1

Teddy Kunzmann, tijdens de tweede wereldoorlog piloot en drager van het ridderkruis. In 1945 stort zijn wereld ineen. Hij laat zich omscholen tot ingenieur, maar het bedrijf waar hij in dienst treedt, sluit in 1956 de deuren. Teddy Kunzmann wordt reporter. Bij het instorten van een brug – een gebeurtenis, die hij nog net heeft kunnen fotograferen – verliest hij beide benen. Hij weet zich bij zijn lichamelijke handikap aan te passen en wordt boekhouder bij een grote firma. In 1972 gaat de onderneming over op de komputer. Teddy Kunzman komt op straat te staan en moet helemaal opnieuw beginnen.

2

Alexander Kluge beschrijft in zijn (draai-) boeken en films levensgeschiedenissen als die van Teddy Kunzmann. Het zijn – zoals hij ze noemt – leerprocessen met een tragische afloop. De biografieen van burgers uit de BRD – door Kluge vaak op een bijna onderkoelde wijze als protokollen geregistreerd – laten zien hoeveel energie gestoken wordt in het opbouwen van een zinvol bestaan en hoe al die inspanningen telkens weer uitmonden in katastrofes. Immers Kluges personages bevinden zich in een situatie, waarin de kollektieve levensprogrammas sneller worden afgebroken dan individuele mensen ze kunnen opbouwen. Ze geven de strijd niet gauw op, ze leren voortdurend van hun mislukkingen, maar altijd te langzaam en meestal in de verkeerde richting.

3

De oorzaken voor de katastrofes in al die persoonlijke geschiedenissen moeten gezocht worden in de historische konstellaties en omstandigheden, waarmee mensen gekonfronteerd worden. Want wat betekent bijvoorbeeld een liefdesgeschiedenis in vergelijking met de dienstplicht, vraagt Kluge zich af.

Men stelle zich een liefdespaar voor. De geliefden hebben elkaar in augustus in 1939 leren kennen. Een idylle. Dan komt de eerste september. Op die dag moet de man afreizen naar zijn regiment. Dertien jaar later keert hij uit krijgsgevangenschap terug. Zonder benen. Nu moet dit paar deze liefdesgeschiedenis voortzetten. De loop van deze persoonlijke geschiedenis wordt door hen niet bepaald.

4

Alexander Kluge is een oorlogsverslaggever. Hij bericht over de katastrofale uitwerking van de maatschappelijke geschiedenis op het leven van individuen. Hij probeert de grens te overschrijden van zijn eigen waarnemingswereld. Hij begeeft zich naar het slagveld van beelden, verhalen, openbare manifestaties. Aan de frontlinies registreert hij wat hij verneemt van de ervaringswereld van anderen. Wat hij aan geruchten en feiten achterhaalt kan hij niet verwerken tot een sluitend verhaal. De biografieën schrijft hij uit als sociopsychogrammen.

5

Zijn eerste werknoties dateren van 1962: Lebenslaüfe. Aan de hand van officiële stukken, administratief materiaal, dokumenten, verzonnen verhalen, anekdotes stelt hij een aantal levensgeschiedenissen voor van vertegenwoordigers van de Duitse bourgeoisie. Soms veranderen deze notities in een juridisch kruisverhoor: de verhalen worden onderbroken door tussenvragen, dialogen, interjekties.

De geportretteerden worden ondervraagd over hun houding en optreden tijdens en na de Hitlertijd. Hoe hebben ze op het fascisme gereageerd. Hoe konden zij na de katastrofe verder leven. De portretten bieden het signalement van aangepaste opportunisten. Verwerking van een afschrikwekkende geschiedenis door middel van berusting, aanpassing, ontkenning van de buitenwereld.

6

Kluge’s biografische schrijfwijze heeft weinig van doen met personaliserende narratieve verhalen, gebaseerd op inleving en sensibiliteit. De portretten worden samengesteld uit de brokstukken van een verbrijzelde persoonlijkheid – eigenschappen, die nog in leven zijn omdat ze administratief en ekonomisch bruikbaar zijn. De verhalen hebben dan ook niet meer het idyllisch karakter van Wilhelm Meister, die de wereld nog kon aanpassen aan zijn eigen maat. Ze herinneren eerder aan Franz Biberkopf, de protagonist van Berlin Alexanderplatz. De kolossale opeenhoping van berichten, beelden en tekens dringt hun kop binnen. En net zoals Biberkopf kunnen de personages in Kluge’s verhalen niet meer zeggen wat in hun hoofd nog subjektief is en wat daarin scherven zijn van de buitenwereld. De biografieën zijn een samensmelting van authentiek en dokumentair materiaal – er is niet meer aan afleesbaar wat nog verzonnen is of reëel.

