Als twee meer weten dan een, weten tien meer dan twee, ook of juist als ze geen weet van elkaar hebben. Deze simpele waarheid kan tot uitgangspunt dienen voor een historische steekproef: men neme een bepaalde gebeurtenis of situatie en zet naast elkaar wat verschillende personen die op hetzelfde tijdstip (ongeveer) op dezelfde plaats aanwezig waren erover geschreven hebben. Behalve een meerkantige reconstructie van die gebeurtenis kan zo’n chronotopografische peiling een documentatie van de schriftelijke getuigen zelf geven.
Zo hebben bijvoorbeeld Tadeusz Borowski, Primo Levi, Jean Amery en anderen zonder weet van elkaar te hebben geschreven over hetzelfde kamp in dezelfde periode; een uitgelezen mogelijkheid om van bepaalde gebeurtenissen, plaatsen en details met passages die daarop betrekking hebben een facettenbeeld samen te stellen.
Het zal heus wel eens door iemand gedaan zijn – ik denk bijvoorbeeld aan het boek van Enzensberger over het einde van de anarchist Durutti in de Spaanse burgeroorlog – maar om effectief te zijn zou de methode veel vaker toegepast moeten worden. In hoeveel boeken ben ik wel niet de opstand van Warschau tegengekomen, wat vaak beperkt blijft tot een scène in een levensverhaal of een glimp vanuit één uiteraard beperkte gezichtshoek. Een combinatie van verschillende beschrijvingen van één dag, met daarbij een plattegrond van de stad, maakt de gebeurtenissen niet direct overzichtelijker maar misschien wel inzichtelijker. Geen schrijver kan de ingewikkeldheid en de veelzijdigheid van de beleving rechtdoen, en de geschiedschrijving al helemaal niet. Dat was ook een van de motieven die Gadda noemde voor de minutieuze beschrijvingen van details in zijn dagboek over de jaren 1915-1918: ‘Dit boek voor de vuist weg geschreven, zelfs de stilistisch mooie of bijna mooie passages, bevat heel wat informatie over kleine dingen die des te belangrijker zijn omdat ze aan de Geschiedenis zullen ontsnappen.’ (26 okt. 1916)
Het is bekend hoezeer in de tijd voor 1914/15 juist door kunstenaars en intellectuelen naar een grote oorlog werd uitgezien; de vrede was ondraaglijk geworden, zo dacht men, de culturele atmosfeer in Europa was neerdrukkend en geladen, en een onweer, kort en hevig, maar ongetwijfeld groots en glorieus, zou de hemel eindelijk kunnen doen opklaren. Dat even blinde als visionaire enthousiasme waarde rond in alle naties; in Londen werd zelfs een apart ‘kunstenaarsbataljon’ opgericht. Je kunt het je nauwelijks meer voorstellen. Wat zette deze – toch soms grote – geesten in beweging? Wat voor oorlog vocht ieder voor zichzelf uit onder bescherming van deze collectieve geestdrift? Weinigen bleken in staat de nodige reserve te bewaren. Ook daarover kom je meer te weten door beschrijvingen ter vergelijking naast elkaar te zetten dan met algemene cultuurhistorische of sociaalpsychologische begrippen. Je kunt je natuurlijk, ter verklaring van dit enthousiasme voor de oorlog, afvragen of er toentertijd wel andere dan literaire en meestal dus heroïserende beelden van de oorlog bestonden. Dat de Eerste Wereldoorlog in zekere zin een literaire oorlog is geweest, moet met die beeldvorming te maken hebben gehad.
Wat hier volgt is niet meer dan een synopsis voor zoiets als een chronotopische vergelijking, waarbij ik me tot twee schrijvers beperk, een Oostenrijkse en een Italiaanse.
Beiden zouden in hun taalgebied pas veel later grote auteurs worden: de een was in 1915 een aankomend ingenieur met literaire aspiraties, Carlo Emilio Gadda (1893-1973), de ander afgestudeerd ingenieur en filosoof, Robert Musil (1880-1942), die al eerder debuteerde met de roman Die Verwirrungen des Zöglings Törless (1906) maar als schrijver nog vrijwel onbekend was.
Musil en Gadda schreven allebei een oorlogsdagboek en dat heeft mij wel eens tot het fantasiebeeld verleid van een dal in Zuid-Tirol met aan de ene kant op een berg de nurkse Oostenrijkse schrijver en op de berg aan de andere kant de dertien jaar jongere, altijd boze Gadda – daar liggen ze in hun soppende onderkomens, schrijvend in hun dagboek, terwijl ze hetzelfde kanongebulder horen en over en weer de mortiergranaten en shrapnels door de lucht zien vliegen; beiden – de een wat vuriger dan de ander – achter het front wachtend om in de voorste linie te worden ingezet, vooralsnog bezig met het graven van loopgraven, meestentijds vervelen ze zich, ze voelen zich niet op hun plaats, en af en toe genieten ze zelfs van de speciale schoonheden van een oorlogslandschap.
En laat het nog waar geweest zijn ook, stel ik vast nu ik eens op de landkaart ben nagegaan waar en wanneer de twee schrijvers tijdens de oorlog gelegerd waren. Twee keer blijken ze gedurende een langere periode op een afstand van nog geen vijfentwintig kilometer, en op bepaalde momenten zelfs veel minder, tegenover elkaar te hebben gestaan aan weerskanten van de Oostenrijks-Italiaanse frontlijn.
Vanaf februari 1915 was eerste luitenant Robert Musil gestationeerd in het stadje Palai, ten noord-oosten van Trient, ‘de dode hoek van een gevechtslinie in Zuid-Tirol die van de bloedige loopgraven op de Cima di Vezzena met een boog terugvoerde naar het meer van Coldonazza’, zo zou hij het jaren later in het verhaal ‘De merel’ beschrijven. In zijn dagboek maakt hij aantekening van de beschieting van de fortificatie Monte Verena op de hoogvlakte van Asiago: ‘Je hebt een neutraal gevoel als bij schijfschieten. Hetzelfde wanneer je beneden in de Val Sugana Ital. patrouilles ziet en de trein, die dagelijks ravitaillering naar Gobo aanvoert, of hun loopgraven.’

Een van de officieren die aan Italiaanse zijde over zo’n patrouille bevel voerde, was Gadda, die sinds augustus deel uitmaakte van het 5e Alpenregiment, gelegerd op de hoogvlakte van Asiago, achter de Monte Verena die Musil beschoten zag, ten zuidoosten van Trento. Een maand of vier bevonden de twee schrijvers zich op gehoorafstand van elkaar; op papier haatten ze elkaar, omdat ze de vijand hartgrondig dienden te haten.
Als er een situatie-ironie bestaat zou die op een kaart van het Italiaans-Oostenrijkse front in de jaren ’14-’18 met vlaggetjes kunnen worden uitgezet. Er heeft nog een tweede denkbeeldige confrontatie plaats gehad, twee jaar later, veel oostelijker, boven Triëst. In april 1917 maakte Musil deel uit van het commando van het Oostenrijkse leger aan het front bij de Sloveense plaats Görz (Goriźia, zie kaartje 2), aan de rivier de Isonzo, waar hij eerder, eind ’15, al eens twee maanden had gelegen, met pal tegenover zich aan de Italiaanse kant zijn stiefzoon. Aan het zelfde Isonzo-front bevond zich trouwens nog een andere artistieke oorlogsvrijwilliger, Oskar Kokoscha, die daar een shellshock zou oplopen. In augustus ’17 werd ook Gadda naar het Isonzo-front overgeplaatst, waar hij eind oktober met zijn compagnie door de Duitsers omsingeld en gevangen genomen zou worden; hoewel het vooral de schuld van de Italiaanse staf zelf was, die zijn compagnie tien uur te laat het bevel tot terugtrekken deed toekomen en tot overmaat van ramp ook nog eens de brug bij Caporetto in de lucht had laten vliegen, droeg Gadda deze nederlaag en zijn gevangenschap in Celle bij Hannover zijn leven lang als schandvlek met zich mee.
Al gaat het bij het dagboek van Musil om niet meer dan een schrift en een aantekenboekje en bij Gadda om een oorlogs- en gevangenisdagboek van zo’n vijfhonderd pagina’s, toch zijn er voldoende passages te vinden die diverse snijpunten zouden kunnen documenteren. Bij wijze van steekproef hier een paar indicaties.
3/9/15. Musil: ‘De gevechten, doden enz., die zich voor de stellingen afspeelden, hebben tot dusver geen indruk op mij gemaakt.’ Een paar dagen ervoor had hij de houding van een aantal Italiaanse gevangenen bewonderd: ‘Het is net of ik in Italië ben.’ Ondertussen was aan de  overkant Gadda met zijn soldaten aan het oefenen. Terwijl zijn grote wens was naar de voorste linies te mogen, zat hij met zijn ziel onder de arm wat te schaken en noteerde hij lustig hoezeer hij de smoor in had: ‘Niets nieuws de afgelopen dagen.’ Ook heeft hij zijn eerste oorlogsdroom.
22/9/1915. Musil: ‘De shrapnelscherf of de vliegerpijl op Tenna:’ Boven de oostelijke oever van het Lago di Caldonazzo ziet Musil een zogenaamde vliegerpijl rakelings langs zich heen gaan, doordat hij instinctief zijn bovenlichaam opzij gooit; de pin boort zich twee meter diep de grond in; de ijzeren pijlen werden door een vliegtuig afgeworpen en konden, de hoogst enkele keer dat ze een mensenschedel troffen, iemand van kop tot teen doorboren. Musil komt meermalen op het merkwaardige geluidseffect van de pijl terug, waarbij hij zich vooral verbaast over de bijna trotse voldaanheid die het dodelijke wapen hem bezorgde, en hij zou het voorval zowel in de novelle ‘Grigia’ als in ‘De merel’ verwerken.
Aan de overkant maakt Gadda een wandeling naar Rio en vindt daar een boerin, wier echtgenoot in Australië zit, en gelooft dat hij voortaan op haar kan rekenen. Ook Musil verkeerde met een getrouwde boerin en gebruikte in zijn verhaal over zijn avontuur met de vrouw, die hij met de naam van haar koe Grigia aanduidde, allerlei passages uit zijn oorlogsdagboek, vaak letterlijk. Terwijl Gadda er stevig op los scheldt over het gebrek aan orde en discipline aan Italiaanse zijde, ervaart Musil na beschietingen over en weer tussen de Cima Manderiolo en de Pizzo di Venezza en de Panarotta een ‘gevoel van een kwaadaardige zinloosheid’.
Eind oktober beschrijft Musil wat er van een gesneuvelde soldaat is overgebleven. De daarop volgende passage is rechtstreeks op de geestesgesteldheid van de Italiaanse onder-luitenant Gadda van toepassing. ‘Ital. ansichtkaarten, van de gevangenen afgenomen: niet waarschijnlijk dat de krijgslustigheid van dit volk al is uitgeblust; ze beelden hun soldaten in de geliefkoosde heldenpose af; het is nog helemaal soldaatje spelen. Vooral één kaart aardig – het wegvagen van de grenzen van Oostenrijk. Er staat een officier – heel klein achter hem de manschappen – op een omvergeworpen zwart-gele grenspaal.’
Wat beide dagboeken interessant maakt is dat ze nauwelijks over het strijdtoneel gaan maar vooral vertellen over het leven in de achterliggende linies, over het wachten, de angst en vermoeidheid tijdens de voorbereidingen, het graven van loopgraven, de manoeuvres, de onderlinge verhoudingen, het isolement, de geestelijke afstomping. Opvallend is bij voorbeeld hoe gevoelig ze allebei voor geluiden worden: ‘Je leert al heel gauw luisteren als een dier in het bos’ (Musil). Beide dagboeken bevatten een catalogus van de uiteenlopende geluiden die bij allerlei schiettuig horen. En het journaal van Gadda gaat voor minstens een tiende over de post die hij (al of niet) ontvangt en verstuurt; zelfs in het heetst van de strijd of als al het andere in het honderd loopt, lijkt de facteur altijd nog te functioneren. Zonder de brieven en de pakjes van het thuisfront zou het moreel binnen de kortste keren in de modder en de kou gesmoord zijn.
Voor al deze onderwerpen en details zou je bij tientallen, zelfs honderden schrijvers die daadwerkelijk aan de oorlog hebben meegedaan interessant vergelijkingsmateriaal kunnen vinden. Ik zou dan vooral benieuwd zijn of de anderen in hun dagboeken even weinig over de achtergronden en oorzaken van de oorlog en hun eigen motieven om zich voor het front te melden geschreven hebben als deze twee. Voor Musil was de oorlog een natuurlijk en zelfs noodzakelijk resultaat van allerlei crisisbewegingen; voor Gadda ‘voltrekt zich in de wereld de grote Geschiedenis van onze tijd op de slagvelden’, zo schrijft hij tijdens zijn Duitse gevangenschap in 1918, en hij betreurt het dat hij er in gedachten noch in daden aan heeft deelgenomen.
Minstens even interessant is wat de schrijvers later met dit materiaal hebben gedaan, hoe ze literair het verlies aan levenstijd hebben proberen goed te maken. Wat voor soort dagboek ze schreven en wat ze daarmee vervolgens in hun werk konden doen, hing onder meer af van de inzet: wat zochten ze in de oorlog?
In hun enthousiasme voor de oorlog deden beiden niet voor elkaar onder. Al in september 1914 begaf Musil zich met zijn Landsturmbataillon naar Zuid Tirol om daar de grens te verdedigen tegen het toen nog (tot 23 mei 1915) neutrale Italië. Vlak na het uitbreken van de oorlog schreef hij een opstel ‘Europäertum, Krieg, Deutschtum’, waarin hij de oorlog toejuicht, de soldaat als held bezingt en chauvinistisch schrijft:‘het zendingsgevoel dat liefde voor het eigen volk en ondoorgrondelijke haat voor de vijand inhoudt.’ Wat hij over dat volk zegt klinkt de lezer van nu maar al te bekend in de oren: ‘Wij het volk in het hart van Europa en met het hart van Europa.’
Musils dagboek over zijn oorlogsjaren is koel en gespeend van praktisch elk moreel oordeel; eerder is hij geneigd tot esthetische commentaren; terugblikkend kan hij het zelfs hebben over de oorlog als religieuze beleving, als roes van het avontuur. ‘Een andere component van de ervaring was de extase van het altruïsme. Dit gevoel voor het eerst iets met de mede Duitsers gemeen te hebben.’
Voor de jonge Gadda, in 1914 pas eenentwintig, gaat het om niet minder dan een ‘heilige oorlog’ en een ‘onafhankelijkheidsoorlog’. Het koninkrijk is voor hem ‘iets heiligs en waars, dat de moeite waard was om te dienen en te verdedigen’, zo schreef hij nog in 1931 – ‘Ik heb de oorlog gewild (…) Ik heb de oorlog aan zien komen als een droeve nationale noodzaak (…) en ik heb in de oorlog enkele van de beste uren van mijn leven meegemaakt…’. Hij zou dat nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog volhouden: ‘Ik heb van ganser harte deelgenomen aan de betogingen van 1915, ik heb Leve D’Annunzio gebruld en Dood aan Gioletti.’ Dat was tijdens een door Futuristen en linkse revolutionairen als Mussolini ten tijde van de slag aan de Marne in september 1914 georganiseerde manifestatie, waarbij de demonstranten een gewapende interventie eisten. Kort daarop riep de in Parijs verblijvende D’Annunzio de Italianen op tot ‘een heilige oorlog van de oude Latijnse beschaving tegen de barbaarse krachten’.
