Ie toestand

175. wachten
Tijdens de toestand van het voorbereidend bewegen
bepalen de faktoren ‘enige afstand’ en ‘van opzij’
de positie van de waarnemer.
In en vanuit deze positie
wacht de waarnemer het bewegen af.

Deze positie heeft de waarnemer verworven.
Hij wilde zich immers hier opstellen
zich zo met de beweger verbinden
en dan een begin maken met waarnemen.

 

176. hier, zo, dan
Deze drie:
hier, zo en dan zijn de koördinaten
die de waarnemer het recht op positie verlenen.
Zij verlenen zijn positie inhoud en status.

‘Hier’ is een koördinaat van lokatie.
Vanuit ‘hier’ kan de waarnemer de drie leden
van de bewegingskonstruktie
– de beweger, dit en dat –
goed in het oog houden zónder
zelf aktief bij het feitelijke bewegen te worden betrokken.

‘Zo’ is een koördinaat van konnektie.
De waarnemer gaat vanuit ‘hier’ een
konstruktief verband aan met de bewegingskonstruktie.
(Hij overbrugt hiertoe de afstand tussen hem en haar.)

‘Dan’ is een koördinaat van chronologie.
De waarnemer is een aktie-schouwende funktionaris
die het bewegen moet afwachten én volgen.

Een kleine processie:
eerst de beweger
en dat de waarnemer!
(Nooit omgekeerd.)

 

177. bewegen én waarnemen kan niet
Een beweger kan niet buiten een waarnemer.
Zonder waarnemer is hij ‘nergens’.
Hij kan wel de wereld veranderen zonder waarnemer.
Maar waartoe? – voor wie?

Ook kan een beweger niet zichzélf waarnemen!
Hij kan niet én beweger én waarnemer tegelijkertijd zijn.
Immers;
indien hij zich een beeld wenst te vormen van hetgeen
een buitenstaande waarnemer van zijn bewegen waarneemt
meent hij twee niet-verenigbare funkties
namelijk uitvoeren en waarnemen
in één persoon te kunnen verenigen.

Hij overspant dan zijn funktie van ‘beweger’
en daarmee zijn positie.
Hij forceert de slagorde van het haaks op het
bewegingsvlak werkend waamemingsvlak.
(Dáárom kan een beweger niet buiten een waarnemer.)

 

178. de veldheren
Bij vroegere heroîsche schilderstukken van veldslagen,
draait het om de veldheren en niet om de veldslagen.
Toch bevinden de veldheren zich vaak niet temidden van
het strijdgewoel (daar waar het om draait)
maar meer terzijde ervan.

Hoewel de veldheren overtuigend de leiders zijn
(zij zitten hoog te paard),
worden ze door de schilders in de eerste plaats als
waarnemers
van hun eigen veldslagen afgebeeld.
En dit ondanks het feit dat her en der opstijgende
kruitdampen hen er voortdurend aan herinneren dat zij
er goed aan zouden doen – voordat het te laat is –
uit de hoeken van de schilderijen te komen
om zich zonder dralen aan het hoofd van hun troepen
op te stellen.
Dáár zijn ze nodig en nergens anders.

Maar er is meer.
De veldheren bekijken hun veldslagen niet van opzij
zoals het geval zou moeten zijn,
maar ook en vooral van bóven.
(Hoog te paard – vanaf een zandheuvel.)
De veldheren hangen boven hun veldslagen.
(De schilders hebben de veldslagen gekanteld.)

Dat de zaken zó worden voorgesteld
komt omdat de schilders ons – buitenstaande waarnemers –
van de veldslagen niet zozeer de feiten openbaren
maar de geniale idee n die eraan ten grondslag liggen.
Door over de schouders van de veldheren mee te kijken,
ervaren wij de geschilderde veldslagen als groots opgezette
over het vlak van de wereld uitgevouwen GEDACHTEN
betreffende die wereld:
gedachten die zonet nog in de vorm van plannen
in de hoofden van de veldheren huisden,
maar nu den volke in volle omvang worden getoond.
(Plannen geschilderd op schaal van wereldplannen –
niet van landkaarten.
Dát bedoelen de schilders.)

