I

De geluiden van goederentreinen, de oude
verhalen van de nacht, dat ze je komen
halen, dat ze je mee zullen nemen,
maar wat blijft is niet meer dan
het ruisen dat er altijd wel is,

of het grijs van een windstille zee in
de avond, misschien is daaronder nog
wel een heel langzaam ademen, maar
het is niet te zien, een slaap
zo diep, zo voorgoed, zo lang

als je leeft, zoiets, zegt ze. En ik die
deze gesprekken nooit heb gewild, nooit
een antwoord heb gehad, omdat ook ik
geen naam weet voor wat ik niet
hoor en niet zie, maar nu

lig tegen haar lichaam, ik denk aan haar
als aan een kind dat geen kind meer
is, aan de oude geluiden van
de nacht, de kleur van de oude
zomers aan zee.
 
 
 
II

Of dat ze niets zegt, alleen maar zwijgt.
Het is waar, verder en verder weg verdwijnen
de zachte goederentreinen de nacht in,
ze kwamen me halen, ik ging niet, ik blijf
luisteren tot ik niets meer hoor.

Dat ze doodstil is, het is of ze slaapt.
Zie ik haar liggen, en inderdaad leeft in
haar lichaam het geheim van de deining
in een windstille zee. Ik blijf
kijken tot ik niets meer zie.

Er is, zeg ik, en denk, het is er niet.
De woorden waarmee ik zeg: er is een tijd
geweest en die is nu voorbij, er is
een plek en ook deze is verlaten,
ze zijn troost, maar waarom.

Niet om wat is geweest, maar om later:
ik hoor, maar de stilte daarna,
ik zie, maar wat niet meer is,
ik denk, maar waaraan.