése lezing,’ een paar artikelen over Nijhoff, misschien iets uit de briefwisseling met Huizinga en dat alles vergezeld van een internationale plaatsbepaling. ‘Vraagt U degeen die dat gaat doen om ook op Auden te letten,’ zei Eliot, en ik durfde hem niet te vragen wat hij daarmee bedoelde. Het zag er allemaal niet rooskleurig uit, ik geloof dat Eliot persoonlijk vooral nieuwsgierig was naar de brieven.

Toen ik, vrij lang daarna, want Nijhoffs vrouw stond erop dat zij eerst de vertalingen zou bekijken, mijn pakketje bij elkaar had, stuurde ik het Eliot toe. De twee keer dat ik hem opzocht voordat het ‘dossier’ klaar was, spraken wij niet over Nijhoff, ik vertelde op zijn verzoek over oudere en jongere Nederlandse dichters (romans interesseerden hem niet), en over hun verwantschap met de poëzie uit andere landen, wat soms een beetje precair was omdat Eliot overhoop lag met Vinkenoogs vriend Christopher Logue, die juist op dat moment een paar weken bij ons inwoonde.

Met Nijhoff liep het helemaal niet goed af. Op 16 mei 1957 schreef Eliot mij: ‘We [de redacteuren van Faber] have, I assure you, considered carefully your letter of the 29th April and the translations of Awater and other poems in the light of my conversation with you.’ Maar zijn collegae zagen geen markt voor zo’n boek. En wat hemzelf betrof: ‘I have always maintained as a general principle that it is only possible to publish translations of contemporary poetry when the translator is himself a well-known and admired English or American poet, and in most cases the translation gets its start wholly on the name of the translator.’ Wat verderop: ‘We are not, I must admit, much impressed by the quality of the translations,’ wat, gezien Eliots omzichtige manier van formuleren, eenvoudig betekende: de vertalingen deugen niet. Bij een volgend bezoek heeft hij mij gevraagd, er zorg voor te dragen dat dit harde oordeel onder ons bleef want hij zou niet willen dat de vertaler er problemen door kreeg. Het heeft hem gelukkkig niet belet, mij later ook in andere gevallen uit de brand te helpen.

(‘Heel eenvoudig,’ zei mevrouw Nijhoff aan wie ik wel moest vertellen hoe Eliot gereageerd had, ‘als Amerikaan kijkt hij neer op een vertaler met zwart bloed.’ Het leek mij geen geldige diagnose: zelfs als er ‘zwart bloed’ in de vertaler zat, wat niet te zien was, kon Eliot, die hem nooit gezien had, dat moeilijk raden. Hij miste gewoon de poëzie in de vertalingen, wat hij mij later nog eens uitgelegd heeft. De eerste mevrouw Nijhoff kon nogal zelfverzekerd uit de hoek komen. Haar allerhartelijkste zoon Faan vond dat blijkbaar ook, want hij zat beteuterd aar de gesprekken over het Engelse débacle te luisteren.)

Het was niet zo dat Eliot principieel tegen het vertalen van poëzie was, zelfs niet als dat gebeurde door een onbekende dichter. Dat bleek overduidelijk uit zijn reacties op de Achterberg-vertalingen van James Brockway, die ik hem een paar jaar later liet lezen. Die troffen hem niet alleen, hijzelf was het die over een tweetalige uitgave begon, op voorwaarde dat Brockway wat meer gedichten klaar zou hebben. Ook veronderstelde hij dat zijn collega’s een garantie zouden vragen van afname. Maar heel kort daarna trad hij terug bij Faber & Faber, en zijn opvolger had het niet op poëzievertalingen begrepen. Achterberg kwam uit in het Amerikaanse tijdschrift Odyssey, twaalf gedichten met een toelichtend essay van Jim Brockway.

Nu ik de data van de brieven over Nijhoff opschrijf, vraag ik mij opeens af of ik Eliot wel bij mijn eerste bezoek aan Londen kan hebben ontmoet. Maar ik herinner mij zo goed dat hij mij vroeg of ik Londen al kende en dat ik nee zei! Hoe zit dat dan? Ik zou het kunnen nagaan als ik opzocht wanneer de theater-opvoeringen van Under Milk Wood begonnen zijn, want dat was kort tevoren; of ik kan in de baaierd van mijn brieven duiken, ik schreef over mijn belevenissen meestal naar huis. Maar veel kan het mij niet schelen: zo heb ik het onthouden en zo schrijf ik het dus op, hoe ‘verschoben’ het misschien ook is.

Op 1 januari 1965 ging ik weg bij de Stichting voor Vertalingen, drie dagen later stierf Eliot. Ik voelde dat als de afsluiting van een levensfase, hoewel ik Eliot de laatste jaren niet meer gezien had.

