Een vraag die mij als criticus met zekere regelmaat wordt gesteld is de volgende: lees jij nou ook nog wel eens een boek voor je plezier? Het is een vraag waar ik altijd even over na moet denken. Hij behoort tot een andere categorie dan de vraag die mij bij voorkeur wordt gesteld wanneer mijn overvolle boekenkast in zicht komt: heb je dat nou allemaal gelezen? De eerste vraag neem ik serieus, de tweede niet.

Mijn eerste reactie is meestal: ik lees de boeken die ik lees, althans het merendeel, altijd met veel plezier; ik houd nu eenmaal van lezen. Maar dat blijkt doorgaans niet wat men had willen weten. En dan wordt het lastiger. Want voor je plezier lezen – dat wil zeggen: alleen maar voor je plezier lezen. Als de vragensteller filosofisch is geschoold, doelt hij of zij misschien op wat Kant ooit het ‘interesseloses Wohlgefallen’ heeft genoemd. Gelukkig zijn de vragenstellers zelden filosofisch geschoold, dus hoef ik mij bij de beantwoording niet te begeven tussen de voetangels en klemmen van de esthetica.

De vraag gaat uit van de tegenstelling die er bestaat tussen arbeid en vrije tijd. De meeste mensen lezen romans, verhalen en gedichten in hun vrije tijd. Naast het werk. Ze genieten van de lectuur (laten we dat tenminste aannemen), denken er misschien even over na, voelen zich mentaal verkwikt en gesterkt of een beetje bedroefd, maar dat kan ook heel plezierig zijn zolang de droefenis maar door een kunstwerk wordt opgewekt. En dat is het dan.

Misschien zullen ze later op sommige boeken terugkijken en verbaasd of tevreden vaststellen, dat die bepaalde roman of dat bepaalde gedicht op hun leven, op hun manier van kijken, van wereldbeschouwing zelfs, een beslissende invloed heeft gehad. Ook is het mogelijk dat bepaalde woorden, uitdrukkingen of zinswendingen, sinds ze die roman of dat gedicht hebben gelezen, tot hun eigen vocabulaire zijn gaan behoren. In Nederland wemelt het bijvoorbeeld van de Fritsen van Egters. Zo blijkt de vrije tijd toch iets te hebben opgeleverd, dat ook daarbuiten van betekenis is. Maar toch, dat boek, dat hebben ze in de eerste plaats voor hun plezier gelezen.

Bij iemand die als literatuurcriticus de kost verdient, ligt dat anders. Werk en vrije tijd lopen bij hem op een verwarrende manier door elkaar. Toen ik nog maar pas met recenseren was begonnen, klonken er bij vrouw en kinderen soms verontwaardigde kreten als ze mij weer eens met een boek in de stoel zagen zitten, terwijl het wasgoed zich ophoopte, de stofzuiger brulde en het huiswerk om hulp en explicatie vroeg. Die kreten hadden altijd dezelfde strekking: Wij werken ons uit de naad en jij zit maar de godganse dag te lezen; verhef je luie gat en doe eindelijk iets! Het heeft een hele tijd geduurd voordat het tot iedereen was doorgedrongen dat dat lezen van mij ook werk was.

Het probleem zit ‘m in het woordje ook – de literaire kritiek heeft als werk iets dubbelzinnigs. Het is plezier en arbeid tegelijk. Jij hebt van je hobby je werk gemaakt – dat krijg ik ook wel eens te horen, altijd met iets van jaloezie, en soms met iets van dédain. Werk behoort werk te zijn, duidelijk als zodanig herkenbaar, en geen hobby, vindt men blijkbaar. Zelf voel ik mij altijd een beetje gekrenkt, wanneer zoiets tegen mij wordt gezegd. De literatuur is voor mij geen hobby. Ik had zelf het idee dat zij voor mij veel meer betekende – daarom heb ik er ook mijn werk van gemaakt.

