In een recente tekst van de Zwitser Felix Philipp Ingold staat de volgende dialoog:

Zwart: ‘Sinds wanneer schrijft u eigenlijk?’

Wit: ‘Ik leef ervan.’

Zwart: ‘Maar waar haalt u de ideeën dan vandaan?’

Wit: ‘Ideeën? Zijn er als zand in de woestijnzee.’

Zwart: ‘Desondanks – men moet ze toch maar hebben! Waarover zou u anders kunnen schrijven? Hè?’

Wit: ‘Daarover schrijft men niet. Niet over ideeën.’

Zwart: ‘Maar?’

Wit: ‘Men leeft ervan…’

Zwart: ‘…dan schrijft u zeker over het leven? Ja?’

Wit: ‘Over wat ik beleefd heb, hoef ik niet ook nog te schrijven.’

Zwart: ‘En toch schrijft u! U reist veel. U was in Mongolië, in China…’

Wit: ‘…en zo schrijf ik ook. Zoals ik lees. Of reis. Ja. Toch. Als iemand die het hartje van Mongolië van binnen kent en dus weet, dat het van buitenaf niet te beschrijven is. Want alleen omdat ik in het hartje van Mongolië geweest ben, zonder daar geweest te zijn, kan ik steeds weer worden wat ik ben, als ik “ik schrijf” schrijf…’

 

Waarschijnlijk zal Zwart zelfs na dit laatste antwoord nog willen weten: ‘Maar… bent u nu wel of niet echt in Mongolië geweest?’ Maar Wit staat al luid lachend met alle zwarte stukken in een geopende hand.

Het is duidelijk dat deze witte schrijver helemaal geen interesse meer heeft in de waarheid. Is hij dan geïnteresseerd in de leugen? Ja en nee. In het Engels bestaat de uitdrukking ‘a white lie’. Een witte leugen is een leugen ‘die niet bedoeld is om iemand in zijn geluk, belangen of reputatie te schaden, maar alleen om een babbelzieke aard en de behoefte om mensen te amuseren met wonderbaarlijke verhalen te bevredigen’1. Een babbelzieke aard heeft de witte schrijver, in die zin dat hij alleen maar wil schrijven en niets anders, en daar komt dan bij dat er met woorden de meest uiteenlopende verhalen verzonnen kunnen worden, verhalen over het binnenland van Mongolië, zoals in dit geval, en dat allemaal aan een kleine tafel en met een kleine hand.

Toch kan men alleen van een leugen spreken als men ervan uitgaat dat er zoiets als een objektieve waarheid bestaat en dat die waarheid ook nog eens waarheidsgetrouw beschreven kan worden. Maar Wit weet dat het binnenste van iets ