Het boek leest de lezer; het schilderij kijkt naar de toeschouwer; muziek hoort de luisteraar uit. Misschien is het laatste nog het best voorstelbaar: muziek haalt je leeg en wat in je was, klinkt ineens buiten je. En er blijkt veel meer in je dan je voor mogelijk had gehouden. En als alles uit is, herinner je je alleen wie je geweest bent. Je was iemand. Er wordt niet meer naar je geluisterd; je bent niemand. Het mooie is dat bij een muziekstuk het vorige meeluistert en zo verder. Muziek hoort je steeds meer op muziek uit, zoals literatuur steeds meer literatuur los leest.

Het boek neemt het initiatief. Het wil betekenis geven. Het probeert zijn tekst uit op de lezer en schrijft die in hem. Wie aandachtig leest, weet dat er in hem geschreven wordt. Lukt het, dan krijgt de tekst vorm in de lezer en krijgt iets in die lezer betekenis. Hij is door de tekst gelezen en geïnterpreteerd. Waarna die lezer zo hoogmoedig wordt dat hij terstond de rollen omkeert: wat hij aan betekenis heeft gekregen stelt hij voor als de betekenis die hij aan de tekst heeft gegeven. Hij denkt dat hij iets leest, maar hij leest zichzelf terug. De interpretatie van zichzelf houdt hij voor de interpretatie van de tekst.

De reactie is begrijpelijk: het boek (of het schilderij of het muziekstuk) is altijd object van het handelen van de lezer of kijker of luisteraar geweest. Hij begint. En zijn taak of macht is het object betekenis en bezieling te geven. Hij herschept. Voor de kunstenaar moge het beeld als in het marmer zitten, er hoeft alleen maar weggehakt te worden, het gedicht is al in de taal, hij hoeft alleen maar de juiste woorden daaruit te kiezen, voor de lezer zit alle betekenis al in de tekst. Hij hoeft alleen maar goed te lezen. Dat geeft hem een zekere macht. Interpreteren of betekenis geven is ook een poging tot overwinnen. En de sluitende interpretatie een victorie. Ik kwam, ik las, ik overwon. Maar we hebben onszelf verloren.

Waarom kan het lezen van beschouwingen of studies over literaire werken soms zo’n vermoeiende zaak worden? Honderden of duizenden zie je bezig delen of deeltjes of delen van deeltjes betekenis te geven. In gedachten zie ik duizenden scholieren bezig op gezag van een belangrijke interpretatie in dezelfde delen van dezelfde tekst dezelfde betekenis te ontdekken. Een ontzagwekkende verdeling van de macht, lijkt het.

Misschien is het hierom allemaal zo vermoeiend: er is een suggestie van volledigheid, maar het gaat maar om een gedeelte van de tekst, de uiterlijk waarneembare zaken ervan. Het gaat dus ook maar om een gedeelte van de betekenis. Het grootste deel van de betekenis van die tekst is de lezer. Of beter gezegd: de betekenis die aan die lezer door de tekst wordt toegekend. En hoeveel daarvan is in die zogenaamde waarnemingen binnengeslopen? De geschiedenis van een tekst is de geschiedenis van de lezers ervan. Die wordt nooit geschreven, zelfs niet over een enkele regel. Is die te schrijven?

Ervaring met een enkele regel maakt die laatste vraag al een retorische. Ik ben er nog nooit in geslaagd over één versregel alles te zeggen, – misschien doordat een hele autobiografie het gevolg zou zijn. Hoe meer je ernaar kijkt of hoe intenser je de regel leest, hoe meer je weet, hoe zeer jij geïnterpreteerd wordt door die regel. De omkering van het proces lijkt een vlucht voor jezelf.

Een tekst en daarbinnen weer één regel waarvan ik mij herinner dat de eerste lezing ervan, veertig jaar geleden, op mij diepe indruk maakte is het volgende fragmentje uit
Mei:
Want zoals altijd aan het eind van ‘t jaar
Trekvogels uit het land gaan met misbaar
Van vogelstemmen uit de hooge lucht,
De kind’ren op de straat horen ‘t gerucht
En kijken, zeggend: ‘zomer is voorbij,
De kou komt’ – in de wolken gaat de rij
Van vogels – zó, zó gaat alles voorbij
De regel waar het om gaat is ‘zomer is voorbij, / De kou komt’ Natuurlijk werken alle voorgaande regels aan het effect en de betekenis van die paar woorden mee, misschien vooral dat het kinderen zijn die het voorbijgaan van de zomer waarnemen. Ze spreken een weemoed uit die niet bij hun leeftijd past. Dat maakt het allemaal nog wreder. Maar wanneer de regels niet in mij die weemoed lezen, houden die regels slechts een halve betekenis. En dat deden ze indertijd en dat doen ze nu nog.

Heel mooi is dat de kinderen de vogels niet zien, alleen horen. Op het gerucht kijken ze omhoog. Wat zij zeggen komt over als een echo van het vogelgerucht. De boodschap klinkt in de wolken, de zomer is voorbij, de winter komt eraan, en wordt beneden herhaald. De kinderen vertolken de vogeltaal. En het voorbijgaan gaat boven en beneden, alles aan.

Maar nu die regel. Ik vond en vind er het mooiste aan, het weglaten van het lidwoord bij ‘zomer’. Ik vond en vind het effect ervan er een van heel grote weemoed. Had het lidwoord er gestaan – metrisch onmogelijk – dan was de betekenis van ‘zomer’ tot het zo genaamde jaargetijde beperkt gebleven. Nu wordt het woord vergroot tot alle bloeitijd, alle jeugd, alles wat mooi is, misschien wel alle leven. Door de afwezigheid van het lidwoord kan de eerste helft van ‘zomer’ voor mijn gevoel ook langer worden aangehouden, wat het woord, alweer in mijn gevoel (en daarmee bedoel ik zoals de regel in mij is geschreven) nog veel weemoediger maakt. ‘De kou’, even eenduidig als ‘de dood’, komt er te botter en harder door aan.

Wat hierboven staat, is waarneming van tekst en van de uitwerking in mij ervan. Maar ik raak er steeds meer van overtuigd, dat de laatste tot de eerste geleid heeft. En dat ik met dit alles toch nog bijna niets over die ene regel gezegd heb. Hoe moet ik verwoorden, dat ik gelezen en begrepen ben? Dat die regel mij geïnterpreteerd heeft? En toch is dat wat ik veertig jaar geleden onderging. Die regel: hij is een van de beste lezers van mij die ik ken (zoals veel later los gelezen delen van mezelf kunnen bewijzen). Is er veel meer te zeggen?

(21.9.1990)