Kolonel Christian Barutanski, de baas van Blitwa, dacht ongeveer op de volgende manier over zichzelf en zijn positie hier en nu in Blitwa: “Vroeg of laat zullen ze mij op zekere dag neerschieten als een hond. Dus is het niet meer dan logisch dat ik mijn lijn blijf volgen en me zo weinig mogelijk aan psychologische overwegingen gelegen laat liggen. De psychologie van de mensheid beantwoordt mathematisch nauwkeurig dan de omstandigheden vvaarin zij leeft; en aangezien zij zonder enige twijfel in bloedige, armoedige en achterlijke omstandigheden leeft, is nu eenmaal ook haar manier van denken bloedig, armoedig en achterlijk. Wat valt daaraan te tornen? Je kunt je ook afvragen, waarom bepaalde zeurpieten de laatste tijd als het om de mensheid gaat zich als moraalridder voordoen?”
“Voor moraalridder speelt altijd en alleen de geïsoleerde eenling, de individualist, die zich afzondert en zich nu inbeeldt dat hij boven de werkelijkheid verheven is. De grote hoop, het plebs, het gepeupel – kortom, de doorsnee, die op straat de overwinnaar toejuicht, de zogenaamde massa, deze kudde van herkauwers – demoraliseert helemaal nooit, die houdt geen psychologische beschouwingen, die zeurt niet. Dat volkje vegeteert alleen maar, leeft erop los, doet maar, drinkt bier, kauwt op worstjes; dat draagt iemand in triomftocht rond, dat noemt zich fakkeloptocht, parade, leger, dat sleurt iedereen met zich mee, dat kent uiteindelijk geen ander doel dan zichzelf, en naar alle waarschijnlijkheid is er niets dat verder reikt dan de logica van deze hondenmeute. Maar wat zou er gebeuren als hij nu, hier in Beauregard, terwijl heel Blitwa, heel Europa de blik op hem gericht heeft, als hij, Barutanksi, zich met morele haarkloverijen inlaat? Het ligt voor de hand dat binnen vierentwintig uur de duivel hem zou halen! Natuurlijk zou hij niet over zijn eigen schaduw heen kunnen springen, natuurlijk zou hij zich niet boven zichzelf kunnen verheffen, hij zou voor schut staan als een tweederangstoneelspeler die in de schijnwerpers maar wat staat te hakkelen op de planken, die uit zijn rol is gevallen en van schaamte niet meer weet hoe zijn gezicht te redden.”
“Wat fluistert men hem daar nu de laatste tijd in het oor? Hij zou er goed aan doen als hij zijn naaste omgeving, die door de liberale Blitwaanse pers ironisch als ‘Beauregardische society’ wordt bestempeld, meer aandacht zou schenken? Alsof bij niet zou weten wat deze fraaie clan van Beauregard waard is! Alsof hij niet zou weten dat deze individuen die hem omringen door de bank genomen niets anders zijn dan meinedigen, onbegaafde zwetsers, flikflooiende uitzuigers, derdeklas pennelikkers, afpersers, bedriegers, omgekochte getuigen, moordenaars, voorwaardelijk gestrafte misdadigers, gokkers, fraudeurs, deserteurs, bij de rechtbank bekende verklikkers, spionnen, detectives en politiespeurders! Is hij er persoonlijk verantwoordelijk voor dat de mensheid overwegend uit meinedigen, valsspelers en politiespionnen bestaat? Vanaf Shakespeare heeft tot dusver niemand ook maar één enkel drama geschreven, waarin geen zogenaamde dubieuze figuren een rol hebben gespeeld, en van hem verlangt men dat hij aan deze feestelijke opvoering van Beauregard uitsluitend heiligen en als engelen zo zuivere zielen mag laten meedoen? Belachelijk! Een of andere academisch gevormde aap heeft onlangs op een avond verteld dat men in het decanaat van de letterenfaculteit gezegd heeft, dat ‘het briefgeheim op z’n minst bij particuliere correspondentie gewaarborgd zou dienen te zijn’, want de heren in het decanaat van de letterenfaculteit zijn de mening toegedaan dat ‘de garantie van het briefgeheim het meest minimale recht van iedere staatsburger is’. Kijk eens aan! en hoort, hoort! De heren decanen hebben niets anders omhanden dan zich over het briefgeheim inzake de particuliere correspondentie op te winden, alsof hij directeur van de post of een postbode zou zijn, en alsof het briefgeheim tot zijn competentie behoort! Lariekoek. Hij, Barutanski, heeft in de negenenveertigjaar van zijn leven al heel wat brieven geschreven, en wel met chemische inkt, want de geheimhouding van zijn particuliere correspondentie werd nooit en door niemand gewaarborgd, en nu zou uitgerekend hij zich erover moeten opwinden wanneer de persoonlijke brieven van de heren decanen van de letterenfaculteit worden opengemaakt? Kom nou – overal, in de hele wereld, wordt er geslagen, zijn er gevangenissen, beslagleggingen, schietpartijen, bloed, drankzucht, bedrog, bankzaken, deviezensmokkel, rijkdom, luxe, auto’s, salonrijtuigen, treinrampen, equipages, vrouwen, zomerverblijven, vaandels, veldslagen, bloedige verkiezingen tranen en honger – en uitgerekend hier, in zijn omgeving, snotterden bepaalde louche personen over de ‘wreedheid’ van zijn uitvoerende organen? Alsof je de golf van domheid en blinde driften niet suèdehandschoenen in toom kon houden, en alsof de ‘wreedheid’ zijn hoogsteigen uitvinding zou zijn? Was de wereld niet één grote jungle? Leerde men niet al in de godsdienstles dat God de mens naar zijn beeld en gelijkenis heeft geschapen? Wie heeft eigenlijk deze wereld geschapen: de schepper aller werelden en tijden of hij misschien, Barutanski? Is het soms zijn schuld dat de wereld een ‘jungle’ is? Te dom voor woorden!”
“ ‘De misdadige methoden van bepaalde persoonlijk getinte politieke systemen’ – zo had hij onlangs in het hoofdartikel van een liberale vrijmetselaarskrant, de ‘Blitwaanse Tigdende’, gelezen, en natuurlijk doelde dat uitsluitend op hem en op ‘zijn “persoonlijke misdadige” systeem’, dat zó ‘persoonlijk’ en zo ‘misdadig’ is, dat het de heer Jensen toestaat – en dat onder zijn, Barutanski’s ‘persoonlijke’ dictatuur! – hem op zo misdadige wijze te kapittelen! Laat ons eerlijk wezen., wat is dan eigenlijk ‘goed’ en wat is ‘kwaad’? Wat is misdaad, wat een goede daad? Geen goede daad zonder misdaad. Wilde je voor een zieke kippensoep koken, dan moest je eerst de kip slachten…. Een kip of de mensheid – dat waren kleinigheden die naar een hogere maatstaf gemeten – laten we zeggen, naar die van het heelal – volstrekt gelijkwaardig zijn. Al het andere zijn vooroordelen. Wil men erin slagen Blitwa als fait-accompli aan de chaos van de oorlogsgebeurtenissen te onttrekken, dan is het nu eenmaal absoluut noodzakelijk, een paar duizend Blitwaanse kippen de nek om te draaien. En nu wordt deze beroemde Blitwaanse soep gekookt, en of bij de bereiding van deze bloedige borsjt het briefgeheim van de heren decanen van de letterenfaculteit gewaarborgd is, of in het reageerbuisje van de moraal nul komma nul nul een (dat is één duizendste) ‘bestialiteit’ wordt aangetroffen of niet, dat kan toch waarachtig zijn plannen met betrekking tot Blitwa niet beïnvloeden – want die zijn niet zoiets als een decimaalbalans in de neurasthenische hand van een of andere achterlijke, halfreligieuze weifelaar, maar een stoommachine van tachtigduizend paardekrachten!”