7

In hun boek ‘Oeffentlichkeit und Erfahrung’ (1972) analyseren Alexander Kluge en Oskar Negt de wijze waarop maatschappelijke ervaring tot stand komt. Uitgangspunt vormt voor hen de produktiewijze: de manier waarop in onze maatschappij arbeid georganiseerd wordt. Deze produktiewijze drukt haar stempel op de inrichting van het maatschappelijk leven (openbaarheid). Beslissend voor die inrichting is immers de abstrakte kwantitatieve maatstaf, waar de arbeidsdag aan afgemeten wordt (arbeids-arbeidsvrije tijd). De kwantitatieve tijd regeert de levensgeschiedenis: men ervaart zijn leven als een aaneenschakeling van momenten waarin men zich de tijd ten nutte maakt of waarin men tijd ‘verliest’. En het is deze kwantitatieve tijd, die ook de apparaten van de openbaarheid bepaalt: de industriële en administratieve apparaten, de opvoedingsinstituties, de massamedia, de kultuurindustrie. Zij vormen het onderzoeksterrein van Negt en Kluge: welke specifieke rol spelen zij in de opbouw van maatschappelijke ervaring. Het zijn deze instanties, die de maatschappelijke werkelijkheid bezetten met mythen en beelden van die werkelijkheid. De tekens, die op dit openbare terrein worden gerealiseerd zijn volgens Negt/ Kluge produkten van een verdringings- en verschuivingsarbeid: protestenergie wordt er omgezet in aanpassing en harmonie. Zintuiglijke waarneming waarin onderdrukking lijfelijk wordt ervaren, wordt afgestompt en gereduceerd.

Wat in ‘Oeffentlichkeit und Erfahrung’ nog min of meer theoretisch-deduktief wordt uitgewerkt, krijgt in de boeken en films van Kluge induktief gestalte. Heterogeen materiaal wordt zo gearrangeerd dat de verschuivings- en verdringingsarbeid in de mythen en beelden zichtbaar wordt. Kluge wil in zijn werk flitsen laten zien van een kwalitatieve tijd – wraakgevoelens, valse harmonisering, nooit opgegeven wensen – om een tegenopenbaarheid van protest en onderdrukte ervaringen, die onder de oppervlakte van de openbaarheid doorwerkt, naar boven te halen.

In hun boek spekuleren Negt en Kluge over een (vooralsnog niet gerealiseerde) tegenopenbaarheid, die gezocht moet worden op die plaatsen waar de burgerlijke openbaarheid de kloof tussen het lijden aan onderdrukking en de mythologisering, aanpassing nog niet heeft kunnen dichten.

‘Historische breuken – krises, oorlog, kapitulatie, (kontra-)revolutie – markeren konkrete konstellaties van maatschappelijke krachten, waarin proletarische openbaarheid tot stand komt’, schrijven Negt en Kluge. Omdat ze als heersende openbaarheid niet existeert, moet men ze uit deze aanzetten, breuken rekonstrueren. Deze rekonstruktie onderneemt Kluge in zijn films en boeken.

8

In ‘Schlachtbeschreibung’ (1964) bijvoorbeeld probeert Kluge op basis van een reeks authentieke getuigenissen de balans op te maken van de politieke en militaire oorzaken, die tot de nederlaag hebben geleid van het Duitse leger in de slag rond Stalingrad. In plaats van een meeslepende epische schildering van een historische katastrofe, treedt Kluge voornamelijk op als een koele arrangeur van heterogeen dokumentair materiaal: passages uit oorlogsdagboeken, perskommuniké’s, traktaten van de geestelijke verzorging, interviews, statistieken, korrespondentie, orders, situatieschetsen, anekdotes enz. De hulpeloosheid in de verhalen van degenen, die er zelf bij geweest zijn en het nog kunnen navertellen, wordt aan het licht gebracht. Wat immers heeft de man, die van het slagveld terugkeert, zijn geliefde te vertellen, die al die jaren plichtsgetrouw op hem heeft gewacht? Welke verhalen heeft hij nodig om de oorlogsverwondingen, die zijn levensgeschiedenis definitief hebben verminkt, enige zin te geven? Wat kan hij vertellen dat zich werkelijk in Stalingrad heeft afgespeeld in de onmenselijke winter van 1942/ 43. Hoe heeft hij wat hij lijfelijk heeft moeten ondergaan, kunnen aksepteren?

