1. Een burgerlijke jeugd

Van mijn vader bestaat maar een handvol foto’s, en dan nooit van hem alleen. Daarvoor moeten zijn nazaten bij tekeningen van min of meer bekende schilders zijn, en vooral bij twee breed opgezette portretten in olieverf. Op het eerste daarvan, uit 1934 toen hij bijna veertig jaar was, zit hij te lezen, op het tweede, van zowat vijftien jaar later, te schrijven, aan een tafel vol boeken. Zo is het: toen ik klein was nam hij ieder moment dat hij vrij kon maken waar om te lezen, maar na de oorlog bracht hij, op de ogenblikken dat hij niet in de winkel of de lijstenmakerij moest werken, overdag zijn tijd door met schrijven en ‘s avonds met lezen.
Ik zou willen weten welk boek hij op het vroege schilderij in handen houdt, want dat is niet te zien. Tien tegen één dat het een in het Nederlands geschreven of vertaald geschiedwerk is, van Melis Stoke tot Huizinga, of een uitgave van een van onze klassieke schrijvers, altijd uit zijn eigen boekerij. Van onze dichters en prozaïsten bezat hij een omvangrijke collectie, als het even kon in verschillende edities die hij onvermoeibaar met elkaar zat te vergelijken. Het kan natuurlijk ook zijn dat de schilder, zijn vriend Carl Schlüter, hem heeft zitten bekijken op een moment dat hij het wat luchtiger opnam, en zich, hardop lachend of met betraande ogen, zat te verpozen met Burgersdijks Shakespeare, met Balzac, Dickens, Thackeray, Jack London. Alles in het Nederlands want hij kende verder alleen een klein beetje Duits en nog minder Engels.
En waar zat hij op dat tweede schilderij aan te schrijven? Ook dat is wel te raden: aan commentaren op geschiedkundige of literairhistorische werken die op zijn grote werktafel uitgespreid lagen rond de gelijnde foliovellen die hij in zijn vloeiende en heldere handschrift volschreef. Vele honderden bladen, ruim tweeduizend zelfs, heeft hij daarmee gevuld. Na zijn dood in 1959 heb ik die allemaal, nogal radeloos, doorgelezen, net als de tientallen schriften in glimmend zwart linnen en de losse blaadjes die hij placht te leggen in de boeken waarmee hij bezig was (soms valt er nog wel eens zo’n velletje uit een boek dat ik inmiddels het mijne mag noemen). Eindeloze aanvullingen, adhesiebetuigingen, detailkritiek, schampere marginalia, allemaal uitingen van een heftige betrokkenheid, soms to the point, soms onherroepelijk ernaast omdat zijn dilettantenhouding tegenover de wetenschap eerder die van een negentiende-eeuwse compilator was dan die van een kritische geschiedkundige uit zijn eigen tijd. Niet zelden verdedigde hij in die aantekeningen dan ook een vergeten auteur uit de vorige eeuw tegen hedendaagse opvattingen die hij vaak te kaal of te cynisch vond. Hoewel niet confessioneel – in later jaren werd hij vrijmetselaar – beleefde hij uiteindelijk meer plezier aan het Handboek van Groen van Prinsterer dan aan De lage landen bij de zee, al las hij ook de boeken van de Romeins met grote aandacht. Tegen Bakhuizen en Fruin legden alle hedendaagse historici het af, op Huizinga na.
 
Wat mijn moeder betreft, schrijven deed zij niet maar lezen des te meer, in hetzelfde mengelmoes van niveaus als mijn vader, dat, denk ik, kenmerkend is voor mensen die zelf hun weg moeten zoeken. Want selfmade waren beiden, mijn vader nog meer dan mijn moeder. Hij was opgeleid tot bouwkundig tekenaar maar daarvoor hoefde je zelfs geen ulo te bezoeken, dat gebeurde op avondscholen en verder in de praktijk, op een architektenbureau. Omdat hij zelf een aantal huizen gebouwd had, waaronder dat waarin wij woonden (van binnen stijl Berlage, van buiten eerder Frank Lloyd Wright, de twee grote voorbeelden), noemde hij zich ook wel ‘architekt’. Dat mocht toen nog. In de tijd van teruglopende bouw, al voor in de jaren twintig, werd hij ontslagen en van dat moment af hielp hij mijn moeder de kleine kunsthandel uit te breiden, die zij voor haar huwelijk met hem begonnen was. Daarnaast bleef hij nog een aantal jaren bouwen, in ons huis was een tekenkamer.
Mijn moeder was op de Amsterdamse Industrieschool geweest, waar zij ondermeer boekhouden en lessen handelscorrespondentie in het Frans en het Duits kreeg (Engels was er nog niet bij). Als meisje van achttien, negentien jaar kwam zij op het kantoor van de Haarlemse familiebankier Van Hamel. Frederik van Eeden kwam daar wel en hem kende mijn moeder uit een of andere bond waarvan zij lid en hij schutspatroon was, een heilige in manchesterpak. Van Eeden wist wie zij was, maar wanneer hij zijn financiële zaken kwam bespreken met Van Hamel, chic in de kleren en met glacéhandschoenen aan, zag hij haar niet. Het siert mijn moeder dat zij daar vijftig jaar later nog honend over sprak. Voor het verzoek van Van Hamel, om hem niet te groeten als zij met haar rommelige vrienden en vriendinnen (sandalen, Schillerkragen en reformjurken) over straat liep, had zij meer begrip, het hoorde bij ‘s mans sociale dwangpositie. De directe aanleiding van dit groetverbod was een anti-militaristische demonstratie waaraan mijn moeder deelnam. Toen in de loop van de oorlog veel cliënten van Van Hamel failliet gingen moest mijn moeder naar een andere betrekking omzien, zij werd secretaresse van de kousenfabrikant Hin.
De omgang van mijn moeder met de twee vreemde talen van haar schoolopleiding was waarschijnlijk helemaal op de praktijk van de zakelijke uitwisseling met Hins vele buitenlandse connecties gericht, ik heb haar nooit een boek in het Frans of Duits zien lezen, wel veel vertalingen. Wat precies las zij? Ik heb er, o schande, pas veel later goed op gelet, en toen waren het romans van Simenon (waarvan zij Brief aan mijn rechter het hoogst stelde), Ignazio Silone, Moravia, Vestdijk. In de jaren dertig was haar smaak minder selectief, een paar boeken die ik mij herinner in haar handen voor het eerst gezien te hebben zijn Jetje Gebert en een hele rij Noorse winden-rotsen-bossen verhalen (‘Dag, zei Grote Dag tegen Kleine Dag’), vrijmoedig afgewisseld door Couperus’ Haagse kronieken en een eindeloze rij romans van Carry van Bruggen / Justine Abbing. Eva en Heleen waren haar lievelingsboeken, maar ook Prometheus had zij gelezen, zij kende Carry van Bruggen (‘Kerrie’ zei zij, vreemd genoeg) in haar jonge jaren vrij goed. Niet toevallig natuurlijk, deze bewondering voor het lichtende en nog altijd onderschatte exempel van een vrouw die zichzelf gevormd had.
Mijn moeder las met haar boek voor zich op tafel, want al lezende zat zij te breien, onophoudelijk, niet voor haar plezier maar toch ook zonder er erg onder te lijden: zulk werk moest, in een gezin met drie kinderen, voortgang vinden. Zij had dan, het was haast altijd koud in huis, één van onze ontelbare katten als ‘bontje’ om haar hals gedrapeerd, een privilege dat sommige van die katten zeer op prijs stelden. Ook mijn zuster en ik zaten op de geërfde biedermeier stoelen rechtop aan tafel te lezen, mijn vader was lange tijd de enige die een leunstoel had en zijn boek in de handen kon houden. Op avonden dat het vroeg donker werd zaten wij allemaal om de grote tafel in de huiskamer, want dat was het enige vertrek waar gestookt werd en waar het licht aan was. Mijn broer hield zich als enige met andere dingen onledig: hij is pas veel later aan het lezen geslagen, over beeldende kunst vooral. Romans heeft hij niet aangeraakt.
 
Het is duidelijk dat mijn vader eigenlijk had moeten studeren. Ook mijn moeder zou het gemakkelijk gekund hebben maar ik ben er niet zeker van dat haar ambities die kant uit zouden zijn gegaan. Zij was als meisje lid van allerlei idealistische bewegingen, geheelonthoudersbond, Rein Leven, hulp aan meisjes die ‘uit het leven wilden’, altijd op de maatschappelijke werkelijkheid gericht maar niet altijd even doeltreffend. Zij trouwde vrij jong met een vriend uit de geheelonthoudersbeweging, jgob of kgob, maar die stierf al een jaar later aan tuberculose. Voor zijn gezondheid waren zij in Blaricum gaan wonen, en om het hoofd boven water te houden begon mijn moeder haar kunstwinkeltje, in een houten huis van ‘de kolonie’ (professor Van Rees kende zij omdat hij een leidende figuur was in de anti-prostitutie beweging). Toen zij een jaar voortgeploeterd had, met de zware last van een winkel, een dochtertje en een van alle gemakken genietend snolletje dat zij vergeefs op het rechte pad probeerde te houden, ontmoette zij mijn vader, met wie zij korte tijd later trouwde, van haar kant vooral een noodsprong. De nymfomane uitvreetster had zij eruitgebonjourd nadat Felix Ortt, de leidende figuur van die neem-een-hoer-in-huis-beweging, haar had doen weten dat hij geen boodschap had aan de dagelijkse moeilijkheden waarmee zij te kampen had, hij was er voor de grote lijn.
Dat verhaal over de moeilijk in te binden losbandige heb ik eerst van mijn vader gehoord en pas later ook van mijn moeder. Hij wilde mij er goed van doordringen dat er van zwevers als Ortt niets goeds te verwachten viel. Zelf was hij nergens lid van, van ethisch idealisme had hij, opgevoed in de sfeer van de Humanitaire School, voorgoed zijn bekomst. Je hoefde de naam van juffrouw Calisch, eerste onderwijzeres van de Larense school, maar te noemen of hij sprong uit zijn vel. Als ik in een paar woorden zou moeten zeggen wat hij voor iemand was, werd dat: kunstzinnig en leergierig. Ach, als in zijn jonge jaren de mogelijkheid had bestaan om naar de middelbare school te gaan en daarna het geld voor een universitaire studie te lenen, alleen terug te betalen bij een redelijk hoog inkomen, wat zou hij eropaf gerend zijn! Hij zou het leven hebben kunnen leiden waarnaar hij hunkerde.