“Er bestaat in de wereld een ouwevrijsterachtig soort onanisten en moraliserende halfidioten die zich meestal met ‘menslievende’ publicistiek bezighouden en beter geestelijken zouden kunnen worden, dagdieven zonder vaste bezigheden, die vanaf hun provinciale preekstoelen over moord lamenteren. Hoe kan een doorsnee Blitwaans burgermannetje zelfs maar iets van het probleem moord bevatten? Volgens burgerlijke begrippen is moord een zaak die in de strafwet thuishoort, en daarmee uit. Maar wat als de moord eenvoudig tot de dynamiek van het leven behoort, wanneer een leven zonder moord niet eens denkbaar is? Is dan iedereen die wil leven en wil slachten, die zich in alle vrijheid wil bewegen en wil heersen, meteen een misdadiger?”
“Hij heeft een slachting onder de Blitwaanse boeren aangericht, zeggen ze en in die zin schrijft ook de Europese pers. Waarom zou hij de boeren niet massaal afslachten, de Blitwaanse boeren hebben immers eeuwenlang niets anders gedaan dan elkaar massaal afslachten om in hun onverbeterlijke, misdadige collectieve domheid massaal verder te kunnen knorren. De operaties van de heer Barutanski toen hij Blitwa stichtte in het jaar zeventien en toen hij zijn staatsgreep pleegde acht jaar later, Godnogantoe, dat waren toch gewoon twee chirurgische ingrepen. Zonder bloed geen geboorte! Dat is een natuurwet. Elke chirurgische ingreep is spijtig genoeg bloedig.”
“ ’Had hij Kavaljerski maar niet vermoord!’ – zo wordt gefluisterd, waarschijnlijk ook in het decanaat van de theologische faculteit. Jazeker! De dood van Mužikovski en Sandersen, dat was toch nog tijdens de burgeroorlog. De burgeroorlog had nog iets van een ridderlijk gladiatorengevecht. Daar gaat bet eraan toe zoals bij poker, waarbij men niet weet wie wie de bank zal afpakken. In de burgeroorlog ligt het risico altijd bij degene die zich met zijn initiatief buiten de burgerlijke normen plaatst. Had hij, Barutanski, Blitwa niet stormenderhand ingenomen, waren er bij de aanval op slot Beauregard niet eenduizendzevenhonderd van mijn eigen mensen gevallen, dan zouden de heren Mužikovski en Sandersen hém hebben neergeschoten als een hond. Binnen het kader van de geldende wetten. Dat begrijpen natuurlijk ook de heren in het decanaat van de theologische faculteit – dat mensen op grond van geldende wetten worden doodgeschoten – met dien verstande dat ‘geldende wetten’ voor de heren decanen uitsluitend die wetten zijn, die hun academische autonomie garanderen! De heren zijn formalisten. De heren formalisten van het theologische decanaat is het risico van toreador, dat ik voor mijn rekening heb genomen, niet direct voor honderd procent sympathiek, maar min of meer – begrijpelijk. Voor zwakke geesten is het belangrijkste altijd dat aan alle formaliteiten is voldaan. En bovendien: de hoogontwikkelde heren kardinalen, bisschoppen en prelaten is het altijd zeer welgevallig, wanneer er een ijzeren handschoen te vinden is die de goddeloze, analfabetische, trage massa z’n smerige smoel tot moes slaat. Dus wat nu Mužikovski zaliger betreft (God hebbe zijn ziel), Mužikovski was een heel gewone ordinaire anticlericale demagoog. Mijnheer de bisschop Armstrong heb ik de eerste Blitwaanse kardinaalshoed bezorgd, en onder mijn regering zijn er momenteel zevenentwintig nieuwe kerken in aanbouw, en al deze godgevallige bouwwerken zijn uit de staatskas gedoteerd.”
“Maar Kavaljerski werd ‘niet in het kader van de burgeroorlog gelikwideerd’, Kavaljerski heb ik ‘in de kazerne laten doodschieten’, Kavaljerski werd ‘zonder enige vorm van proces’ omgebracht. Kavaljerski is ‘de vlek op het blanke blazoen van mijn eer’. De ‘moord’ op Kavaljerski was een ‘slechte zet’. Kavaljerski ’s dood was een ‘doodgewone, laffe, vuige moord’. Bla-bla-bla!”
“Wanneer deze oude, demente decanen elkaar gevaarlijke domheden in het oor fluisteren, dan noemt de tegenpartij dat zelfvoldaan en pathetisch de ‘openbare mening’. De openbare mening vleit zich met het geloof dat ik een moordenaar ben, want ik heb Kavaljerski ‘vermoord’. Maar, wie was Kavaljerski dan wel? Was Kavaljerski niet minstens net zo’n moordenaar als Barutanski? Waarom gaat plotseling alle sympathie naar hem uit? Alleen maar omdat hij dood is? Heb ik niet zelf gezien hoe Kavaljerski een jongen, leerling van de zesde klas gymnasium en legionair, doodschoot omdat hij uit het legioensmagazijn een reep chocola had gestolen? Waarom heeft dit beest die bleke, bloedarmoedige jongen doodgeschoten? Omdat hij een geboren misdadiger was van het meest duistere soort! Omdat hij domweg de organische behoefte had mensen om zeep te helpen. Genia Visotzka heeft hij doodgeschoten, toen Mackensen voor Blitwinsk stond en zij per auto naar Ankersgaden wilde vluchten. Daarna schoot doctor Jakobsen op Kavaljerski, en het onderzoek van de militaire rechtbank van het legioen heeft later duidelijk aan het licht gebracht, dat niet insubordinatie Jakobsens motief is geweest, maar gewoon wraak vanwege Visotzka. Ook Jakobsen heeft Kavaljerski laten doodschieten, in koelen bloede, als een kreupele jachthond. Hij voerde zelf het bevel over het executiepeloton, en boven Jakobsens lijk stak hij een sigaret op en gooide vervolgens de peuk in zijn gezicht alsof Jakobsens gezicht een kwispedoor was. Pas nadat Kavaljerski minstens een paar duizend mensen om het leven had gebracht, begon hij samen met de decanen van de filosofische faculteit morele bezwaren in te brengen tegen het feit dat ik Mužikovski zou hebben omgebracht. Kavaljerski, de typische misdadiger in haren boetekleed, was permanent op jacht, en hoewel hij op zijn oude dag gelovig was geworden, kon hij zijn rozenkrans niet bidden ais hij niet eerst iemands bloed had vergoten. In onafzienbare hoeveelheden doodde hij wilde zwijnen en grof wild, fazanten, hazen, patrijzen, honden en katten. Hij knalde zijn drie honden neer en de kleine Natasja, enig kind van zijn boswachter. En ik? Ik knalde Kavaljerski neer. En wat dan nog? Olaf Knutson, het miezerige factotum van Rajevski, die arme stumper, die stomme zenuwlijer, die verder niks kan dan drie perziken op een servet schilderen of twee sardientjes naast een lege bierfles, deze schaduw van een half mens waagde het op te merken, toen hij als hulpje van Rajevski van mijn hand een model maakte voor mijn eigen standbeeld, op te merken dat het volgens zijn uitermate bescheiden mening in het belang van ‘de goede zaak’ zou zijn geweest, als ik Kavaljerski pas na een ‘regulier proces’ had gelikwideerd. In wiens belang, en in het belang van welke zaak? Wanneer is ooit in de wereldgeschiedenis een ‘regulier proces’ een kleiner kwaad geweest dan dat chirurgische fait-accompli? Al deze samenzweerders en oproerkraaiers, al de lui die vanuit hun drankholen de mensen ophitsen, deze ondergrondse woelmuizen, deze stamtafel-kletsmeiers en kwaadsprekers, dit hele boevenpak moet in de gaten gehouden worden en van tijd tot tijd – circumdederunt, amen, bliksem en donder en afgelopen uit, pour toujours! Dit soort criminele types en moordenaars, die je naar het leven staan, die met de bandieten in het buitenland corresponderen, die geheime besprekingen met divisiecommandanten voeren, gevaarlijke individuen van het slag van Kavaljerski zaliger, zulke lui aan het gerecht uitleveren voor een ‘regulier proces’, zoiets kan alleen maar een neurasthenische, l’art-pour-l’artistieke kladschilder als Olak Knutson bedenken! In de praktijk zou het niet bijster intelligent zijn, welnee, sterker nog: het zou domweg naïef, ja regelrecht stupide zijn! Politiek in de rechtszaal, dat is een loze kreet, zelfs voor riooljournalisten! De politiek is al eeuwenlang thuis in theaters en kerken; alleen in de liberale, burgerlijke rechtszaal zou ze – God weet waarom – geen ingang mogen vinden? In de hele geschiedenis is er nog geen rechtbank geweest, die niet door politiek werd beheerst. Waarom zouden uitgerekend wij onze tijd met leugens verbeuzelen als op het gemaskerd bal van kantoorbedienden of van gitaarspelende tandtechnici? Dat wij maskers dragen, weten we allang, en waarom zou ik iets in het openbaar doen als ik zoiets in het geheim kan klaren, en dan veel effectiever. Laat de rechtbank haar zwakzinnige burgerlijke functie maar vervullen ter beslechting van particuliere ruzies over testamenten en eensgezinswoningen! Je kunt veel beter vanuit het donker toeslaan. De heimelijk volvoerde daad heeft ongetwijfeld een uitermate heilzame uitwerking op de zenuwen van lafaards. Bovendien bepaar je je daarmee de komedie met de beul en het voorlezen van het doodvonnis. Alles is beter dan dat gegoochel met paragrafen! Daar zitten toch alleen maar krakkemikkige oudjes op hun bagels te knabbelen, daar zetelen ze als babbelzieke postjuffrouwen in de overtuiging dat je zonder de passende wettelijke procedure aan de geadresseerde geen enkele brief mag overhandigen. Aan een gemaskerde Georges heb ik veel meer dan aan het hele rechterlijk college van de Geachte Republiek Blitwa. Een kennisgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, met een rouwrand als een doodsbericht, die bekend maakt dat deze of gene verdachte op de vlucht is doodgeschoten, twee, drie domme artikelen in het buitenland en dan nog in de socialistische pers, die toch al geen enkele invloed heeft, een paar radioberichten, en de zaak is eens en voor altijd begraven. Honderd jaar later zullen we er geen hoofdpijn meer van hebben. Angst in de botten is voor onze brave medeburgers het beste elixer. Dit wondermiddel brengt zelfs jichtlijders aan het dansen. Zoiets bereik je alleen met buskruit. Iedereen mag daarover denken wat hij wil: kruit heeft zijn eigen, diepe en bijzonder kostbare logica. Als gevolg van de buskruitkoorts heb ik al heel wat gele vlekken in onderbroeken gezien. Het kruit spoelt de darmen beter dan het meest geraffineerde glycerinemengsel of wonderolie. Met zulke pillen genees je de ergste ziekten. De mens is een roofdier en behoort als zodanig tot de gevaarlijkste vleesetende soorten. Men dient hem daarom in stevig afgesloten kooien vast te houden en af te richten met schietgeweren en met een burgerlijke carrière als heerlijk geurend lokaas. Wie in dit hedendaagse gekkenhuis een perfecte dompteur wil zijn, en ook de huidige Blitwaanse komedie hier in Beauregard speelt zich af in zo’n gekkenhuis, die moet een gulle vrek zijn, een sentimentele beul en een goedertieren, evangelisch barmhartige despoot, alles in één persoon en te allen tijde bereid, drie grondwetten te bezweren en bij de verkiezing van de nieuwe president van de Republiek formeel strikt democratisch te werk te gaan. Wat een edele onbaatzuchtigheid heb ik bij voorbeeld aan de dag gelegd toen ik Roman Rajevski voor dit hoge ambt kandidaat stelde, zo’n meinedige die in staat is bij het tennissen, tussen twee sets in, mensen met een knipoog een kopje kleiner te maken, maar tegelijkertijd ook een man die als een echte heer er nauwlettend op toeziet dat hij zich in kleine alledaagse dingen aan zijn gegeven woord houdt en al helemaal wanneer hij dat in het openbaar heeft gegeven. Onder vier ogen kun je elke belofte breken, maar voor het gepeupel, voor de nieuwsgierige man van de straat en voor de pers dienen wij een voorbeeld van burgerlijke rechtschapenheid te zijn. Iemand is alleen maar een goed toneelspeler als het publiek gelooft dat hij alles oprecht meent. Hoe bij dat bereikt, door tranen of door woede te laten zien, door zich lief en vol begrip te tonen, is bijzaak. Nog nooit is de eerlijkheid van het hartstochtelijke spel of van het gevoel dat moet worden uitgedrukt, beslissend geweest voor succes. Op de planken hebben valse tranen meestal meer effect dan oprechte. Ook in de poëzie zijn immers echte tranen meestal vervelend; daarom lees ik ook geen gedichten. Dat gebied laat ik graagaan mijn lieve vrouw Ingrid over, die mij in haar idiotie stelselmatig gek maakt met haar infantes en haar witte zwanen. (Stel je voor: de lyriek van Ingrid.)”
“De laatste tijd gaan er steeds vaker stemmen op die beweren dat er ‘in Beauregard luxe heerst’. Nog onlangs las ik in het vertrouwelijke rapport van het boofd van de politie, Vitus Kantorowicz, dat in de koffiehuizen het gerucht de ronde doet dat ik, het staatshoofd van Blitwa, de economische verplichtingen met het buitenland voor míjn rekening heb genomen, en dat de Parijse beursmakelaars mijn privé-vermogen op achthonderd miljoen francs schatten. Al de lui, die door het Blitwaanse tuig honend als ‘Beaure-Gardisten’ worden betiteld, al die Beauregardisten van mij dus, zouden voor zichzelf paleizen hebben laten bouwen, zomerverblijven en hoge flatgebouwen, ze zouden allemaal villa’s bezitten in Lausanne en op hun eigen jacht over de Middelandse zee cruisen, en Slot Beauregard zou in wezen niets anders zijn dan een soort exportcentrale voor graan, spiritus, wild, laken en suikerbieten! In de cafés, in de kroegen, in de tearoorns en zelfs midden op straat gonst liet, van de roddel en lasterpraatjes, als zou er tegenwoordig in Blitwa geen grondwet bestaan, geen mandaten, geen verkiezingen, geen rechters, er bestaat recht noch rechtszekerheid, paragrafen zijn niets waard, het geld is niets waard, de valuta zijn niet gedekt, de verdragen zijn niet rechtsgeldig, de handtekeningen op officiële documenten zijn geen stuiver waard, er zouden geen handels- en rechtsgaranties bestaan en dus ook geen krediet, het bestuur bezit niet het geringste gezag, alleen met steekpenningen kom je in de regering, verordeningen zijn te koop, politieke samenhang bestaat er niet, en in de buitenlandse politiek is een duidelijke koers ver te zoeken, in de huizen van bewaring zijn martelkamers ingericht, verdachten worden op de vlucht doodgeschoten, niemand is veilig, en Blitwa drinkt, Blitwa bedrinkt zich, Blitwa drijft in de mist rond, in steeds razender vaart, er is geen rechtspleging, er is geen welvaart, er is geen brood, en alles wat is opgebouwd is slechts zand dat men het volk in de ogen strooit, alles is kaalslag en een en al duur décor. Alle paleizen en openbare gebouwen op het Waldemaras-plein zijn decoratie, ook de haven in Ankersgaden met zijn driehonderdduizend inwoners, zeventien hijsinstallaties, drie pieren en zes golfbrekers zijn net zozeer decoratie, de Blitwaanse armada is één decoratie, ook de zeventien nieuwe industriële projecten in Blitwa zijn niets anders dan coulissen, waar niets anders achter zit dan bloed, honger, bedrog en slachtingen. De mensen slachten elkaar af, de haat is in de stille idylle van het gezinsleven binnengeslopen, iedereen is uit zijn doen, nerveus en raakt gauw geprikkeld, iedereen bespioneert iedereen, over het hele land heeft zich een netwerk van verklikkers verspreid, een op de twee is een betaalde spion, alles verandert in een opgejaagde, krankzinnig geworden mierenhoop, en de bewoners rennen zonder kop of staart alle kanten op, ordeloos, zinloos, onteerd, ziek van lichaam en geest. En deze doelloos ronddarrende massa, waarvan de domheid alle perken te buiten gaat, heeft zich uit angst in een bloeddorstig beest veranderd, in een ongeleid demonisch wezen dat saturnisch zichzelf verslindt. Door deze helse nocturno, door deze geheel en al verdoemde Walpurgisnacht raast Barutanski als een misdadiger en slacht iedereen af die hij tegenkomt. Alles om ons heen wordt afgeslacht, alles om ons heen brandt, alles staat in lichterlaaie, alom chaos en verval, plundering, roof en een ontstellende stijging van de criminaliteit. De boeren slachten elkaar af als wilde dieren, ze bijten elkaar de strot af, ze vermoorden elkaar achter hun omheiningen, ze zuipen wodka, bijten elkaar de neuzen af, vergiftigen waterbronnen, breken het vee de poten, bezuipen zich met giftige metylalcohol, breken bruggen af, steken elkaar het dak boven het hoofd in de fik, staan elkaar politiek naar het leven en schieten op de gendarmes. In wezen heerst er een staat van beleg, terwijl men niets anders hoort dan het gemarcheer van gepantserde mannen, de beulen van Barutanski, en niets anders ziet dan galgen, standrecht, ellende, dronkenschap, de tranen van weduwen en een massaal sterven in de ondoordringbare Blitwaanse mist. En Olaf Knutson, die midden in deze chaos niets anders kan dan drie ansjovisjes of drie peren op een schaal schilderen, deze zijige meneer, deze gevoelige dichter merkt bescheiden op dat hij ‘geen hoveling en geen hielenlikker’ is en niet ‘de rol van een Rosencrantz of Güldenstern wil spelen’. Vindt hij het daarom nodig, mij te vertellen dat er in Blitwa gefluisterd wordt dat er ‘in Beauregard overdreven luxe heerst?’ Alweer die befaamde luxe! Wat voor luxe? Waaruit zou die luxe dan wel bestaan?”
“En Roman Rajevski., aan wie ik voor mijn ruiterstandbeeld (dat de staat Blitwa uit eigen middelen laat oprichten) drieënhalf miljoen Leu heb uitbetaald en als toekomstige president van de republiek een apanage van twee miljoen heb toegekend, nu gelooft ook deze serviele fat dat ‘zuinigheid de enige solide basis van een solide economie is’, en dat hij, Zijne Excellentie, ‘hij’ als kersvers gekozen president van de republiek zijn carrière dient te beginnen met een algehele bezuinigingsmaatregel!”
“Allemaal frasen, neurasthenie. Ik voor mij kan in mijn omgeving geen enkele furioso ontdekken. Alles is behoorlijk saai, ambtelijk grijs en eentonig. En die zogenaamde ‘Beauregardische luxe’, die dertig lakeien en die twee, drie generaals en portiers in hun apenpak – moet dát luxe verbeelden? Elk beter hotel in Parijs kan zich op heel wat meer luxe beroemen dan ik. En tot slot: hier bij ons, in dit modderige Blitwa bewoont zo iemand ais kolonel Barutanski het voormalige slot van de Aragoonse en Hunnische gouverneurs, Heet dat dan luxe? Wat moet toch dat opgewonden, tendentieuze, geaffecteerde gemekker ‘Blitwa is arm’? Alsof Blitwa minder arm zou zijn als ik het Eerste Blitwaanse Philharmonische Orkest, dat al zo ver is dat het heel redelijk de ‘Tijl Uilenspiegel’ van Strauss speelt, niet had opgericht! En, dat ik samen met kardinaal Armstrong kerken bouw? Dat ik gedenktekens opricht? Belachelijk! Moeten dat argumenten verbeelden? Blitwa, of dat de pygmeeën in de koffiehuizen nu zint of niet, is Mijn hoogsteigen creatie, en of het de neurasthenische kletsmeiers nou bevalt of niet, ben ‘Ik’ vergeleken met dit luizenpak en die dwergen op z’n minst Francesco Sforza – en vergeleken met deze stotterende, gebochelde bagelventers en stomme kruideniers! Als ‘Ik’ in de algehele ineenstorting van het jaar zeventien niet met ‘Mijn’ blanke sabel was opgedoken, als ‘Ik’ niet voor de hoge raad van Parijse advocaten was verschenen om er onze Blitwaanse modder te vertegenwoordigen, als