Kluge interviewt in het tweede deel van zijn boek een aantal officieren en soldaten, die de slag hebben meegemaakt. De interviews presenteren beperkte visies: wat zich buiten het direkte waarnemingsveld afspeelde blijft ook voor deze soldaten en officieren volstrekt ondoorzichtig. Ook voor hen is ‘Stalingrad’ een abstraktie. Een beeld in het hoofd: een magneet, die een wirwar van verhalen, flarden aantrekt. En: in hoeverre zijn de verhalen en beelden van degenen, die er bij waren, zelf al niet een gekonstrueerd, gemythologiseerd beeld van de gebeurtenissen. In hoeverre worden de beelden al niet bepaald door datgene wat men heeft horen vertellen?

Immers de soldaten ervaarden datgene wat zich buiten hun posities in de loopgraven afspeelde voornamelijk door geruchten, de dagelijkse kommuniké’s, de verhalen van de geestelijke verzorgers, die op grote afstand voorschreven hoe ze zich daar in die ellendige situatie moesten voelen.

In het eerste gedeelte van het boek presenteert Kluge een groot aantal dokumenten, die niet langer neutraal zijn maar door het arrangement laten zien hoe de interpretaties van het gebeuren systematisch in een soort schijn-objektiviteit versmolten worden met de direkte ervaringen van de soldaten zelf. Voortdurende herhaling van dezelfde formules, de nauwe verbinding tussen oude en nieuwe informatie, de suggestie van een kontinuïteit, het voortdurende beroep op gemeenschappelijke waarden en doelen ondersteunen de permanente stilering van de gebeurtenissen tot een heldenepos, waarvan de helden in de loopgraven pas achteraf de dodelijke afloop zullen vernemen. De ellende op het slagveld wordt aanvaardbaar gemaakt door deze voor te stellen als een noodzakelijke voorwaarde voor heldendom. Teruggekeerd van het slagveld blijkt ‘Stalingrad’ ook voor hem opgelost te worden in een gigantische wirwar van verhalen, berichten, gegevens. Men kan zijn eigen oren en ogen niet meer geloven: ervaring en mythe zijn volledig in elkaar opgegaan.

Van wat zich werkelijk heeft afgespeeld kan noch een persoonlijke getuigenis rekenschap afleggen – omdat elk individu voor het beeld van het geheel is aangewezen op andere bronnen dan die van zijn eigen waarneming – noch een abstrakt historisch model, waarin geabstraheerd wordt van de lijfelijke ervaring van zo velen.

Kluge ziet dan ook af van een personaliserende, narratieve vertelling omdat daarin het effekt van de mythevorming onmiskenbaar optreedt. In plaatst daarvan probeert hij op induktieve wijze historische samenhangen te laten zien. Het beeld dat zo uit al die getuigenissen en dokumenten naar voren komt is dat van een militair apparaat, dat eenmaal op gang gekomen aan de kontrole ontsnapt, verabsoluteerd wordt als gevolg van een geperverteerd gehoorzaamheidsprincipe.