Wat voor iemand zou hij dan geworden zijn? Een jongeman die zijn klasse ontstegen was en zijn verleden ontkende? Ik kan het mij niet voorstellen. Hij is altijd voor de helft volksjongen gebleven, wat ik als kind al opmerkte omdat hij bij zijn regelmatige boekenstrooptochten in Amsterdam (hij nam mij voor de gezelligheid vaak mee) plotseling een andere man kon worden, die het onvervalste Amsterdams sprak dat men verwachten mag van iemand die op de Elandsgracht geboren is. Maar rancune tegen de hogere standen stond hij zichzelf niet toe, mensen met ‘kouwe kak’ lachtte hij alleen maar in hun gezicht uit, net als mijn moeder trouwens. Zijn afkomst was nog het best af te lezen aan de rare volksonwijsheden die hij verkondigde: met mensen die je niet aankijken als ze tegen je praten moet je oppassen, stotteraars hebben iets te verbergen, een slap handje wijst op een slap karakter, een man met twee haarkruinen is homosexueel en daar moet je bij uit de buurt blijven. Van roodharigen had hij niets kwaads te melden maar, dat scheelt, hij had zelf rood haar, wat vooral goed te zien was aan zijn Napoleon III-sik. ‘De felle metten roden baerde’ noemde ik hem als beginnend student; Vanden vos Reynaerde was één van zijn lievelingsboeken (vier edities). Fel was hij in zoverre dat hij heftige driftbuien had. Mijn broer was er een meester in om die te zien aankomen en in mijn richting te laten drijven. De onbeheerste emotionaliteit van mijn vader heeft mijn ziel niet blijvend geschaad, het was tenslotte de tegenkant van een grote warmte. Ik denk alleen wel dat ik er een strategie van gewiekste rationaliteit door ontwikkeld heb, zodat de Reinaard-rol op den duur eerder de mijne werd en mijn vader er van tijd tot tijd als een brullende koning Nobel uitkwam.
 
Natuurlijk viel het mij in later jaren, toen ik op het gymnasium zat, wel eens op dat mijn vader met Jan Romein over Wagenaar kon praten, met de muziekschooldirecteur en componist Daniel Belinfante over Brahms die maar geen eind wist te breien aan zijn symphonieën, met zijn beste vriend Herman Kruyder over de verdiensten van gebrande siena en over de lichtgevende maar riskante mogelijkheden van ultramarijn tegen kobalt aan, en met de makelaar / verzamelaar S.B. Slijper over Mondriaan versus Kruyder, waarbij zij de eigenschappen van hun voorkeursschilders als schaakstukken tegen elkaar uitspeelden. Bijzonder vond ik dat allemaal niet. Vaders hebben dat, die leven al zo lang dat ze zich over dergelijke onderwerpen een oordeel hebben kunnen vormen. Pas toen ik mijn eigen smaak begon te cultiveren, en dus de verschillen met de zijne ging benadrukken, begon ik in te zien in hoe hoge mate hij zijn kennis in onbegeleide studie verworven had – wat ik natuurlijk tegen hem uitspeelde, zelf in staat gesteld om de best denkbare opleiding te volgen, zo goed als niemand zich nu meer kan voorstellen.