ik Blitwa niet gemaakt had tot wat het nu is: een onafhankelijke, soevereine Europese staat, als ik dus en mijn ‘Bescheiden satraapse Ik’ (die ze tegenwoordig eervol Satraap noemen) er niet geweest waren, dan zat hier nu, op dit zelfde Slot Beauregard, een of andere Hunnische, Blatwaanse of Aragoonse vorst, en die defaitistische zwetsers in de cafés zouden geen gelegenheid hebben, ‘Mij’ te belasteren, dat ik een eigenmachtige tiran ben, dat niemand achter mij staat, want ik bouw Blitwa op, ik sticht de steden en ik bewapen de Blitwaanse armada! Als ik er niet geweest was, zou Blitwa niet Barutanski’s persoonlijke wingewest zijn, maar het zou nog steeds als vanouds zuchten onder vreemde heerschappij. Zonder ‘Mij’ zou het Blitwaanse volk nog altijd als barbaars bestempeld kunnen worden en men zou in Amerika de geniale Blitwaanse schilder en beeldhouwer Rajevski niet als een vorst ontvangen hebben, toen hij vorig jaar naar New York ging om de Amerikaanse nitwits aan het verstand te brengen dat Blitwa niet alleen Sforza’s maar ook Donatello’s en Verrocchio’s heeft voortgebracht. Ons Quattrocento is met vijfhonderd jaar vertraging ontdekt, maar hoe dan ook, het is er! Rajevski heeft in Parijs Blitwa tentoongesteld in de symbolische figuur van een soort kokette Pallas Athene met gouden helm en speer, en wanneer men in dit land dat zich in een ontwikkelingsproces bevindt slechts oog heeft voor Blitwaanse boeren die elkaar afslachten en zich bezatten, en alleen maar ziet dat dit een modderig en mistig land is, dan is dat je reinste domme kwaadsprekerij. Blitwa heb ik geschapen, ik alleen, krachtens mijzelf en waarachtig zonder hulp, van wie dan ook, maar voordat de Blitwanen zich rond deze volle schotel hebben geschaard en het op een fokken zetten, zal er nog heel wat water door de Blatwa en de Ister stromen. Willen halvegaren zich tot politieke subjecten ontwikkelen, dan moeten ze afgericht worden als honden. Hoe je van een hond een mens kunt maken, dat is inderdaad hét basisprobleem van de politieke dressuur, en dat je zoiets niet kunt bereiken met het schrijven van wazige humanistische krantenartikelen, dat staat buiten kijf. In Blitwa bestaat geen staatsrechtelijke traditie, voor Blitwa bestaat er geen precedent. Blitwa was ooit de droom van pukkelige gymnasiasten, wanneer ze aan het nachtbraken waren., het was de wazige illusie van onderbetaalde plattelandsonderwijzers, ontleend aan de hoogtepunten uit de Blitwaanse geschiedenis (die, als we eerlijk zijn, eigenlijk nooit heeft bestaan!), Blitwa was de narcose voordat men wegzonk ergens diep in de provincie. Onze sprong in de vrijheid van een soevereine staat is zo ontzaglijk groot dat de Blitwaanse boer niet vermag te bevatten waar het eigenlijk om gaat, en waarom meneer de kolonel Barutanski hun goedgebekte verkiezingskandidaat Mužikovski heeft doodgeschoten. De Blitwaanse boer heeft er natuurlijk geen flauw benul van dat Barutanski Blitwa krachtens zijn eigen superieure wil en op eigen risico heeft geschapen, dat hij het bij wijze van spreken in zijn eigen smederij heeft gesmeed als een harnas ter bescherming van alle Blitwanen, en dat hij dit kostbare zilveren harnas van ‘Blitwaanse vrijheid’ aan doctor Mužikovski heeft toevertrouwd als een soort onderpand van de ‘Blitwaanse vrijheid’, en dat meneer doctor Mužikovski als een onvervalst geborneerde plattelandsadvocaat, politieke windvaan en demagoog, dacht dat de kostbare zilveren symbolen van de ‘volkssoevereiniteit’ alleen maar dienen om als pispot te worden gebruikt. Toen deze vlerk ten slotte alles had bezoedeld wat in Blitwa zuiver had moeten blijven, toen hij het soevereine, edele, ridderlijke gedachtengoed van de Blitwaanse Staat tot een vlerkerige, zogenaamd parlementaire koehandel had verlaagd, toen moest andermaal meneer de kolonel Barutanski de onbaatzuchtige, opofferende en verheven taak op zich nemen, Blitwa van deze zogenaamde parlementaire plaag te bevrijden. Door het boerengespuis uit elkaar te drijven, heeft hij onze achterlijke veemarkt weer gezuiverd, maar wanneer hij in hetzelfde tempo met zijn tijd wil meegaan dan noemt men dat nu zijn ‘persoonlijke wingewest’! Nu wordt hij bespot door uitgehongerde, tandeloze bohémiens en talentloze dichters, omdat hij voor zichzelf nog tijdens zijn leven in het park voor de Jarl Knutson-toren van de oude Blitwaanse vesting een standbeeld laat oprichten, en het zou nu ook de hoogste tijd zijn, wordt gezegd, meteen ook maar een brief te schrijven aan zijn gunsteling, kardinaal Armstrong, met het verzoek hem nog tijdens zijn leven door de kerk heilig te laten verklaren. Als de verschijning van Jarl Knutson in de Blitwaanse geschiedenis werkelijk van zo’n eminente betekenis is geweest, dat hij nog negenhonderdjaar later de pathetische dromen van Blitwaanse schoolkinderen voedt, dan kan ook Barutanski zich met een gerust hart zijn eigen ruiterstandbeeld laten schenken, dat heel goed als aardig decoratief ornament de lege ruimte tussen Slot Beauregard en de Knutson-vesting zou vullen. Zo is dit gebaar alleen al op stedebouwkundige gronden volkomen gerechtvaardigd. Alleen zenuwlijders tekenen bezwaar aan dat rond zijn persoon een zo opdringerige, smakeloze en overbodige reclame wordt gemaakt, die ‘eigenlijk’ geen enkele zin heeft, want waartoe dient ‘eigenlijk’ deze Amerikaanse popularisering van zijn persoon? Dat was niet eens meer de verering van een historische figuur, maar je reinste fetisjisme. In wezen ging het noch om een cultus, noch om de popularisering, noch om fetisjisme, maar om de gewone truc van handelaars die hun goedkope prullen met zijn konterfeitsel opsieren om zo de marktwaarde van die kitsch te verhogen. Welk een komische eer wanneer kolonel Barutanski’s portret op de postzegel waarmee men drukwerk frankeerde, gebruikt werd of op een goudomrande kom met vierkleurig medaillon vereeuwigd werd als opperbeschermheer van Blitwa, gezeten op zijn schimmel Atlantis, toen deze schimmel zijn boeven plantte in de blauwgroene zeegolven bij Plavystok. Welk een bovenaards eerbetoon viel hem ten deel, dat bij op de goudomrande kom van een ongeletterde kanselarijklerk prijkte, die hem in alleronderdanigste dankbaarheid, iedere ochtend besmeurde met zijn snor nog nat van zijn koffie verkeerd, waarin een Blitwaans kadetje dreef, sponzig, opgezwollen als een gecrepeerde pad! Hoe kleingeestig en egoïstisch is toch de menselijke natuur, als zelfs een volkse kom met medaillon tot voorwerp van afgunst kon worden! Ze richtten voor hem nog tijdens zijn leven een standbeeld op, en achteraf gezien waarvoor die valse bescheidenheid, ‘Hij’ heeft het als geen ander al tijdens zijn leven verdiend.”