In 1919 is er van Musils nationalistische oorlogseuforie weinig meer over: ‘De vijf jaar durende slavernij van de oorlog heeft intussen het beste part uit mijn leven weggerukt.’ Op meerdere manieren heeft hij later zijn apologie van de oorlog herzien, al hield hij er verbazend lang aan vast. In 1916, toen hij wegens ziekte van het front weg moest, werd hij verantwoordelijk redacteur van de Soldatenzeitung, in 1917 maakte hij deel uit van het commando van de Isonzo-Armee en het hele laatste oorlogsjaar was hij in Wenen werkzaam in het Kriegspressequartier. Niettemin trad hij in 1917 toe tot de ‘Rat geistiger Arbeit’ van de sterk pacifistische Aktivisten. Dat kon nog als blijk van een flexibele politieke houding worden aangezien. Maar ondubbelzinnig was in ‘De man zonder eigenschappen’ zijn diagnose van de krachten die tot de oorlog hadden geleid. Zijn distantie tot zijn positieve oorlogsopvatting komt eveneens tot uiting in het verhaal ‘Grigia’, waarvoor hij letterlijk gebruik maakte van zijn frontbelevenissen zoals hij die zijn dagboeken had geformuleerd. Het opmerkelijkste aan het verhaal is dat het niets met de oorlog te maken heeft: het front verving Musil door een geologische expeditie.
Gadda heeft zijn geestdriftige deelname aan de heilige oorlog zijn hele leven niet verloochend. Zijn motieven om een dagboek te houden waren voor een deel ook andere dan die van Musil. Deze laatste maakte aantekeningen voor eigen gebruik; in de pauze, zoals hij de jaren ’14-’16 waarin hij door de oorlog van schrijven werd afgehouden noemde, bereidde hij zich mentaal voor op toekomstig literair werk. Afgezien van af en toe wat gedachten over de opzet voor een roman, schreef Gadda in die tijd alleen dit dagboek, maar dat dan ook zeer uitvoerig, met volstrekte overgave, tot zelfs in de zompigste loopgraven. En hij schreef het in de eerste plaats voor latere onderzoekers. Desondanks laat het mooi zien hoe de student zich hier al boekhoudend tot schrijver ontwikkelt, al razend en tierend vindt Gadda zijn eigen stijl, ook al heeft hij met het schrijven niet direct literaire bedoelingen; hij schrijft omdat hij niets te lezen heeft. Vijftien jaar later nam hij in zijn tweede boek, de verhalenbundel Il Castello di Udine (1934) vijf verhalen op die rechtstreeks op zijn oorlogservaringen waren gebaseerd; je kunt ze naast de dagboeken leggen, in sommige zijn zelfs de namen niet veranderd. Een ervan, meer een essay, ‘Onmogelijkheid van een oorlogsdagboek’ getiteld, had in 1931 in een Milanese krant gestaan. Het onmogelijke sloeg niet op het persoonlijke karakter van het dagboek of op de moeilijkheid van het schrijven of de mogelijke verzadiging van het publiek; wat Gadda met onmogelijk bedoelde was dat het verslag van zijn ‘51 oorlogsmaanden’ volgens hem niet beantwoordde aan de verwachtingen die de Italiaanse lezers ervan zouden hebben. De held was immers geen ‘bescheiden infanterist’ maar een trotse officier, die zich meer verwant voelde met de Pruisische tucht dan met de Italiaanse laksheid; bovendien behelsde zijn verslag een ontmystificering van de oorlogsretoriek à la D’Annunzio en bevatte het (niet malse) oordelen over de legerleiding, de moraal van de manschappen en de onverantwoordelijkheid van de hoge heren in het achterland. Pas in 1955 achtte Gadda de tijd rijp. Maar het eerste deel, het ‘Giornale di campagna’ moest ook toen nog tien jaar wachten, zo gevoelig was de materie nog steeds voor hem. In de oorlog had Gadda ‘de slag van zijn jeugd’ verloren, hij was uit de strijd genomen, voelde zich na zijn nederlaag in gevangenschap volkomen overbodig en voor het leven vernederd. In de dagboeken ontbreekt de belangrijkste en meest tragische