Op de vraag of ik nog wel eens een boek voor mijn plezier lees, kan ik het antwoord nu wel geven: nee, alleen voor mijn plezier lees ik een boek zelden of nooit. Omdat de scheiding tussen werk en vrije tijd bij mij is weggevallen, weet ik eenvoudig niet waar en wanneer ik iets alleen voor mijn plezier zou moeten lezen. Wat ik lees past altijd wel, op de een of andere manier, in het werk dat ik doe. Ik moet over het boek dat ik lees een recensie schrijven. Als dat niet zo is, dan blijken sommige elementen van het boek bruikbaar te zijn voor het essay dat ik, naast de recensies voor de krant, aan het schrijven ben, of voor het boek waaraan ik, daar weer naast, bezig ben. Eigenlijk is alles wat ik lees, hoe dan ook, bruikbaar – en dient dus niet alleen mijn plezier.

Ik denk dat alle serieuze critici in dezelfde positie verkeren. Er valt niet aan te ontkomen: een criticus leest anders – ik zeg niet per se beter – dan een gewone lezer. Dat geldt trouwens ook voor andere professionele lezers, zoals de redacteur van een uitgeverij, de leraar, het jury-lid of de organisator van literaire bijeenkomsten. Binnen het contingent professionele lezers zijn de critici zelfs in de minderheid. Maar daar staat tegenover dat zij zichtbaarder zijn.

In krant, weekblad of tijdschrift schrijven zij over de boeken die ze hebben gelezen en vervullen zo hun rol in het literaire debat. Dat literaire debat blijft natuurlijk niet tot de critici beperkt. Alle lezers doen eraan mee, ook de lezers die alleen voor hun plezier lezen. Want over boeken wordt gesproken. Men vertelt elkaar wat men ervan vindt, hoe rudimentair dat soms ook gebeurt. Is dat boek wat, vraagt de ene lezer. Nee, geen bal aan, antwoordt de ander. Of: schitterend boek, moet je lezen. Sommige lezers zijn in dat laatste geval zelfs in staat het hele verhaal na te vertellen, met steeds groter wordend enthousiasme. Waarna de ander, in de regel, dat boek ook gaat lezen en vervolgens op zijn beurt aan weer een ander… et cetera.

Zonder literair debat is er geen literatuur. Dan zijn er alleen afzonderlijke boeken, die worden gelezen door lezers, die nog het meest weg hebben van Leibniz’ monaden, ‘vensterloze’ wezens die niet met elkaar communiceren. Literatuur is niet de som van alle boeken die verschijnen. Sommige boeken behoren wel tot de literatuur en andere niet. Het is alleen nog niet zo eenvoudig om uit te maken welke wel en welke niet. Daarvoor hebben we het literaire debat nodig. Maar dat debat is al heel lang aan de gang, zodat het in de praktijk toch niet zo veel problemen oplevert welke boeken wel en welke niet tot de literatuur behoren. De conventie heeft dat voor een belangrijk deel al uitgemaakt. Om een voorbeeld te noemen: de ene Hermans behoort er wel toe en de andere Hermans niet. Natuurlijk zijn er altijd dissidenten die Toon meer literatuur vinden dan Willem Frederik, maar zij zijn in de minderheid en willen ze gehoord worden, dan zullen ze met zeer krachtige argumenten moeten komen.

Literatuur berust op conventie en traditie. Literatuur bestaat bij de gratie van een canon. Dat zijn, zeg maar, de boeken waarover we op school worden onderwezen, en het zijn de boeken waarover de critici zich druk maken. Geen enkele criticus kan zich onttrekken aan de bestaande canon. Per slot van rekening heeft ook hij ooit in de klas gezeten en andere critici gelezen, voordat hij zelf tot het gilde toetrad. De opvattingen die hij zo heeft opgedaan laten zich niet gemakkelijk uitwissen. Wanneer hij als criticus begint heeft hij al, onbewust maar meestal naar ik mag hopen bewust, een duidelijk omlijnd idee van wat literatuur is en wat niet.