“Het is gemakkelijk verder te gaan over paden die al door anderen vóór ons zijn bewandeld. Je kunt gemakkelijk schitteren op internationale conferenties driehonderd jaar na Cromwell, wanneer je op een rentevoet van tweehonderdzevenentwintig procent zit van een onderneming die zich als Oostindische Compagnie al tweehonderdvijftig jaar geleden rendabel heeft gemaakt, en wanneer elke pond Sterling een kostbare, op alle beurzen gestabiliseerde rijksrente betekent. En dan komen daar wat van die advocaten in gekreukelde broeken aanzetten, ze rammelen met de sleutels van hun brandkasten in hun bovenmaatse broekzakken, roken duimdikke sigaren, veroveren Marokko per telefoon en declameren dan voor de Blitwanen het een en ander over de ‘parlementaire en democratische’ staatsvorm van hun Mediterranië, dat ingericht is als een nationaal park, waar de burgers van hun champagne nippen en hun oesters en aperitieven slurpen. Ten eerste is hun geparfumeerde en geaperitiveerde Mediterranië niet zó volmaakt ingericht als deze arrogante heren zich dat verbeelden, en ten tweede, wat stelt dat voor – ik vraag u – honderdvijftig jaar na de bestorming van de Bastille te bazelen over de volmaaktheid van de Mediterrane parlementaire instellingen, alsof barbaren die niet zouden kunnen nabootsen. Om tweehonderdvijftig jaar na de beroemde schallende klaroenstoten van de Pavane royale van Lodewijk de Veertiende nog altijd de oude parlementaire polka à la Tardieu te dansen, daar is niet veel wijsheid voor nodig, en al helemaal niet wanneer men tot behoud van dit thuis hooggewaardeerde recept van ‘raison d’état’ ook over een met zo’n rijke traditie gezegend en gerenommeerd Deuxième Bureau beschikt, dat niet door de zeven cafés van de hoofdstad wordt gecontroleerd zoals bij ons in Blitwa, waar over iedere onnozele arrestatie die de politie verricht een dubbele boekhouding wordt gevoerd door de hele zogenaamde openbare mening van domkoppen, vrijmetselaars en paters. Danst u maar, mijn waarde Westeuropese staatslieden, een mazurka tussen Ankersgaden en Plavystok, kom dan, danst u toch eens tussen deze Blitwaanse kooplieden en kippendieven, kom dan, danst u foutloos uw westers-democratische quadrille, als u dat kunt, zeer geachte heren staatslieden, wanneer niemand de maat slaat en er geen enkele voorschriften bestaan, omdat hier nog niemand wat dan ook heeft voorgeschreven, er is hier geen protocol, geen Deuxième Bureau, geen traditie, geen ceremonieel, geen gewoonterecht, aangezien er geen rechtsgewoonten bestaan, nee, er is hier in de omgeving geen enkele dansschool te vinden waar je zou kunnen Ieren hoe je onze Blitwaanse carmagnole danst, onze spiritus-scardas, die wij U nu voordansen, in vodden en op blote voeten en door iedereen veracht, en jullie bekijken ons vanuit jullie kostbare vergulde loge en noemen jezelf Europa. Daarom zijn wij verplicht, jullie alles met honderddrieënveertig procent, zelfs nog met hogere rente te betalen, en dat alleen omdat jullie Europa zijn, omdat jullie in de gulden loge van Lodewijk de Veertiende zitten en tegelijkertijd beweren dat jullie Jacobijnen zijn. Wij mogen niet eens een Standbeeld hebben, want Standbeelden zijn het privilege van hoogstaande pseudo-jacobijnse procuratiehouders, die U – God weet waarom – staatslieden noemt. Alleen die politicus zou zich staatsman mogen noemen, die een Staat geschapen heeft. En die Vrijheid heb ‘Ik’ genomen, en ‘Ik’ op persoonlijke titel, ‘lk’ alleen, daarom laat ik mij door jullie ‘Barbier van Sevilla’ niet de les lezen, want de beslissing over het standbeeld zal ‘Ik’ nemen, zonder mij door jullie journalistenbende te laten beïnvloeden, maar voor de plechtige onthulling van dit Standbeeld zal ik jullie dierbare en geachte heren consuls en ambassadeurs laten opdraven, volgens jacobijns protocol, in gegalonneerd kostuum en een steek dragend met gekortwiekte struisveren en een rozet in het knoopsgat, net als het personeel van de begrafenisonderneming in onze kleine stad. Bovendien zal ik elk van deze heren een Blithuaniae Restitutae om de nek hangen als een hondenpenning, voilà! Dat alle geestelijken, kapelaans en decanen van de letterenfaculteit tegen dit domme standbeeld gekant, ligt natuurlijk volstrekt voor de hand. Zij handelen immers in wetenschap als de eerste de beste handelaar in veren of kaarsvet. Waar zouden deze stinkende kruideniers, deze geborneerde vakidioten die zich achter de zogenaamde academische vrijheid verschuilen dan ook het hart, de nieren en de hersenen van een pionier vandaan moeten halen, die dapper genoeg is om moederziel alleen de poging te wagen de domheid en duisternis van eeuwen Blitwa uit te roeien? Terwijl een Barutanski aan het hoofd van het volk, gelijk een fakkeldrager, zich op z’n eentje een weg door de duisternis baant, trekken de kleine Blitwaanse zieltjes de dekbedden over hun hoofd, laten zachtjes hun sluipwinden vliegen en snuiven hun eigen academische wierook onder hun donzen dekbedden op, schudden bedenkelijk hun hoofd over de rukwind die met veel geraas de ruiten van de Blitwaanse hutten doet rinkelen, als was Blitwa een postkoets die in razende galop over modder en sloten rolt, en waarheen, dat weet niemand. Dat wij hier nu op Beauregard tegen beter weten in de plicht op onze schouders hebben genomen de wetgever uit te hangen, dat doen wij alleen daarom met zo’n rationele Amerikaanse voortvarendheid omdat Blitwa al eeuwenlang geen eigen Blitwaanse wetten heeft gehad, en er dus vaart achter moet zetten om de ‘Westerse beschaving’ in te halen!”
“De ambtenaren, zeggen ze, schieten als paddestoelen uit de grond. De ambtenaren, zeggen ze, halen de boer het vel over de oren. En vroeger, toen Blitwa nog niet bestond, hebben de ambtenaren de boer toen soms niet het vel over de oren gehaald? Belachelijk. Wat een arrogante opmerking! De ambtenaren halen de boer het vel over de oren, dat is waar, daarvoor zijn het nu eenmaal Blitwaanse ambtenaren, die met de boer Blitwaans praten als met een Blitwaan en zo nu en dan voor hem zelfs een hygiënische Blitwaanse plee bouwen. Al met al zal de Blitwaanse boer er in eIk geval niet op toeleggen! Integendeel! Toen het erom ging, die hoerenkast die Mužikovski gebouwd had te ontmantelen, was dat geheel in overeenstemming met de uiteenlopende burgerlijke en kleinburgerlijke belangen, toen viel mij applaus ten deel alsof ik hun geliefde coloratuursopraan was. Nu mopperen ze, jazeker! De Beauregardische muziek bevalt hen niet! Alsof wij de eerste violisten zijn in een zigeunerorkest en wij alleen maar daarom de macht grepen om de kleinburgerlijke sukkels van Blitwa in hun harige oren te fiedelen! Het tempo gaat de burgers te hard. Burgers zijn piepende wijnzakken, ze komen adem tekort, burgers hebben nooit zin in hardlopen en al helemaal niet als ze de beschaving moeten inhalen! De burger kijkt veel liever, hij is beschouwend van aard, en het is aan deze passieve houding te danken dat de slaven opstandig zijn geworden. Dat zal wel. Hoe triest is die Beauregardische equipe van hem die met hem meeloopt. Zwakkelingen, luiwammesen, lafaards, wellustelingen, sybarieten., die maar één ding in hun kop hebben: met een ‘Horch’ rond te karren, in Meudon-Val-Fleury een villa te kopen en deze modder te verruilen voor het buitenland. Deze heren halen hun neus op voor Blitwa, en omringd door volgelingen, leidt kolonel Barutanski te midden van deze dierentuin een eenzaam bestaan. Eenzaarn als de Kaukasus boven de modderige, grauwe Blitwaanse akkers.”

Terwijl hij zo over zichzelf nadacht, was het voor Barutanski alsof hij werkelijk naar het grijze, granieten prometheïsche panorama keek van hoge, besneeuwde toppen, waaromheen de ijzige, scherpe wind floot, snijdend als de guillotine. Diep onder zijn voeten pakten zich witte, van zonlicht doorschenen wolkenmassa’s samen, en daar in de diepte rommelde de donkere bas van de donder, daar viel regen, rook kringelde loodrecht omhoog, daar ging het dagelijkse leven van de mens gewoon door. Koeiebellen klingelden, beekjes kabbelden, haardvuren rookten, klimplanten slingerden zich langs de huizen van mensenkinderen omhoog, achter een muurtje huilde een kind. En hier is alles zo pathetisch verlaten, in het astrale blauw van een apotheose. Een adelaarsblik op het landschap, als gedrukt op een bankbiljet van duizend.