9

Tegenover de verstarde, geprogrammeerde waarnemingstechnieken, de konventioneel geworden waarneming van de werkelijkheid, waarin mensen een leven lang worden getraind, probeert Kluge een radikaal-analytische methode te plaatsen. Hij komt in het geweer tegen wat zich als realiteit, als samenhang aanbiedt. Hij bedrijft een radikaal realisme. Realisme nietopgevat als een zo exakt mogelijke weergave van de werkelijkheid: immers elke illusie over inzicht in samenhang moet worden opgegeven om werkelijke samenhang te produceren. Sleutel voor dit realisme vormen – zoals gezegd – die plaatsen, waar protest vorm aanneemt. Om ze te bereiken moet de kolkende stroom, die een wirwar van tekens van maatschappelijk leven met zich meesleurt, worden stopgezet. Het beeld (Jetztzeit) dat zo in het blikveld verschijnt wordt als het ware leeggezogen. Rond dit beeld – een kruispunt van een grote hoeveelheid andere beelden – kristalliseert zich een samenhang. Er tekent zich een zeker perspektief in die beelden van oppervlakte-realisme. Die beeld-kristallen worden bij Kluge niet fijngeslepen, opnieuw gevormd tot een perfekte transparantie is bereikt. Veel raadselachtige beelden blijven aanwezig, waarvan niet duidelijk is welke relatie ze precies onderhouden met andere beelden (teksten) in de boeken en films. Het zijn – zoals Kluge ze noemt – poreuze elementen in het ritme van de geschiedenis – mogelijkheden voor de toeschouwers, lezers hun aangeleerde duidingsmanie te laten varen en de fantasie aan het werk te zetten: associatief, herinnerend, zintuiglijk aan het werk te gaan. Kluge probeert zijn boeken zo in te richten dat de lezer eigenschappen moet gebruiken, waaraan hij ontwend is geraakt gedurende zijn opvoeding en leerprocessen in het gezin, de school, de massamedia. Het aksent ligt daar altijd op de produktie van abstrakte waardeoordelen, hiërarchische waarnemingen, waarin hoofd- en bijzaken van elkaar gescheiden worden. En het zijn vaak de bijzaken, de niet in het oog springende details, die de sleutel vormen voor de produktie van realisme.

Het beeld, dat zo rechtstreeks zintuiglijk voor de lezer verschijnt, roept herinneringen op aan het verleden. Het klampt zich vast aan vroegere (on)gelukkige ervaringen en wordt een projektor van beelden van de toekomst.

10

In zijn latere boeken komt dit dialektische ervaringsproces ook thematisch naar voren. In ‘Lernprozesse mit tödlichen Ausgang’ (1973) maakt Kluge o.a. gebruik van het genre Science Fiction verhalen. De utopieën die hij daarin schetst zijn niet veel meer dan een extrapolatie van negatieve tendenzen in onze maatschappij. Zo vinden we er een tekstmontage van berichten, wetenschappelijke rapporten, foto’s enz. van vier officieren van het Duitse leger. Ze schetsen en dokumenteren – het denkbeeldige jaar is 2103 – ervaringen en belevenissen van deze militairen na hun vlucht uit Stalingrad. Wanneer de derde wereldoorlog uitbreekt weten ze te ontkomen naar Mars. Hier vestigt zich het overgebleven deel van de mensheid. Kluge hanteert in deze fragmenten alle realistische middelen die hem ter beschikking staan (aggressieve montage, klownerie, overdreven imitatie) om het afschrikwekkende van het heden in de toekomst verbeelding te profileren.

11

De boeken van Kluge hebben een steeds grotere omvang gekregen. Steeds meer materiaal moet verwerkt worden om de strategie van onderen, berichten uit de niet openbare gevoelswereld zintuiglijk waarneembaar te maken. ‘Unheimlichkeit der Zeit’ (1977) is wat dat betreft een mammoetwerk, waarin een bijna onoverzienbare hoeveelheid teksten over gebeurtenissen uit werkelijk de hele wereldgeschiedenis de revue passeren. Materiaal, dat overigens niet gesorteerd is uit de massa’s beelden, die de massamedia over ons uitstorten, maar veelmeer uit verstofte dossiers, wetenschappelijke studies, die allang vergeten zijn. Onspektakulair materiaal.

Kluge is geen schrijver die daar nog een verhaal aan toevoegt, maar eerder een auteur, die al die verhalen moet verwerken om zelf op verhaal te kunnen komen. Om een samenhang in zijn eigen levensgeschiedenis te produceren, moet hij greep krijgen op alles wat door zijn hoofd gaat en is gegaan. Een sysiphusarbeid is nodig voor radikale subjektiviteit. In ‘Unheimlichkeit’ probeert Kluge bijvoorbeeld zicht te krijgen op de omstandigheden die zijn jeugd hebben bepaald, door een minitieuze dokumentatie van het bombardement op Halberstadt in 1945. (Kluge werd in 1932 in Halberstadt geboren). Gedetailleerd beschrijft hij de reddings- en overlevingspogingen van de bevolking en van de strategische aspekten van het bombardement. We krijgen een rekonstruktie te lezen van de gebeurtenissen in het koncentratiekamp Langenstein, dat in de omgeving van Halberstadt heeft gelegen. De jurist Kluge demonstreert aan de hand van een grote hoeveelheid materiaal voor rechtbankszaken de wijze waarop in het juridisch apparaat de verschuivings- en verdringingsarbeid aan het werk is. Hij brengt de ethiek van de wetenschap in beeld aan de hand van ‘Lebensläufe’ van progressieve wetenschappers, die zich ontwikkelen tot karrièristen. Tussen deze aaneenschakeling van katastrofes, leerprocessen in een verkeerde richting bevindt zich een groot aantal details, tekstfragmenten, die geen verbinding met andere fragmenten aangaan en die zich niet in een interpretatieschema laten persen. Maar deze fragmenten zijn zoals gezegd geen bijzaken in de tekst. Het zijn openingen in het ritme van het boek om de geschiedenis tegen de haren in te lezen.