Toch kan de conventie alleen voor hem nooit voldoende zijn, net zo min als de canon. Dat wil zeggen: het zijn voor hem geen ongenaakbare grootheden. Hij zal zich bezig moeten houden met vragen als: wat is literatuur eigenlijk? Waarom hoort het ene boek er wel bij en het andere niet? Hij is het, anders dan de gewone lezers, aan zijn stand verplicht hardop over deze kwesties na te denken, en niet alleen omdat de lezers van zijn kritieken dan beter kunnen beoordelen wat ze van zijn opinies over individuele boeken moeten vinden. Van die conventie, die traditie, die canon maakt de criticus op een actieve manier deel uit. Het gaat nu eenmaal niet vanzelf.

Daarom zal een criticus de bestaande canon nooit klakkeloos overnemen. Ook herlezen behoort tot zijn taak, vergeten schrijvers ontdekken en hun de passende waardering geven, overschatte schrijvers traceren en hun de plaats wijzen die zij naar zijn mening verdienen. Niet als een god in de hemel, maar eerder als een woudloper die zich een eigen pad kapt in het kreupelhout van de letteren. Een pad dat, als het goed is, een spoor kan worden voor de lezers van zijn kritieken en essays, die dan vervolgens zelf kunnen beslissen of ze het de moeite waard vinden hem te volgen of niet.

Dat pad en dat spoor zijn zijn belangrijkste bijdragen aan het literaire debat, dat de literatuur als literatuur voortbrengt. Maar waar is het plezier gebleven? Het lijkt alsof het restloos is opgegaan in de arbeid, al valt te hopen dat iets ervan altijd zichtbaar blijft in de stukken die ik over literatuur schrijf. Het ware plezier leidt niettemin een verborgen leven, het houdt zich schuil achter de woorden en de zinnen die er het resultaat van zijn. Oordeel en argumentatie, de twee pijlers van elke goede kritiek, duiken op uit een ondergrond van gedachten, gevoelens, associaties, en daar huist ook het plezier van het lezen.

Ik had nu graag opgeschreven dat mijn grootste plezier voortkomt uit onbevangenheid, een zich openstellen zonder vooroordeel of bijgedachte voor wat de tekst te zeggen heeft, een zich onvoorwaardelijk verliezen in het geschrevene. Zo moet het lezen ooit begonnen zijn, stel ik mij voor, met een totale ontvankelijkheid voor de magie van de taal, die willekeurige lettertekens verandert in beelden, voorstellingen. Tegelijkertijd weet ik dat die onbevangenheid op een illusie berust, zelfs al bij dat eerste begin. Want waar komen die beelden en voorstellingen vandaan? Lezen is een activiteit, niet een passief ondergaan. Wie meent zich in een boek te hebben verloren, heeft in werkelijkheid iets gevonden. De vraag is alleen: waar? In het eigen hoofd? In de tekst? In de imaginaire mimic daar tussenin?

Het raadsel neemt als zo vaak de vorm aan van een paradox: wie leest blijft bij zichzelf en maakt zich er van los. Een onmogelijk grensverkeer vindt hier plaats. Om te kunnen lezen moet ik mij in het geschrevene kunnen herkennen, maar lezen is ook: zich het nog niet gekende eigen maken. Misschien wordt de grens alleen maar verlegd. Zodra ik iets kan lezen, is het van mij, valt het binnen de competentie van mijn hoofd en alles wat zich daar afspeelt. Maar het moment van binnenkomst zelf, dat laat zich niet meer betrappen. Het beeld of de voorstelling is er meteen. De grensoverschrijding die moet hebben plaatsgevonden, is onachterhaalbaar geworden.

Blijft het beeld of de voorstelling uit, dan zijn er alleen maar woorden, vreemd, ongenaakbaar, niet te bevatten. Iedereen weet hoe moeilijk het is om te lezen in een toestand van grote vermoeidheid. Keer op keer glijdt de blik over de regels, maar de woorden blijven woorden. Soms kan dat bladzijdenlang voortgaan, voordat tot je doordringt niets van de tekst te hebben opgenomen. De letters zijn onveranderd gebleven. Op de vraag wat je zojuist hebt gelezen, moet je het antwoord schuldig blijven. Of het antwoord zou moeten zijn: niets – een absurditeit, want voor de buitenstaander die de vraag stelt ben je al een tijd lang aan het lezen. Niemand kan niets lezen.