Ook onze huidige veldheren – onze generaals – laten zich
bij voorkeur als ‘waarnemers’ uitbeelden.
Zij turen door veldkijkers
blikken over landkaarten
of wijzen met stokken op planboarden.
(Prestaties waar gewone officieren van dromen.)

 

179. de pyromaan
In de pyromaan verenigen zich een beweger
en een waarnemer.
Om beide funkties te kunnen kombineren
overspant de pyromaan zijn positie van ‘brandstichter’.
Dit overspannen
dát is zijn doel!

Om tot een gewenste overspanning te geraken
ensceneert de pyromaan een situatie (brand)
waarin hij – zichtbaar voor de ogen van derden –
kan figureren als waarnemer van hetgeen hijzelf
in beweging heeft gezet.
(Hij ‘speelt’ het onmogelijke:
het superponeren van bewegen en waarnemen.)

Op enige afstand en terzijde van de plaats
waar hij de brand heeft gesticht
geniet de pyromaan van zijn goed geslaagde mise-en-scène.
Te midden van een kijklustig publiek
weet hij zich de enige met een dubbele positie:
de enige ook die weliswaar de zaak van opzij gadeslaat
maar achter de vuurhaard zichzelf in de weer ziet.

De vaststelling dat voor alle anderen zo’n unieke positie
niet is weggelegd,
draagt niet onaanzienlijk bij tot het welslagen van de
overspanning van de pyromaan.

Wat bij veldslagen de taak van schilders en fotografen is
is bij brand de taak van de pyromaan:
namelijk de positieverdubbeling van aanstichter en waarnemer
voor de ogen van derden theatraal in beeld te brengen.
Een pyromaan immers wenst niet zozeer brand
maar theater!
Bovendien wenst hij publiek!
Want zonder dat heeft het verdubbelen van positie
geen zin én geen effekt.
(De ‘waarnemer’ in de pyromaan wenst waargenomen te worden.)

 

180. intentioneel waarnemen
Waarnemers moeten het bewegen van bewegers afwachten.
Een waarnemer komt pas in aktie wanneer het bewegen inzet
en daarmee de bewegingskonstruktie in werking treedt.
Tot zolang waakt de waarnemer.

De wakende waarnemer bewaakt de rustende beweger.
Voor zijn oog ‘slaapt’ de beweger.
Maar deze rust – deze slaap – is slechts schijn!
De beweger immers beschikt over een plan.
Hij houdt zijn plan in zijn gedachten in stelling
zolang hij nog niet tot de openbaarmaking ervan heeft besloten.
Tot dat moment exerceert hij zijn plan.
(De beweger repeteert het bewegen in gedachten.)

Maar ook de waarnemer – alhoewel hij afwacht – slaapt niet!
Hij is druk doende zich in gedachten een voorstelling
te vormen hóe de beweger de bewegingskonstruktie zal bewegen
wannéer bij eenmaal beweegt.
Hij tracht zich het plan van de beweger voor te stellen.
Hij poogt de bewegingen van de bewegingskonstruktie te voorzien.
(De waarnemer als ziener.)

Met zijn oog strak op de slapende beweger gevestigd
konstrueert de wakende waarnemer in zijn gedachten
een konstruktie waarmee hij zijn voorstelling van zaken
een zo hecht mogelijk verband tracht te verlenen.
Hij konstrueert een intentionele konstruktie
waarvan hij verwacht én hoopt dat het bewegen optimaal
zal korresponderen met dat van de konstruktie van de beweger.
Hij hóópt,
want hij kan zich vergissen en bedrogen uitkomen!
Zijn gedachte konstruktie loopt immers op het
feitelijke bewegen van de beweger vooruit.
(Dat risico moet de waarnemer nemen.)