Ondanks zijn aangeboren scherpzinnigheid, verward door tegenstrijdige gedachten, raakte Barutanski de controle kwijt over de beelden die in zijn hersens ontstonden, en hij had helemaal niet in de gaten hoe lachwekkend hij op dat moment was. De werkelijkheid kwam niet langer met zijn voorstelling van de werkelijkheid overeen, dit was al je reinste fantasie grenzend aan operette, terwijl Barutanski daarvoor juist al jarenlang zo vreselijk op zijn hoede was geweest. ‘In vredesnaam geen Kaukasus-operette, geen theatrale donderslagen’ waarbij de dondergoden van hun stralende toppen afdalen en voor het voetlicht van dit provincietoneel treden, en de acteurs van al die stofwolken moeten niezen. In vredesnaam geen prometheïsche rotsen van karton.’ Deze gedachte duurde slechts één ogenblik.
“Hij zit in zijn werkkamer op Slot Beauregard en bladert in de gastenlijst van het grote banket, dat Hij, kolonel Barutanski, gaat geven ter ere van de nieuw gekozen President van de Republiek, de erevoorzitter van de Blitwaanse Academie voor Kunst en Wetenschap, corresponderend lid van zevenenveertig van de meest respectabele Europese en Amerikaanse culturele instituten, afgevaardigde van Blitwa op de Parijse vredesconferentie, die reeds in het jaar Zeventien als vertegenwoordiger van Blitwa de vrede in de Blitwaanse modder had ondertekend en in het jaar Negentien het vredesverdrag te Versailles, ter ere van de beeldhouwer, de heer Roman Rajevski. De heer Roman Rajevski gaat binnenkort uit diplomatieke en bepaalde andere, minder belangrijke. overwegingen de soevereine republiek Blitwa vertegenwoordigen, en Barutanski blijft op het slot Beauregard als een soort Lordprotector van Blitwa, in de rol van inspecteur-generaal van de armada. Eigenlijk zou alles op dezelfde voet voortgaan als voorheen, totdat in twee, drie jaar de ‘eventuele’ normale voorwaarden voor een nieuwe manoeuvre zouden ontstaan, die ertoe zou kunnen leiden dat de Blitwaanse ‘boot’ terugkeert naar het parlementarisme. Onder Rajevski zou er net zo verder geregeerd worden als tot dusver: met executies en banketten. Blitwaanse burgers zijn runderen. Runderen kan men de baas volgens oude, beproefde boerenmethoden. Vee behoort onder het juk. Is het eenmaal ingespannen, dan trekt het ook, dat is logisch. Middelen te over om het brave vee tot trekken te dwingen, maar liet beste is, de kudde elk jaar een paar maal een banket te geven, want op banketten zijn burgers even verzot als koeien op zout. Niet te geloven hoeveel sigaretten, bonbons, en gekonfijte vruchten bij elk van deze feestelijke Blitwaanse banketten gestolen worden, en die hoogstaande uitzonderingen, die menen dat het beneden hun waardigheid is om zich aan de damasten tafellakens van Beauregard te laten onthalen, die boosaardige geruchten verspreiden, als zouden Barutanski’s tafellakens niet mensenbloed besprenkeld zijn, deze menslievende haarklovers hadden niet eens iets te vertellen in de tijd van de democratisch-parlementaire regering van Mužikovski, want toentertijd waren zij al een quantité négligeable. Nu weten de heren al helemaal niet meer waar ze het moeten zoeken. Ze overschatten het belang van hun subjektivistische gedraai en zullen op zekere dag, onbetekenend en waardeloos geworden, vergeten worden en terecht, want: het zijn niet de intellectuele hoogvliegers die de omstandigheden kunnen beïnvloeden, maar mensen die zich een juist voorstelling van de omstandigheden maken, die min of meer met opgedane ervaringen overeenstemmen. De zwakkelingen jammeren over de omstandigheden, een man uit één stuk overwint ze, schept steeds weer nieuwe voorwaarden ter ontwikkeling van nieuwe omstandigheden. Ja, logisch, je moet daarbij uiteraard geluk hebben! Geluk dwing je af door autosuggestie. Je moet je op je beroep voorbereiden. Je moet en zal je doel bereiken! Je moet de juiste dingen op het juiste ogenblik willen! Als je schiet, schiet dan volgens de regels van de ballistiek; als je paardrijdt, moet je nuchter zijn, zeilen moet je als je wind mee hebt, en je mag jezelf nooit overschatten. Nooit en te nimmer mag je de haarklovers, de betweters, de weifelaars, de zeurders, de lafhartigen, de egoïsten en de slimkezen geloven wanneer ze beweren dat ze geen haarklovers, weifelaars of slimkezen zijn, en je mag nooit voetstoots aannemen dat je een sluwe lafaard kunt gebruiken op een post waar alleen een naïeve domkop zich weet te handhaven. Is iemand zo onverstandig geweest een armada op de been te brengen, dan moet hij te werk gaan volgens het recept van Frederik de Grote: ‘Alleen met naïeve en dappere domoren!’ Een leger is een machine zoals alle andere: een stoommachine, een stoomzaag, een stoomploeg of een stoomschip. Met een Ieger voer je oorlog zoals je een auto bestuurt. Op de voorgeschreven weghelft rijd je onder bescherming en de garantie van de voorgeschreven wet, zolang het gaat – op de weghelft die bij de wet verboden is heb je magazijnen vol machinegeweren tegen de eigen burgers. In dat geval zij sabelgekletter aanbevolen, van tijd tot tijd werkt dat altijd; de spanning mag bij deze voorstelling geen ogenblik verslappen. Zodra de eerste tekenen van verveling zich kenbaar maken, dan mag ik, graag, een nieuw programma! Nieuwe programma’s zijn altijd nodig, niet alleen vanwege de pers, maar ook voor de persfotografen, het bioscoopjournaal, de reclame en voor de stemming onder de burgerbevolking als zodanig, ter verwerving van gunstige buitenlandse leningen en ter verhoging van het eigen politiek crediet. Dit alles moet men steeds voor ogen houden: alles moet je uit je hoofd kunnen dirigeren als de partituur van een muziekstuk dat voor een monsterorkest is geschreven, en wel zó uit je hoofd, louter op je gehoor, dit je de illusie schept alsof een woelige zee deint op de maat van jouw in de lucht wapperende handen. Dat de dingen in werkelijkheid geheel vanzelf in beweging komen, ook zonder ons dictaat, dat is de brede massa niet bekend, dat weten alleen de sceptici. De hele wijsheid bestaat hierin, dat je je voegt naar de loop der dingen. De bonden mogen blaffen zoveel ze hoofdzaak is dat ze allemaal weer aan komen lopen als wij ze fluiten voor het banket! Daar zijn ze weer allemaal, tevreden kwispelend met hun staart proberen ze in het gevlij te komen, de hogere ambtenarenpoedels evengoed als de generaalsdoggen en de twee, drie pinchers uit het decanaat van de letterenfaculteit; ze zijn allemaal zenuwachtig vanwege de etter in hun hondenkoppen, ze hebben last van hun hart vol stinkende wodka, ze voeren hun ega’s met blauw bloed aan hun arm mee, die al drie dagen lang nerveus heen en weer dribbelen in hun met kanaries en ficussen gestoffeerde driekamerwoningen, zich zorgen makend of ze erin zullen slagen op het banket voldoende sigaretten, pralinés en gekonfijte vruchten mee te snaaien – voor zichzelf en hun hele familieclan, die tuk op de chocolade van de staatskas tot in de derde graad vol verwachting met de staarten zwaait.Wow, wow, lekkere hondjes van me, jullie zijn gekomen, jullie zijn trouw, jullie zwaaien met jullie stinkende staarten, jullie komen aangekropen, nietwaar, en likken mijn laarzen, sporen, hielen, handen en ringen, kom nou, kom, niet zo wild, ik weet het wel, jullie zijn trouwe ambtenaren, jullie willen toch alleen maar jullie trouw en loyaliteit bewijzen aan Zijne Excellentie, bravo, hopla, hopla, garde à vous, opgelet, hier een hele handvol Blithuaniae Restitutae-medailles. Hoe spreekt het hondje, wie apporteert, die krijgt iets, psst, wie wil een wissel verlengd krijgen, wie wil een gouden ambtenarenketting, alsjeblieft, hopla, opgelet, geen hondenkabaal, kijk, hier zijn zeventig zilveren schalen, daar zijn pralinés, daar zijn sigaretten, een stroom van Beauregardische sigaretten, beierende klokken, standbeeldonthullingen, erepoorten, saluutschoten, het triomfantelijk geloei van de menigte, en te midden van dit hondengeblaf en deze jubelkreten staat een mens helemaal alleen.”
