Het is een erudiet boek, de delen ervan zijn knap over en in elkaar geschoven, het zet verschillende literaire genres op scherp: de biografie, de roman, het essay, de schering en inslag van de intertextualiteit verraden het handwerk, kortom het is een belangrijk boek, ideaal voor kritiek en vooral analyse, alleen al het betekenisvolle spel met de verschillende papegaaien! Ik bedoel het in 1984 verschenen Flaubert’s parrot van Julian Barnes. Ik las het pas onlangs. Ik vond het zo dood als de opgezette papegaaien erin. Dood door de triomf van de kunstmatigheid. Maar ook hierdoor, en dat rechtvaardigt deze verlate reactie misschien: het is een van die niet zeldzame boeken die de lezer voortdurend confronteren met en attenderen op de mogelijkheden van de literaire middelen. Het is literatuur, onafgebroken bezig zichzelf als literatuur te demonstreren. Niet het verhaal – wat een ouderwets woord – staat centraal, maar de mogelijkheid of onmogelijkheid (en dat is hetzelfde) om iets te vertellen. Het is een boek dat ten slotte alleen over literatuur gaat, met niet als onderwerp, maar als aanleiding Flaubert, over wie dan ook weinig opzienbarends wordt meegedeeld.

Het gevolg is, dat de lezer van het begin af – vanaf de eerste bladzijde waarop van alles naar elkaar verwijst – met de middelen van een werk bezig is, hem steeds maar vragen over literatuur worden gesteld, zijn kennis van literaire genres, literatuuropvattingen, literair dubbelspel zo nadrukkelijk worden aangesproken, dat hij niet anders dan eenzijdig bezig kan zijn. Hij wordt in een zeer kunstmatige situatie gemanoeuvreerd, hij wordt als lezer zelf een kunstprodukt. Ten slotte kan hij gaan beseffen met kunstkunst bezig te zijn. En dat deed althans mij snakken naar het allereenvoudigste, de eerste literair geachte romans die ik als schooljongen las: die van Antoon Coolen, waarin gewoon de avond daalde over de Peel en een turfsteker onder een donkerende lucht huiswaarts keerde.

Het belang van een boek als Flaubert’s parrot wil ik niet onderschatten. Maar het is een zuiver literair belang. Het boek verwijst alleen maar terug naar literatuur, naar schrijf- en leesgewoonten. Wanneer ik het herlees, doe ik dat om de vernuftige structuur ervan beter te analyseren en zo de erin gestelde vragen over literatuur scherper te krijgen. En het plezier dat ik daarin heb, wil ik niet ontkennen. Maar ik weet ook tegelijkertijd, binnen een gesloten cirkel te blijven. Wat een boek als dat van Barnes niet oproept, is de hartstocht voor diepere kennismaking. En die ontstaat pas wanneer je ervan overtuigd bent, door intenser te lezen, in andere dan literaire middelen en betekenissen door te dringen.

Waardoor roept een boek als dit die hartstocht niet op? Het verleidt niet, het suggereert niet iets achter de woorden, het heeft niet dat glanzende oppervlak waaraan men zich meteen gewonnen geeft, vanaf de eerste zinnen wetend, dat je ernaar terug zult moeten keren, want er broeit heel wat onder dat oppervlak. Na de roman van Barnes begon ik aan Liefde in tijden van cholera van Marquez. En de eerste alinea ervan maakte de eerste bladzijde van Flaubert’s parrot nog gekunstelder en leger, want kunstkunst blijkt ten slotte hol:

‘Het was onvermijdelijk, de geur van bittere amandelen deed hem altijd denken aan het lot van gedwarsboomde liefdes. Dokter Juvenal Urbino had hem waargenomen vanaf het moment dat hij het huis betrad dat nog in schemer was gehuld en waar hij met spoed naar toe was gesneld om een geval te behandelen dat voor hem al sinds vele jaren geen haast meer had. De Antilliaanse vluchteling Jeremiah de Saint-Amour, oorlogsinvalide, kinderfotograaf en zijn schaaktegenstander met het meeste mededogen, had zichzelf voor de kwellingen van het geheugen gespaard met behulp van een rookoffer van cyaangoud.’

Bij even toekijken zie je, hoe ook hier de literatuurlezer wordt aangesproken. Elke tekst maakt nu eenmaal gebruik van de literaire ervaringen van de lezer. Geen kennen is mogelijk zonder herkennen. Maar over de te ontdekken middelen ligt de glans van de verleiding en dat is die van de belofte. En die wekt meer op dan de gedachte dat ik van meet af aan klaar moet staan voor een onderzoek in de mogelijkheden van literatuur. De auteur is niet zichtbaar met literatuur bezig, hoe groot zijn literaire inzet ook zal zijn. Niemand wil in eerste instantie alleen voor dat onderzoek lezen, zoals niemand naar een tentoonstelling gaat om voortdurend in het werk zelf met de grenzen van beeldende kunst geconfronteerd te worden. Daarover kan hij achteraf reflecteren, maar het werk zelf hoeft de reflectie niet uit te drukken, laat staan dat het alleen die reflectie is. Dat werk kan belangrijk zijn, maar je keert er niet naar terug. Je kent de vragen.

Iedereen heeft zijn kast vol staan met belangrijke literaire werken. En wellicht met belangrijke studies over die belangrijke werken. Het lijkt mij moeilijk voorstelbaar, dat hij in zijn vrije tijd terugkeert naar die boeken, voor verhoopte herlezing. Kan hij ze herlezen? Bij werken van die soort lees je in gedachten tegelijk alle analyses en commentaren mee. Het boek is de studies erover geworden. En lijkt ten slotte alleen met het oog op die studies geschreven. En al is de lezer een literair-theoretische leek, hij weet dat hij bij eerste lezing indertijd ter plekke tot theoreticus werd gemaakt, waardoor zijn hoofd alle en de rest van zijn vermogen te weinig kansen kreeg.

Het mooie van de verleiders is, dat ze hun bekoringskracht niet verliezen. Al bij de eerste zinnen zijn de verwachtingen weer even groot als bij de eerste lezing ‘Op een woensdagmiddag in December, toen het donker weer was, probeerde ik een gootpijp aan de achterzijde van het huis los te wrikken, het lukte echter niet.’ En alle commentaren op Werther Nieland bestaan niet meer. Wat echt groot is, heeft de interpretaties ervan verslonden.

Misschien las ik Flaubert’s parrot in de verkeerde, want vrije tijd. Het is een boek voor lezing binnen de cirkel, waar belangrijk met literair waardevol wordt verward. De lezer bevindt zich binnen het literair vertoog. Maar als hij daar buiten komt, gaan zich heel andere verlangens bij hem manifesteren. Op het omslag van de Nederlandse vertaling van Barnes’ boek staat onder meer een uitspraak van de criticus van de Financial Times: ‘Buitengewoon geestig. Een waarschuwing: het is het soort boek waaruit je voortdurend aan anderen wilt voorlezen.’ Ik heb die behoefte niet gehad, en zo ja, zou ik dan hebben durven voorlezen? Ik vrees dat de gekunsteldheid van het boek dan nog groter zou gebleken zijn. Papier is geduldiger dan geluid. Maar misschien verkeerde ik ook nog in verkeerd gezelschap.

(2.9.1988)