12

Om een goed beeld van Kluges manier van werken te krijgen, zit er niets anders op dan zijn werk in z’n geheel te lezen. Het vertaalde fragment, dat hierachter afgedrukt staat, geeft dan ook noodzakelijkerwijs een ietwat vertekend beeld van Kluges artistieke produktie. Het ritme van de teksten, de hoeveelheid technieken, waarvan Kluge gebruik maakt, komt er niet goed tot in uiting. Wel zien we iets van Kluges biografische schrijfwijze, zoals hij die in al zijn boeken hanteert. Het fragment demonstreert tegelijkertijd een aspekt dat in Kluges boeken en vooral zijn films een niet onbelangrijke rol speelt. Hij portretteert namelijk vaak vrouwenfiguren als voorbeelden van individuele leerprocessen, waaraan maatschappelijke antagonismen het meest pregnant kunnen worden afgelezen.

In de levensgeschiedenissen van deze vrouwenfiguren wordt het konflikt tussen individuele pogingen tot zelfverwezenlijking en de maatschappelijke werkelijkheid die dat niet toestaat het scherpst in beeld gebracht. Leni Peickert bijvoorbeeld. In de film Die Artisten in der Zirkuskuppel Ratlos, (1967) is zij de dochter van een artiest die in het cirkus omgekomen is. Ze probeert het cirkus opnieuw op te richten, waarbij de fantasie een belangrijkere rol moet spelen dan het prestatieprincipe. Vlak voor de premiere stopt ze het eksperiment omdat ze merkt dat de medewerkers er niet in geloven en dat er weinig dreigt terecht te komen van wat ze er zich bij voorgesteld had. Om haar utopie niet in gevaar te brengen, gaat ze werken bij de televisie om haar idealen te verwezenlijken via de weg van de kleine stappen.

In een aantal essays heeft Kluge toegelicht waarom hij juist vrouwen als Lenie Peickert voor de lens haalt: ze illustreren de spanning tussen specifiek-vrouwelijke produktiekracht (onuitputtelijke energie om veranderingen tot stand te brengen) en een gebrekkig theoretisch bewustzijn (nodig om die veranderingen volgens een vastomlijnd plan doelgericht tot stand te brengen). Deze kortsluiting treedt op bij veel figuren in de boeken en films van Kluge, maar juist aan de hand van de vrouwenfiguren (waarbij de nadruk ligt op de positieve kenmerken) thematiseert Kluge de (onmogelijkheden van utopie.

Literatuur

Alexander Kluge, Lebensläufe. Erzählungen. Stuttgart 1962. De bewerkte en uitgebreide versie hiervan: Lebensläufe. Anwesenheitsliste für eine Beerdigung.
Frankfurt am Main 1974.

-, Schlachtbeschreibung, Olten und Freiburg 1964. Opnieuw uitgegeven onder de titel: Der Untergang der sechsten Armee – Schlachtbeschreibung.München 1969.
-, Die Artisten in der Zirkuskuppel: ratlos. Die Ungläubige. Projekt Z. Sprücher der Leni Peickert. München 1968.
Negt, Oskar und Alexander Kluge. Oeffentlichkeit und Erfahrung. Zur Organisationsanalyse von bürgerlicher und proletarischer Oeffentlichkeit.Frankfurt am Main 1972.

-, Lernprozesse mit tödlichem Ausgang. Frankfurt am Main 1973.
-, Gelegenheitsarbeit einer Sklavin. Zur realistischen Methode. Frankfurt am Main 1975.
-, Neue Geschichten. Hefte 1-18. ‘Unheimlichkeit der Zeit’. Frankfurt am Main 1977.
Herzog/ Kluge/ Straub. Mit beiträgen von UIrich Grogor e.a. Munchen 1976. Hierin interview met Kluge en uitgebreide bibliografie.