Om ook maar iets op elkaar in te lopen
 
of op de over ‘t asfalt jagende wolken
eindelijk een voet te kunnen zetten
 
de weg langs die soms helt, uit zichzelf
een helling neemt, in zichzelf besloten ‘t uitzicht opent
alles onveranderlijk verandert –
 
ik wachtte op haar in Arles, op een grijzige kade
 
in de bocht tussen ‘t station en ‘t museum Réattu
kolkte de Rhöne, opgezweept
door de noordenwind
 
ondermijnde stenen pijlers-een verdwenen brug
van oever tot oever de hemelhoog daarboven
 
de tijd zoek te brengen onder de geelste platanen
met ‘t wegschoppen van afgevallen stukken schors
‘t tellen van twee, hoogstens drie afgemeerde aken
 
‘.. .ze komt, komt niet, komt…’
 
geen luwte, nergens beschutting
tegen ‘t verdere verloop –
 
achter ‘t hekwerk bij de thermen
de zwerfkatten, vlak aan de rivier waarin niemand ze als jong
heeft weten te verdrinken
 
is er behalve de wind die ze aait
 
nog de vrouw die ze iedere dag komt voeren
alleen nu, langer dan anders, blijft staan praten
 
tot een van de katers, een cyperse, ‘t genoeg vindt
z’n nagels in haar jurk zet, met trillende staart
tas en benen natpist-
 
ik wachtte in Arles, maar zij was door naar Aigues-Mortes
 
‘t licht mondt er uit in een vlakte
water valt weg tegen de lucht-op ‘t buigen
van zeegras en riet
 
deint ‘t gezicht dat ik graag was vergeten
en toch niet meer goed voor me halen kon
 
Aigues-Mortes- binnen de uit zout opgetrokken muren
 
waaraan ‘t ruisen zich allang heeft verwijderd
zo ongeveer als ik me ooit verwijderde van zee
 
had ik haar zeker gevonden
maar niet zonder dat ik begonnen was
haar meteen weer te missen-
 
wolken stonden zwart in de ramen
 
‘t begin van de avond erna