 
Wat bezielde mensen als mijn ouders, hoe is het mogelijk dat zij na een dag van zwoegen en sloven, zonder ooit ook maar een week gezamenlijke vacantie, iedere dag tot in de nacht bleven zitten lezen? Als mijn moeder eens een keertje vroeg naar bed wilde, om haar door migraine geplaagde hoofd rust te geven, raakte mijn vader, ongetwijfeld naast al het andere ook een dwingeland, uit zijn humeur. Half twaalf, en niet eerder! De volgende ochtend stonden zij om halfzeven, uiterlijk zeven uur, weer op. Zij hadden een boek- en kunsthandel met eigen etsenuitgeverij, maar de zaak moest vanaf het begin van de jaren dertig steeds meer gaan leunen op de verkoop van huishoudelijke artikelen, souvenirs, prentbriefkaarten. De winkel was gewoonlijk tot negen uur open, pas in de oorlog kwam de winkelsluiting die in 1952 tenslotte in een wet geregeld werd. Door de zich verdiepende crisis liep de omzet steeds verder terug, en dat was voor mijn vader behalve een vernedering ook wel een beetje een opluchting. Stilte in de winkel betekende meer zelf etsen en etsplaten van anderen afdrukken, en natuurlijk lezen, stiekem steeds meer ook overdag. Alleen de werkzaamheden in de lijstenmakerij, verricht in de werkplaats achter het huis en ‘s winters in de huiskamer, bleven gestaag doorgaan: de schilders, meestal vrienden, hadden hun bespannen spieramen en lijsten nu eenmaal nodig. Maar te verdienen viel daarmee niet veel; integendeel, voorzover het om de kunstenaars zelf ging (er waren gelukkig ook andere klanten) werd erop toegelegd. Die mensen hadden immers doorgaans even weinig geld als mijn ouders, dus al hun benodigdheden, ook verf, pastelkrijt, schetsboeken en linnen die mijn vader altijd in voorraad had, werden geruild voor schilderijen. Ik heb, raar als het klinkt, als kind van de armoe weinig gemerkt, iedereen om ons heen had het moeilijk. Het ergst moet het voor mijn moeder geweest zijn, ik heb haar één keer in stilte zien huilen omdat er geen geld voor groente was. En toch niet blijvend moedeloos, toch dat onophoudelijke, wat mijn vader betreft zelfs onmatige, lezen. Mijn moeder zocht in de boeken, denk ik, vooral ontspanning, de enige ontsnapping aan de dagelijkse druk die haar gegeven was. Een radio hadden wij wel maar daar werd vooral op zondagmiddag naar geluisterd (Mengelberg!). Een grammofoon was te duur, platen waren onbetaalbaar. Herman en Jo Kruyder, die vaak aankwamen, namen soms hun koffergrammofoon mee, en dan werd uit hun kleine collectie platen Kruyders lievelingsmuziek, L’Oiseau de feu, gedraaid, of een tango of rumba, waarbij de Kruyders, gretige en bekwame danseurs, wat passen maakten. Voor de rest was er ‘s avonds hoogstens een paar keer in de week op de radio een uur muziek die mijn vader horen wilde, anders kon hij immers niet lezen?
Voor mijn vader kwam er naast ontspanning nog iets anders kijken. Op een keer zag een handelsreiziger een opengeslagen geschiedwerk op tafel liggen. ‘Goedzo, jongen,’ zei hij, ‘lernen, daar kan je alleen maar beter van worden!’ Toen ik dat verhaal later aan de historicus Presser vertelde, vooral om de fraaie dubbelzinnigheid in dat ‘er beter van worden’, spreidde hij beide handen uit, palmen naar boven. Hij begreep opperbest wat mijn vader bezielde want zijn eigen drijfveren waren niet anders, al was hij iets jonger. Al deze mensen wilden deel hebben aan een bestaansvorm die niet aan de dagelijksheid gebonden was, zij zijn het die, in hun drift naar weten, de liberale cultuur van de negentiende eeuw verbreed hebben. Zij wilden zich de verfijningen ervan eigen maken en dat is gelukt, door een voortdurende inspanning die voor hen niet een vervelend bijverschijnsel was maar een teken dat ze ‘er beter van werden’. Mijn vader en zijn leeftijdgenoten hebben de democratisering (een woord dat zij niet kenden) voortgezet die bij hun ouders begonnen is, en die, dat ben ik mij in de loop van de jaren steeds meer bewust geworden, bij mijn generatie haar vervulling gevonden heeft, of liever: waarvan wij tenslotte de vruchten geplukt hebben. Ik lees om dezelfde redenen als mijn vader: om door te krijgen wat er in het leven op het spel staat. Als ik nieuwe gebieden betreed, in de literatuur, in de kunst, in de wetenschap, voel ik iets dat ik het beste omschrijven kan als trots. Het is duidelijk, ook ik lees ‘om er beter van te worden’, en bij mijn generatie is ook de tweede, de economische, betekenis van die uitdrukking bewaarheid. Wat ik in mijn jeugd daarnaast nog geleerd heb, is dat die ontzagwekkende cultuur haar waarde verliest als je er niet voor naar boven moet bewegen, als je probeert haar naar je hand te zetten door het met al die ingewikkeldheden op een akkoordje te gooien. Van het soort democratisering dat in de jaren zestig, zeventig de maatschappelijke orde is gaan bepalen, begrijp ik niets, omdat zij op de stelling gebaseerd is dat de bereikbaarheid van het bijzondere vergroot moet worden, niet door iedereen die zijn best wil doen er toegang toe te geven maar door, zoals dat heet, de lat lager te leggen. Dat klinkt voor mij ongeveer alsof iemand zou zeggen: je gaat meer verdienen na een devaluatie. Ik verkondig hier verwerpelijke standpunten, ik kijk ook wel uit zulke politiek incorrecte opmerkingen in het openbaar te maken. Maar ik denk er wel zo over.
Waarvandaan kwamen mensen als mijn vader en moeder, die het levenspatroon en de normen hebben gevormd die voor het grootste deel ook van de mijne nog zijn? Waarheen waren zij op weg?
 
Mijn ouders stamden niet uit dezelfde klasse, maar ik heb nooit gemerkt dat de twee families zich daar erg druk over maakten. Zijzelf trouwens ook niet. Het verschil in maatschappelijke achtergrond was vooral te merken aan de kleuring van hun jeugdverhalen (allebei hebben zij hun kinderen vrij veel over vroeger verteld). Bij mijn moeder lag de nadruk op de bizarre Haagse bourgeoisie waaruit mijn grootmoeder voortkwam, bij mijn vader waren het eerder ‘schetsen uit de Jordaan’. Een zekere declassering was in beide gevallen al bij de vorige generatie opgetreden, ‘naar beneden’ of ‘naar boven’. Ik moet daarover iets vertellen om de opwaartse druk, die het leven van mijn ouders bepaalde, begrijpelijk te maken.