periode, die van december 1916 tot mei 1918. Volgens Gadda waren de dagboeken in Duitse handen gevallen en verdwenen. Waarschijnlijker is dat hij ze heeft achtergehouden om zijn schande en die van het Italiaanse leger niet publiek te maken. En in wat er postuum in 1991 van die episode werd gepubliceerd, blijft Gadda vaag over de omstandigheden van zijn gevangenneming; hij zegt er niet meer over dan dat hij, toen hij en de zijnen door de Duitsers omsingeld waren, zich zonder verzet heeft overgegeven. Maar erger nog dan die schande en het jaar Duitse gevangenschap in Celle bij Hannover was dat hij bij thuiskomst in Milaan van zijn moeder hoorde dat zijn geliefde jongere broer, die oorlogsvliegenier was geworden, aan het front gesneuveld was. Niet zijn broer maar híj had de heldendood moeten sterven. Des te bedroefder voelde hij zich omdat hij in augustus 1917 door zijn ‘militaromanie’ geen verlof lof had genomen en toen hij naar het Isonzo-front werd gestuurd in Udine een afspraak met zijn broer had gemist. Ten slotte voelde hij zich ook nog eens een oorlogsprofiteur omdat hij ondanks alles aan de oorlogstijd logstijd de gelukkigste dagen van zijn leven had overgehouden. Voor de tijd aan het front werd hij daarin geholpen door zijn geheugen dat hem a deed vergeten hoe beroerd hij zich daar had gevoeld: vrijwel zonder enige geestverwant, pispaal voor de soldaten over wie hij weinig gezag had, uitgescholden voor kontenlikker en bovendien geteisterd door zijn eigen hypochondrie en opvliegendheid. In het gevangenkamp daarentegen bevond hij zich tussen intellectuelen en kunstenaars, daar voelde hij zich thuis en daar ook begon hij voor het eerst aan literaire fictie te denken.
Uit het voorafgaande blijkt hoeveel er al komt kijken bij een simpele vergelijking van twee schrijvers aan weerskanten van hetzelfde front; hoe dan een vergelijking waarbij de geschriften van tientallen auteurs betrokken worden, in de hand te houden? Zelfs als je de proef zou beperken tot de vraag: wat deden schrijvers op 24 oktober 1917?
Het onderzoek naar de schrijvers in de grote oorlog kan misschien maar beter echt in het klein beginnen, met de vlieg bijvoorbeeld. In het verhaal ‘Grigia’ is weliswaar het front vervangen door een geologische expeditie, toch komt het woord oorlog er één keer in voor, en wel direct voorafgaande aan de beschrijving van een stervende vlieg die van een vliegenvanger op de tafel is gevallen. Wanneer de hoofpersoon Homo in het café de stem van Geraldine Farrar uit de grammofoon hoort klinken, ‘voelde hij dat het, onverhuld, het zich aan alle dingen in de steden meedelende genot was dat van doodslag, jaloezie, business en autoraces niet meer te onderscheiden valt, – oh, het was niet eens meer genot, het was zucht naar avontuur, maar een uit de hemel neerschietend mes, een worgengel, engelenwaanzin, de oorlog?’ Onmiddellijk volgt dan de sterfscène van de vlieg. De associaties die met het woord oorlog opduiken, zoals ‘zucht naar avontuur’, wijzen al op een bepaalde opvatting van Musil over de oorlog in het algemeen. Maar vermoedelijk verschijnt het woord ‘oorlog’ hier vanwege het simpele feit dat de vlieg uit het oorlogsdagboek afkomstig is. Vergelijking van de twee passages laat zien dat de scène in het later geschreven verhaal veel gedetailleerder en persoonlijker gekleurd is dan de dagboeknotitie. Die begint aldus: ‘Eind juli [1915]. Een vlieg sterft: wereldoorlog. De grammofoon heeft zich al door de vele avonduren heen gewerkt. (…) Van een van de vele lange stroken vliegenpapier die van de zoldering afhangen is een vlieg naar beneden gevallen. (…) Sterft in alle eenzaamheid. Een andere vlieg loopt erheen en weer weg.’