Chaos herwonnen

Al vond ik de Engelsen aardig en al heb ik mij in Londen nooit verveeld (ergens anders ook niet), ik moet toegeven dat ik de eilandbewoners, op T.S. Eliot en een paar persoonlijke vrienden na, bekeek met laat ons zeggen een antropologisch oog. Zo zal het bij iedereen wel gaan, ik heb het tenminste vaak waargenomen bij buitenlanders die naar Amsterdam kwamen. Pas bij een bepaalde mate van intimiteit verdwijnt het exotische van mensen die je in hun eigen levenssfeer ontmoet, en omdat intimiteit met Engelsen uit de klasse waarmee ik te maken kreeg, in die jaren moeilijk te bereiken was, voelde ik mij meer waarnemer dan bijvoorbeeld in Italië waar ik binnen een jaar een aantal goede vrienden maakte.

Maar nu komt het. Na mijn eerste Stichtingsreizen gebeurde er iets met mijn inzichten in literatuur en daardoor met mijn manier van lezen, dat ik helemaal niet verwacht had. De vraag of een roman, essay of gedicht in een ander land uitgegeven zou kunnen worden, hing niet in de eerste plaats af van het literaire peil, van het niveau van de vertaling of van de te verwachten marktmogelijkheden, maar veeleer van de vraag of het boek begrepen werd als literatuur. Een sprekend voorbeeld, uit later tijd, maar het gaat om de bevindingen en niet om de chronologie, is De koperen tuin. In Nederland beschouwd als een hoogtepunt in Vestdijks werk, werd die roman door de Engelsen, aan wie ik een exemplaar cadeau gaf, met grote ogen bekeken. De schrijver een ondoorgrondelijke zonderling, een mengsel van alledaagsheid en romantische bevlogenheid, het boek half ouderwets half gewild modern van stijl en opzet en raadselachtig van zeden en gebruiken, van gedachten en sentimenten. Ik denk dat juist bij zulke realistisch geschreven, ‘autobiografische,’ boeken de lezer in zijn vroege jeugd een zelfde soort ervaringen opgedaan moet hebben als de schrijver, met de taal en met de omgeving, om er iets van te begrijpen. Is dat niet het geval, dan springt de vonk niet over en kan de lezer het literaire karakter vaak zelfs helemaal niet onderkennen, laat staan de literaire verdiensten. Het beste dat men dan verwachten mag is exotistische nieuwsgierigheid. De kellner en de levenden daarentegen, een roman waarvan ik vreesde dat de Kafka-associaties er geen goed aan zouden doen en die voor mij één van Vestdijks minder gelukte fantasieën is, werd door vrijwel iedereen intrigerend en zelfs aangrijpend gevonden. Het boek is, samen met De toekomst der religie en Het vijfde zegel, naar voren gehaald bij Vestdijk’s Nobel-kandidatuur, op Zweeds advies, en het is in Frankrijk boven een stuk of zes andere Vestdijken (waaronder De koperen tuin) verkozen om opgenomen te worden in een reeks Nederlandse klassieken.

Een andere ontdekking: de boeken die ik op de uitgevers en hun readers afschoot waren vaak volkomen ontoegankelijk voor iemand die geen Nederlands sprak, alleen al omdat zij geen entourage hadden, geen natuurlijk milieu. De Nederlandse literatuur was buiten ons taalgebied vrijwel onbekend, de auteurs die wel een paspoort gekregen hadden stonden meestal te ver af van de schrijvers die bij ons als ‘literair’ gezien werden om verbindingslijnen te trekken. Ieder boek ontleent, moest ik wel vaststellen, een deel van zijn begrijpelijkheid aan een web van andere boeken eromheen. Theoretisch wist ik dat natuurlijk allang maar het zo overduidelijk gedemonstreerd te zien, dat is wat anders dan ‘weten’.

Deze barrières blijven hoog totdat een paar schapen over de dam zijn, maar iets is er wel aan te doen. Men kan de situatie beschrijven waarin een boek ontstaan is en gelezen, men kan er een plaats aan geven binnen de internationale literatuur, schakels aanbrengen met een beroemd geschiedwerk als de Herfsttij of zelfs met Nederlandse schilders uit heden en verleden, van Van Eijck tot Cobra (als ze maar bekend zijn). Dat was dan ook wat ik deed of door deskundigen liet doen. Verder luisterde ik heel goed naar buitenlanders, vooral vertalers die in Nederland woonden, en natuurlijk naar literair onderlegde Nederlanders in het buitenland, en ik hield meer rekening met hun smaak dan met de rangorde die in de Nederlandse kritiek als onomstotelijk gold.

Mooie inzichten, waar ik wel raad mee wist. Maar al doende, al pratende met een soort lezers dat ik nooit eerder ontmoet had, literair geïnvolveerde Engelsen, Fransen, Italianen, Spanjaarden, Scandinaviërs, gebeurde er iets met mijzelf, iets waardoor ik van de kook raakte.