Eerst mijn moeder. Haar ouders kwamen aan de ene kant, die van mijn grootvader, uit een schoolmeestersgeslacht, aan de andere uit de gezeten burgerij, Amsterdams van oorsprong maar de tak van mijn grootmoeder was in Den Haag terecht gekomen. Het huwelijk van mijn grootouders was, uit Haags gezichtspunt, een mésalliance, maar dat kwam vooral doordat mijn grootvader een sociale duikeling gemaakt had. Zijn eigen grootvader, J.J. van Wijk Rzn, was nog een man van aanzien, een niet onbekend geleerde, die ondermeer een elfdelig Aardrijkskundig woordenboek schreef en directeur was van hoog aangeslagen kostscholen, eerst in Hattem en later in Kampen. Eén van zijn zoons was een gepromoveerd classicus en werd rector van de Latijnse School in Kampen. Dat was niet mijn overgrootvader. Daar weet ik niet veel van, behalve dat hij vroeg gestorven moet zijn en zijn vrouw ook. Een voorziening voor de kinderen was blijkbaar niet getroffen, mijn grootvader moest daarom na zijn verblijf in een weeshuis zijn maatschappelijke mogelijkheden zelf scheppen. Hij ging dan ook de lange weg van hulponderwijzer op zijn zeventiende tot, tenslotte, schoolhoofd in de Amsterdamse Czaar Peterstraat. Zijn leerlingen waren kinderen van eenvoudige zeelieden, de eerzucht van mijn grootvader was om deze volksjongens van de Eilanden op te helpen klimmen tot tweede of eerste stuurman, kapitein als het kon. Hij was, kortom, een onderwijzer van de generatie van Theo Thijssen en heeft ook niet zijn best gedaan om het verder dan tot schoolhoofd te brengen. Iets publiceerbaars geschreven heeft Jacob Jan van Wijk (ik heet naar hem zoals hij naar zijn grootvader genoemd was) niet, al zat dat wel in de familie, getuige de zoëven vermelde voorvaderen, en ook een neef, R.A. Kollewijn (van de spelling).
Dat mijn grootvader een meisje Van Hengel kon ontmoeten was alleen mogelijk omdat het een eigenwijs meisje was dat, tegen de verwoede tegenstand van haar ouders in, kwekelinge werd. Gezelschapsdame bij een aanzienlijk familielid, zoals haar zuster Adewij, dat had nog wel gekund, maar schooljuffrouw! Johanna Wilhelmina Frederica van Hengel moet een sterke wil gehad hebben, maar van het praktische idealisme dat mijn grootvader op de been hield was bij haar niet veel te merken. Of zat dat juist in haar tegendraadse huwelijk met een hooggestemde onderwijzer? In ieder geval heb ik haar leren kennen als een harde vrouw, altijd spottend met de moeilijke woorden die ik gebruikte en met mijn gelees dat mijn grootvader juist aanmoedigde (als zij de kamer uit was). Ik vrees dat mijn grootmoeder in haar diepste binnenste haar maatschappelijk afglijden wel degelijk betreurd heeft.
De Van Hengels behoren tot de families die in het jaarboek van het Nederlands Patriciaat staan, de Haagse tak is nauw geparenteerd aan de Margadants, Hotzen, De Bloeme’s en andere bekende Haagse geslachten. Bij mijn grootmoeder thuis werd nog Frans gesproken als de kinderen niet mee mochten luisteren. In zulke ‘famieljes’ waren in de vorige eeuw ook meestal wel literaten te vinden. In het geval van mijn grootmoeder waren dat tijdelijke grootheden als P.J. Andriessen, schrijver van kinderboeken, S.J. van den Bergh, de dichtende apotheker Steven Jan Hendrik van Hengel en niet te vergeten W.J. Hofdijk. In mijn jeugd hadden wij nog damast van ‘nicht Hofdijk’ op tafel, want die negentiende-eeuwers kochten degelijk in, ook wanneer zij met kleurrijke personages als Hofdijk getrouwd waren (maar nicht Hofdijk heeft op één van die bruine kiekjes waarvan ik albums vol bezit een geknepen mondje dat evenveel boekdelen spreekt als haar man volschreef). Over de zwierigheid van Willem Hofdijk gesproken, vele malen heb ik het verhaal gehoord hoe deze dichtende orator, staande op een tafel in zijn sociëteit, een gloedvol betoog aan het afsteken was toen Willem III binnenkwam en zonder opkijken de zaal doorliep naar een zijvertrek. ‘Kent,’ sprak Hofdijk, ‘de Koning der Nederlanden de Vorst der Dichters niet meer?’ ‘Verrek Hofdijk,’ sprak Zijne Majesteit, ‘ben jij het!’ Dat verhaal heb ik altijd gerekend tot de apocriefe familiehistorie totdat Anton van Duinkerken mij een keer precies diezelfde geschiedenis vertelde, met dezelfde woorden en dezelfde intonatie. Sindsdien geloof ik het want Van Duinkerken wist alles van de negentiende eeuw (en van andere eeuwen ook), ik drink met nog meer smaak mijn port uit Hofdijks glas dat ik volschenk uit Hofdijks karaf, want van het familiekristal is ook nog het een en ander over. Mijn grootmoeder beweerde dat de port op den duur Hofdijk aan zijn eind heeft gebracht. Het kan slechter.
