Gedolven vis, tot rottens toe bewogen,
gestegen op de wind. Je hebt mijn hand geroken,
mijn hand geschubd. Ik sluit het raam,
verjaag de slaap. Je geurt zo sterk.
Omdat je me verdraagt.

                           *

Zolang je hier toevallig bent, wordt ook aan aan mij
niet zwaar getild. Wil je geen vis meer zijn
maar rottenis en schubben in mijn plaats,
dan graag. Jij een antwoord,
ik de vraag.

                             *

De korst van zout die je omgeeft ten spijt
geboren en vergaan in slijm waar slijm
in zichtbaar blijft, verloren schub,
verdronken lucht, vergroeide geur
van je vergeten naam.

                              *

Een andere vis, daar lig ik tegenaan
of jij geen vis meer bent, beplakt met schellen
die je zeer misstaan. Geurige genoot,
hoor me eens proesten, zo kan ik me
niet laten gaan.

                                *

Een ik is maar een vis die stikt
en meters uit de schaduw ligt.
Daar ligt hij goed voor wie op mij gebrand.
Geen klamme vis in ’s hemelsnaam geen hand
die naar me reikt. Naar ik.