Mijn belezenheid in de internationale literatuur was toereikend om geen figuur te slaan, en natuurlijk begon ik driftig boeken te lezen waarvan ik nog nooit gehoord had maar die in het land van herkomst in hoog aanzien stonden. De schok was, dat ik moest aanzien dat al mijn voorstellingen en inzichten door elkaar begonnen te lopen. Samenhangen losten op, nieuwe vormden zich, maar mijn oude manier van zien en lezen verdween natuurlijk niet op slag. Nooit had ik mij bewust gemaakt dat ik tot dat ogenblik hoofdzakelijk boeken gelezen had die door een zeef gegaan waren, een dubbele zeef zelfs, voordat hun bestaan tot mij doordrong. In de eerste plaats waren er de oordelen en vooroordelen in het andere land, die bepaalden wat wel en wat niet in het middelpunt gezet moest worden, maar daarbovenop kwam nog de selectie door de opinievormers in Nederland. Tegen dat laatste had ik altijd gedacht, redelijk immuun te zijn, maar doordat ik op een chaotische wijze nieuwe leeservaringen begon op te doen, al was het maar door het toeval van een koopje bij de bouquinistes of een cadeautje van een vrijgevige uitgever, kwam ik tot het besef hoeveel er buiten beeld gebleven was. Jaap van der Ster en Du Perron (dit als korte aanduiding van een ingewikkeld proces) hadden mijn blik niet alleen gescherpt, zij hadden hem ook versmald. Wie goed wil zien, knijpt zijn ogen een beetje dicht. Op hun beurt waren mijn leidslieden bovendien zelf gevormd door de boeken die anderen voor hen uit de onoverzienbare berg getrokken hadden, bij Du Perron waren dat vooral Malraux en Pascal Pia.

Nu ik Malraux noem, hij is een mooi demonstratieobject voor wat ik uitleggen wil. Ik had van hem de romans gelezen, maar door de kunstboeken was ik haastig heengelopen. Du Perron zegt er immers niets over? Nu begon ik Les Voix du silence grondig te lezen, en ik ontdekte dat Malraux’ denkbeelden over kunst, ook over literatuur, lijnrecht stonden tegenover die van Du Perron, en vooral dat zij nauwer aansloten bij mijn eigen ervaringen als lezer en kijker. Er bestond, zonder dat ik dat ooit gemerkt had, een afstand tussen mijn belevingen als lezer en de opvattingen die ik, in volle oprechtheid, meende aan te hangen.

Ik tastte plotseling in het duister. Alleen in de adolescentie heb ik dat gevoel in een zo hevige mate gekend als in die jaren dat ik, tegen de dertig, ‘ebenbürtige’ lezers met een volstrekt andere achtergrond leerde kennen. Heel kort gezegd: ik ervoer literatuur al jarenlang als een metafysica zonder geloof, maar ik keek neer op Nederlandse critici en schrijvers die dat onomwonden vaststelden. Nijhoff vond ik een dichter die na Gorter en tot aan de komst van de Vijftigers zijn gelijke niet kende, maar om zijn literatuuropvatting lachte ik, zonder te merken dat ik mijzelf uitlachte. Van de dissertatie waarmee ik jaren later de wetenschap binnenstapte, is die ontdekking de motor geweest, ik probeerde daarin de tegenstrijdige impulsen in mijzelf op historisch objectiverende wijze te beschrijven als het gevolg van een blijvende en vruchtbare tegenstelling binnen de literatuur zelf.

Het parool was: opnieuw beginnen met lezen, luisteren naar wat mij aangeraden werd door verstandige mensen, die heel anders naar literatuur keken dan ik maar die wel onmiddellijk herkenbaar waren als leden van één en hetzelfde, ik zou haast zeggen: geheime genootschap. Absorberen en voorlopig niet concluderen. Ik heb er een nieuwe wereld aan te danken, Larbauds ‘république des lettres,’ waarvan, volgens een Italiaanse criticus, Roberto Bazlen de eerste president had moeten zijn. Inderdaad, en ik stel met trots vast dat Bobi Bazlen, na Ulli d’Oliveira, de beste vriend is die ik ooit gehad heb.

Bazlen was de ontdekker voor Italië van Kafka, van Musil, van Robert Müller, van Eugenio Montale, van Italo Svevo (herontdekker in dat geval) en van een groot deel van de oude en nieuwe auteurs die Adelphi uitgegeven heeft, tot de generatie van Roberto Calasso en Fleur Jaeggy toe. Daarvóór was hij de man op de achtergrond bij Einaudi. Hij heeft er recht op dat ik een hoofdstuk van deze aantekeningen aan hem wijd, want hij las met een drift en onbevangenheid die ook ik mij weer eigen wilde maken.