Aan de familierelatie met Hofdijk heb ik niet louter plezier beleefd. Aegidius Willem Timmerman, die in ons dorp woonde, heeft jaren lang geprobeerd om mijn vader een portret van Hofdijk, zijn hogelijk bewonderde leraar Geschiedenis en Nederlands, af te troggelen, en toen hem dat niet gelukte waren zij voorgoed gebrouilleerd. Voor mij was dat nogal onaangenaam, want in het jaar dat dit gebeurde, 1936 denk ik, poseerde ik voor de beeldhouwer Hubert van Lith, een vriend van mijn ouders, en die woonde in De Klok, de helft van een huis waarvan het andere gedeelte, De Klepel (of was het omgekeerd?), bewoond werd door oude Tim. Als ik naar het hek van Van Lith stapte stond Timmerman voor het zijne, met zijn uitgeteerde vogelkop loerend vanonder een breedgerande hoed, en op het moment dat ik langs hem heen schoot haalde hij uit met zijn wandelstok. Geraakt heeft hij mij nooit maar het was wel de bedoeling. In zijn Herinneringen vertelt Tim het verhaal over Hofdijk en de koning overigens ook, maar dan in een zo tamme versie dat ik er liever geen geloof aan hecht.
Waarom val ik de geduldige lezer lastig met deze onbenullige verhalen over een verleden dat ik alleen het mijne mag noemen omdat dat mij altijd is voorgehouden? Wil ik het moment dat ik het over mijzelf ga hebben zo lang mogelijk uitstellen? Ben ik er diep in mijn hart toch wel trots op dat ik van goeden huize ben? (‘Johanna,’ zei mijn overgrootmoeder tegen mijn moeder als die probeerde een liedje te fluiten, ‘ga eens buiten kijken, er zit een straatjongen op het hek.’) Maar dan is er tegelijk een andere reden, precies tegenovergesteld. Voor mijn vader die alle familieverhalen, ook die van mijn moeder, heeft opgetekend en avondenlang stambomen zat te ontwerpen, vormden al die hele en halve schrijvers ongetwijfeld een bewijs voor de intellectuele en artistieke ‘klasse’ van mijn moeder, en van de weeromstuit ook van hemzelf, ongeveer zoals Multatuli trots was op zijn vermeende baronesse die zelf niet veel aandacht had voor een mogelijk adellijke afkomst. Maar mij imponeert nu juist het feit dat mijn moeder en hij cultureel helemaal niet zo stevig in hun schoenen stonden. Wat zij veroverd hebben, verwierven zij krachtens eigen talent, eigen doorzettingsvermogen, eigen belangstelling en niet omdat er erfelijk materiaal in hen opgeslagen lag.
Natuurlijk zocht mijn vader ook bij zichzelf naar voorvaderen met literair en artistiek talent maar de oogst was mager. In de Napoleontische tijd was er een zekere Hubert van Houten die geschilderd moet hebben maar daar is niets van bewaard en ik weet niet eens of het waar is. Op zijn tijdgenoten maakte in elk geval meer indruk dat hij één van de vier soldaten was die tijdens de slag bij Waterloo de gewonde prins van Oranje van het slagveld droegen. Pieneman (Jan Willem) heeft de scène vereeuwigd maar ook Pieneman is inmiddels verjaard. Hij was wel een Pietje Precies en schijnt het portret van Hubert naar het levend model getekend te hebben, alleen: wie van de vier is het?
Verder was er halverwege de zeventiende eeuw in Dordrecht een Cornelis Oversteegen of Overstege, die in een gedichtje bij zijn portret in kopergravure ‘een tweede Martiaal’ genoemd wordt. Een dichter dus! Een tijdgenoot van de groten, stammend uit een bekend Dordts magistratengeslacht! Maar Cornelis is waarschijnlijk bankroet gegaan, hij verdwijnt uit de annalen van Dordrecht. Wel duikt een geslacht later in Amsterdam een (Adriaan?) Oversteegen Corneliszoon op, maar is dat wel zijn zoon? In ieder geval schreef deze Amsterdamse Oversteegen niet, voorzover ik weet, en ook geen enkele andere Oversteegen na hem totaan mijn vaders volle neef, de Utrechtse Wereldburger George. Waarschijnlijk konden de meesten van hen nauwelijks een pen vasthouden. Mijn grootvader was geboren in de Zwarte Bijlsteeg, beruchtste krottenhoek van Amsterdam. Hij begon dus onder aan de ladder.
Mijn grootmoeder was weliswaar een Van Vessem, en dat wil zeggen dat zij stamde uit een welvarend Arnhems geslacht met veel grondbezit. Maar haar vader en zijn twee broers hebben in hun jonge jaren in korte tijd zestigduizend gulden erdoor gejaagd, een heel werk. Ook mijn grootmoeder begon dus met niets.