“Wie staat er al met al achter mij? Te bedenken dat de massa’s van zijn zogenaamde aanhangers, de scharen van zijn politieke volgelingen en de geestverwanten die doen alsof ze het in bepaalde kwesties met hem eens zijn, terwijl zijn enige zorg is, het schip heel snel te verlaten (uit angst voor schipbreuk!). Moeten toekijken hoe onze ‘dienstwillige vrienden’ ons naar het leven staan zoals Kavaljerski, slapen met een Browning onder het hoofdkussen, desondanks uiterlijk koelbloedig en verheven door de haag van gebogen ruggen voortschrijden, voortdurend beschimmelde kaalkoppen voor ogen, hele hopen hogehoeden, vooroverbuigen voor uitgestreken vreemde gezichten en daarbij zelf een uitgestreken gummigezicht hebben, dat voor de lens van de camera de verplichte Hollywood-grijns aanneemt. Moeten aanzien hoe mensen onderdanig bukken, aldoor dezelfde vervelende, per regel betaalde loftuitingen lezen, als fakkeldrager aan de spits van het uitverkoren volk blijven lopen, aan de spits van zijn geschiedenis en zijn tradities, van Blitwa, van het hele Kara-Baltische gebied, als vaandeldrager staan in deze Scythische drek tussen Blatwa en Hunnië, gelijk een windvaan blootgesteld aan alle Mongoolse, Aragoonse en Aziatische stormen, die vanuit de verste horizon aan komen zetten, helemaal alleen zijn, niemand vertrouwen en maar wachten van welke kant het schot zal vallen, dat in zijn paraboolbaan in één enkel ogenblik alles zal meesleuren: het klokkenluiden en de mortierschieten, het fladderen van de vlaggen en de jubelkreten van de menigte, die ons met bloemen en witte zakdoeken aan weerskanten van de galawagen toezwaait – deze zakdoeken hebben ze trouwens tot vlaggetjes verheven, tot symbool van de feestdagen en van de triomf. Het wemelt van zulk tuig in zijn omgeving, alleen al op dit banket zijn meer dan driehonderdzestig personen uitgenodigd en waar is onder die driehonderdzestig gezichten dat ene, waarop hij, mocht het tot de beslissende slag komen, zal kunnen rekenen? Eén enkele maar, die niet op de vlucht een schot in de rug zal krijgen, maar moedig zal vallen, oog in oog met degenen die alleen maar op een gunstige gelegenheid wachten om Beauregard binnen te vallen! Waar is, verdomme, die ene, dat ene voor honderd procent loyale gezicht tussen de duizenden en nog eens duizenden die hem op straat luidkeels toejuichen en hem met hun zakdoeken toezwaaien alsof er een snotterdag gevierd wordt, en een influenza! Is het misschien een van de driehonderdzestig genodigden van de Blitwaanse elite, van dit tuig van het tuig, deze crème de la crème? Swensen? Misschien is het meneer de academicus Swensen, lid van de Blitwaanse Academie van Kunsten en Wetenschappen, de heer Swensen, de grote Blitwaanse dichter, die een bundel sonnetten over de Blitwaanse koningen heeft geschreven en het vorig jaar, ter gelegenheid van Barutanski’s negenenveertigste verjaardag, in de ‘Turulun-Gazette’ een sonnet publiceerde onder de titel ‘Lordprotector Blithuaniae’. Swensen was ook professor aan de eerste Blitwaanse universiteit, die de naam van haar grondlegger, kolonel Barutanski, draagt (Barutanski was trouwens ook de eerste eredoctor van deze universiteit), Swensen was drager van de door Barutanski gestichte en uitgereikte orde ‘Blithuaniae Restitutae’ tweede klas, Swensen bekleedde aan de eerste Blitwaanse universiteit de Ieerstoel voor kunstgeschiedenis, Swensen had bij de senaatsverkiezingen voor hem gestemd, Swensen had lezingen over hem gehouden, Swensen droeg zijn orde, hij was hem van alle gasten het liefst, van al deze Beauregardische hofzwetsers was Swensen de meest ontwikkelde en meest spirituele, maar desondanks vertrouwde Barutanski deze meneer Swensen voor geen cent., en hij peinsde er niet over, deze loyale meneer Swensen in welke vertrouwelijke of riskante onderneming dan ook in te wijden, Swensen bezat op de Jarl Knutson-boulevard een huis van vijf verdiepingen met een vleugel aan de binnenhof en met bedrijfsruimten, dat een heel behoorlijke rente opleverde; van deze inkomsten leefde Swensen heel onafhankelijk en comfortabel. Ja, al deze Swensens in zijn omgeving waren huiseigenaren, verdomme nogantoe! Vijfenzeventig procent van het tuig dat zijn ministerie namens hem en ter ere van Rajevski naar Beauregard had uitgenodigd, was huiseigenaar. Al die Swensens zouden ook verder ongestoord huiseigenaar blijven, alleen zou er op een zeker moment, dat altijd kon naken, voor hem, kolonel Barutanski, geen dak boven zijn hoofd zijn. Buiten huilden stormen, en niemand kon de windrichting voorzien, maar de Swensens konden in hun holen de dekens over hun hoofd trekken en verder snurken, en hij, Barutanski, kon zich onder geen enkele deken verstoppen, want hij stond helemaal alleen voor de Knutson-toren als bronzen ruiter op een steigerend paard en kon niet van zijn plaats. Hij zat vast op deze Beauregardische piedestal en zo een Swensen daarentegen kon zich te allen tijde distantiëren van zijn sonnet op de Lordprotector en hij kon in de kranten een verklaring laten afdrukken, volgens welke hij Barutanski vanaf het eerste ogenblik voor een criminele figuur had gehouden en in het geheim handtekeningen had verzameld tegen Barutanski’s onverantwoordelijke methode van de als ongeluk voorgestelde politieke moorden. Barutanski kon zich in de pers niet verweren en voor hem was er geen enkele vluchtweg in dit voormalige Hunnische soldatennest, dat hij van een klein, afgelegen gat in een heel behoorlijk stadje met vijftien monumentale paleizen en drieëntwintig fabrieken had veranderd.”
Vitus Kantorowicz heeft hem in vertrouwen verteld dat hij in de handelskamer over de tong gaat: Barutanski zou overspannen zijn en tekenen van overgeprikkeldheid vertonen.