Het plezier van het lezen wordt pas mogelijk als de machinerie niet hapert of verstek laat gaan. Ik geloof dat het, in elk geval bij mij, alles te maken heeft met de mate van activiteit die een tekst vereist. Hoe meer ik aan het werk word gezet, des te groter het plezier. Dat heeft minder te maken met de moeilijkheidsgraad van een tekst, al kan die er nooit helemaal van los worden gezien, dan met datgene wat de woorden oproepen aan gedachten, gevoelens, associaties.

In de kantlijn van het boek dat ik lees verschijnen strepen, vraagtekens, uitroeptekens, namen, trefwoorden – de uiterlijke kentekenen van een innerlijke mobilisatie die door het boek in gang is gezet. Het gelezene zou zich wel willen uitstrekken tot alles wat zich in mijn hoofd bevindt. Maar een duidelijk doel ontbreekt aanvankelijk. Wat ik vind als ik mij in een boek verlies, is daarom niet iets tastbaars; het is een wijkend perspectief, alsof ik door een huis dwaal vol kamers waarvan steeds meer deuren opengaan en achter die deuren bevinden zich weer nieuwe kamers, met andere deuren, andere kamers. Het vreemde en het ongekende, dat ik op de bladzijden ben tegengekomen, blijkt niet zo vreemd en ongekend te zijn dat er geen plek voor te vinden is in mijn mentale huishouding, die daardoor zelf ook iets vreemds en ongekends kan krijgen. Dank zij het boek verdwaal ik, al lezend, in mijn eigen hoofd.

Maar niet voorgoed. De verdwalende activiteit van het lezen wordt vanaf een zeker moment (in elk geval bij de tweede lezing, maar soms ook al bij de eerste) begeleid door een andere activiteit die erop gericht is de dwaaltocht zo precies en zorgvuldig mogelijk in kaart te brengen. De strepen, vraagtekens, uitroeptekens, namen en trefwoorden worden meer of minder uitvoerige aantekeningen, haastig neergeschreven op kladblaadjes. Het verdwalen verliest zijn oorspronkelijke karakter en verandert in een beschrijfbare orde. Langzaam maar zeker valt alles op zijn plaats. Niet dat die plaats er al bij voorbaat is, maar uit het niets komt zij evenmin; haar oorsprong ligt enerzijds bij de eigen levenservaring van buiten de boeken, anderzijds bij de literaire conventie, de traditie en de canon, die het hoofd zijn binnengedrongen dank zij eerder gelezen boeken – waarvan een deel inmiddels opengeslagen op mijn bureau ligt, ter verifiëring en vergelijking.

Uiteindelijk reproduceer ik, al schrijvend, een bestaande orde, maar telkens met nieuwe verschuivingen, andere accenten, die achteraf recht proberen te doen aan de grensverlegging die tijdens het lezen heeft plaatsgevonden. Ik geef gehoor aan een nieuwsgierigheid naar de werking van mijn eigen geest, mijn eigen smaak. Waarom vind ik iets mooi of lelijk, interessant of saai, belangrijk of waardeloos? De elementaire impuls die van de tekst uitgaat wil deel uitmaken van het bewustzijn, moet worden vertaald, in een idioom gevoegd, en waar dat niet zonder meer kan, zoals bij alle werkelijk grote literatuur, zal het bestaande idioom moeten worden aangepast of zal er een nieuw idioom moeten worden uitgevonden.

Pas de dubbele activiteit van dwalen en ordenen genereert het grootste plezier van het lezen, dat voor mij en naar ik vermoed voor iedere criticus altijd ook – onverbrekelijk – het plezier is van het schrijven over wat en hoe je hebt gelezen. Arbeid, maar plezierige arbeid.