Mijn grootmoeder heb ik beter gekend dan mijn grootvader want zij heeft altijd in ons dorp, en de laatste jaren van haar leven zelfs in ons huis, gewoond, terwijl hij met een verpleegster was weggelopen toen ik nog een klein kind was. Gelijk had hij, want mijn grootmoeder was even boeiend en excentriek als stijfhoofdig en humeurig, en de verpleegster was een hartelijk mens, die haar man nooit, zoals mijn grootmoeder, bij wijze van geboortebeperkende maatregel op zolder zou hebben laten slapen. Ik denk dat mijn grootmoeder de hardwerkende, zachtmoedige man die mijn grootvader was de tientallen jaren van hun samenzijn geterroriseerd heeft, tot hij ervandoor ging. Zij was het bijvoorbeeld die in 1903 het hele gezin, er waren op dat moment twee kinderen, overplantte van Amsterdam naar Blaricum omdat zij haar kroost beslist op de Humanitaire School wilde hebben, waarvan mijn vader inderdaad één van de eerste zeven leerlingen was. Grootvader Willem George Frederik (ook mijn vader heette zo) was kort tevoren met een vriend een borstelfabriekje begonnen dat heel aardig liep, geen geringe prestatie voor een jongen uit een armoebuurt. Hij kon in Blaricum opnieuw beginnen, als groenteventer en later kruidenier. Alles raakte hij kwijt, die bezemtoestand, zijn vrienden, zijn stad, van de ene op de andere dag. In Amsterdam was hij op zijn plaats, hij maakte al jong deel uit van de kring rond Klaas Ris, de socialistische voorman, en hij was een overtuigd aanhanger van Domela Nieuwenhuis. Zijn leven lang is hij socialist gebleven. Domela was zo’n onaantastbare naam in het gezin dat ook mijn vader, volgende generatie en dus liberaal en vol argwaan tegen de socialisten, naar zijn begrafenis toeging. Hij heeft mij er een paar keer over verteld, over een violist (kan het Zimmermann geweest zijn?) die de Internationale speelde en hoeveel mensen er in de stoet meeliepen. Iedere keer begon hij te huilen.
Mijn grootmoeder, dat had zij dan toch gemeen met mijn grootvader, was ook ‘in Domela’, zelfs meer dan hij in zoverre dat zij een sterkere neiging tot dweepzucht had. Over Multatuli en over Rudolf Steiner, vreemde combinatie maar in die tijd niet eens zo heel uitzonderlijk, sprak zij tot in haar laatste jaren met een verering die mijn vader tureluurs maakte en met de deur liet slaan. Zij was trots op de bijna naamsgelijkheid met Multatuli’s Tine (ze heette namelijk Everdina Hubertina), en boven haar bed hing één van de befaamde gesigneerde en van een citaat voorziene portretten van Douwes Dekker. Ik heb er op mijn zeventiende, inmiddels zelf bewonderaar van Multatuli, naar zitten kijken toen zij lag te sterven.
Grootvader las niet, grootmoeder wel, vrij veel zelfs. Vanaf 1937 woonde zij bij ons in huis, op de eerste verdieping, en vaak kwam zij ‘s avonds naar beneden om zich in onze stille kring te voegen. Zo af en toe barstte er onverhoeds ruzie uit tussen mijn vader en haar, en dan stapte zij met het hoofd in de nek naar de trap. Soms begon de één, soms de ander.
Heeft mijn vader zijn drang naar cultuur van zijn moeder? Ik zou zeggen van wel maar hijzelf dacht daar anders over. Toen hij twintig was tikte hij een zestiende-eeuwse bijbel op de kop die als pronkstuk op zijn kamer lag – totdat mijn grootmoeder een keer geen papier bij de hand had om zachte zeep in te verpakken, en toen een paar weken lang bladen uit de bijbel scheurde, zodat de helft ervan op was toen mijn vader een keer thuiskwam uit Utrecht waar hij op kantoor was en een huurkamer had. Niet zo heel eerbiedig tegenover het erfgoed van de beschaving, maar het kan ook zijn dat een verkeerd begrepen Multatulianisme haar tot deze blasfemische daad bracht of dat zij mijn vader wilde laten weten dat hij niet zoveel capsones moest hebben.
Ik ben geneigd om het zo te zien: in zijn jonge jaren is mijn vader het besef bijgebracht dat de arbeidersklasse, waar mijn grootvader zich deel van voelde, maatschappelijk omhoog kan komen, mijn grootmoeder gaf dat begrip ‘omhoog’ een geestelijke kleuring, en mijn vader ontdekte zelf dat hij noch in materiële vooruitgang noch in semi-religieuze verheffing zijn diepste drijfveren kon terugvinden. Hij bewoog zich al jong in artistieke kringen, was bijvoorbeeld bevriend met de Vlaamse ballingen Gustave en Gusta De Smet en hun begaafde zoon Firmin, en begon al omstreeks zijn twintigste de grote seriewerken van Streckfuss, Schlosser, Macaulay te lezen, en Vondel, Hooft, Da Costa, Staring, Busken Huet. Ik kan dat met zekerheid vaststellen omdat hij vaak het jaartal van aankoop in zijn boeken schreef. Toen ik tien jaar oud was meldde hij op een dag trots dat hij vierduizend boeken bezat. Daarbij telde hij niet de meer dan driehonderd bandjes mee die ik op mijn kamer had staan, want die waren van mij al had hij er natuurlijk voor gezorgd dat ik ze kreeg.