Een vergelijking van verhaal en dagboek zou aanschouwelijk maken wat de schrijver met zijn observatie doet, wat hij ervan maakt door het in een (andere) context te plaatsen. Maar er zijn nog meer verbindingen in het spel. Een maand na het einde van de oorlog, publiceert het weekblad Der Friede onder de titel ‘Römischer Sommer (Aus einem Tagebuch)’ een kort verhaal van Musil over een vliegenvanger, waarin de doodsstrijd van de gevangen dieren wordt beschreven. Geen lezer die dat toen anders dan als een oorlogsverhaal zal hebben gelezen. Toch dateert het van vóór de oorlog, het werd in 1914 gepubliceerd, en zou in 1936 als ‘Das Fliegenpapier’ in de bundel Nachlass zu Lebzeiten worden opgenomen. Een schets daarvan schreef Musil in zijn dagboek, november 1913, toen hij in Rome was: ‘Het tanglefoot vliegenpapier’. Ook de formulering op die plaats geeft te denken. Nog geen pagina daarvoor staat een beschrijving van een bezoek aan een Romeins hospitaal waar Musil tuberculoselijders op sterven zag liggen. Voor de vliegen en de zieken gebruikt de dagboekschrijver dezelfde bewoordingen: ‘Ze zien er eigenlijk uit als dromers. Als fanatici voor een onbekende zaak.’ De vliegen zien eruit als ‘neergestorte vliegmachines’ of ‘als gecrepeerde paarden. Of met oneindig tragische, bijna menselijke gebaren.’ In het korte verhaal dat Musil vervolgens over het vliegenpapier schreef, worden deze zinnen over de tuberculoselijders en de vliegen samengevoegd, maar nu uitsluitend als beschrijving van de creperende vliegen: ‘Opeens laten ze zich dan vallen, naar voren op hun gezicht (…) Dan liggen ze daar. Als neergestorte vliegmachines die met een vleugel de lucht insteken. Of als gecrepeerde paarden. Verstard in oneindige gebaren van wanhoop. Of als slapers. En de dag daarop wordt er soms een wakker, tast even met een pootje in het rond of gonst met zijn vleugels. Soms steekt zo’n beweging het hele slagveld aan, en dan zakken ze allemaal nog een beetje verder weg in hun dood.’
Het opmerkelijkste aan deze autocitaten is, denk ik, niet zozeer dat Musil toen hij in juli 1915 aan het front lag bij het zien van een stervende vlieg aan een slachtoffer van de wereldoorlog moest denken, maar dat hij het formuleerde in dezelfde woorden als waarmee hij vóór de oorlog een slagveld van vliegen had beschreven; Musil zag de oorlog als het ware door de lens van zijn eigen vliegenverhaal; en via de vliegen werd de wereldoorlog een natuurramp, een killer in dezelfde orde als de tyfus.
Bij wijze van contrast tot slot nog een passage bij Gadda over vliegen, geschreven in een modderig onderkomen aan de oevers van de Assa, 21 juli 1916. Door en door nat schrijft hij:
‘Ik versomber in apathie. Niettemin, ondanks het uitdoven van mijn aandrang om tot daden te komen in de heilige oorlog, en ondanks deze verlamming, zoek ik iets te doen. Ik zou Duits willen leren (…) Ik had ook zin om een opzet te maken voor zoiets als een roman, waarin ik wat oude voorstellingen zou vastleggen, maar ik doe niets. Ik schrijf brieven en scheld op de vliegen die de meest hoerige, varkensachtige, smerige, walgelijke, klierige strontige en vuile wezens van de hele schepping zijn.
Wat een vreselijk gevoel, wat een verdriet, wat een verschrikking als ik hoor hoe die arme Battisti aan zijn eind is gekomen!’