 
Ook als het gaat om de vraag wat ‘lezen’ voor mij betekent, en daarover heb ik de Raster-redaktie beloofd te zullen schrijven, zit er naar mijn gevoel een duidelijk patroon in de opeenvolging van de drie generaties, maar, toegegeven, ik zie altijd zinvolle verbanden als het om gebeurtenissen gaat die in mijn persoonlijke leven van belang zijn. In dit geval denk ik vooral aan de mannelijke lijn omdat de rol van de vrouwen in dit proces van intellectuele ontwikkeling minder duidelijk is. Zo waren nu eenmaal de maatschappelijke verhoudingen, al hebben zowel mijn beide grootmoeders als mijn moeder dat vaak moeilijk kunnen verkroppen. Aan hun tegenspoed kan ik niets meer doen, ik kan hun lot niet veranderen door achteraf aan de feiten te gaan morrelen.
 
Mijn twee grootvaders waren geen heftige lezers, al moet de één, als hoofdonderwijzer, toch heel wat te verstouwen hebben gekregen. Maar na zijn studie was dat voorbij. Net als mijn andere grootvader was hij vooral op de buitenwereld gericht, al waren zij in de manier waarop dit gebeurde tegenpolen. De één koos voor het socialisme dat de bestaanscondities van zijn klasse zou verbeteren en daarbij werd, juist bij de aanhangers van Domela, niet in de laatste plaats gedacht aan intellectuele ontwikkeling, aan toegang tot die cultuur die in de negentiende eeuw het exclusieve bezit van de burgerij geworden was. De ander, eerder ‘rechts’ van politieke signatuur (hij was onderofficier van de Schutterij en werd bij de Spoorwegstaking van 1903 tegen dezelfde stakers ingezet waarmee grootvader nummer één solidair was), koos de weg van de individuele lotsverbetering van zijn leerlingen. Maar voor beiden geldt dat zij van het zo vaak binnenstebuiten gekeerde adagium ‘kennis is macht’ uitgingen.
Mijn vader vertegenwoordigde een volgende stap in dat emancipatieproces. Voor hem was het verkrijgen van toegang tot een meer verfijnde levensvorm, het deelhebben aan het intellectuele en artistieke patrimonium, het voornaamste levensdoel en de energie daarvoor moest uit hemzelf komen. Dat is, vermoed ik, waarom hij in zijn politieke standpunten liberaal was, Thorbeckiaan. De dissertatie van J.B. Manger over Thorbecke was het eerste geschiedwerk, naast de Herfsttij, waarover wij met evenveel waardering spraken al had dat bij mij niets met politieke voorkeuren te maken. De op de massa gerichte ideologieën van de jaren dertig haatte mijn vader met een woede die ik op andere gebieden niet bij hem terugvind. Ik herinner mij een gesprek dat hij had met Dan Belinfante, het moet in 1938 geweest zijn, waarbij mijn vader, werkend aan een verkiezingsaffiche tegen fascisme en communisme, zei: het is lood om oud ijzer. ‘Voor mij is er één verschil,’ antwoordde Belinfante. Zes jaar later werd hij in een kamp in Polen vermoord.
Mijn vader las dus inderdaad ‘om er beter van te worden’. Hij nam gulzig in zich op wat er te weten viel op het gebied van de humaniora. Toen ik naar het gymnasium ging, probeerde hij met mij mee te leren, Latijn, Moderne Talen (wat hij moest opgeven, hij kon dat er niet ook nog eens bij hebben). Natuurlijk las hij, zoals iedereen, vaak om zich in een vrolijke of droevige stemming te laten brengen, maar als het om kennis ging zocht hij het in de buitenwereld. Over zichzelf stelde hij geen vragen. Ik geloof zelfs dat hij bang was voor zelfinzicht, in elk geval was dat niet waarom hij las. Wat ik aan zijn manier van lezen, die ik voor een deel ook nog wel ken, toegevoegd heb, is juist de introspectie. Toen ik op mijn vijftiende, zestiende jaar mijn eigen voorkeuren ging ontdekken waren dat schrijvers als Du Perron, Multatuli, Vestdijk, die mijn vader stuk voor stuk klagerige egoïsten of wroeters in de duistere krochten van de ziel vond. Literaire waarden die wij deelden waren Dostojevski en Shakespeare, maar die lazen wij heel verschillend en wij hebben er nauwelijks over gepraat. Wat Dostojevski betreft was dat omdat mijn vader voor hem niet alleen bewondering koesterde maar onmiskenbaar ook angst. Shakespeare las hij in het Nederlands, en daar wilde ik, adolescente snob, niet van horen, dat was Shakespeare niet.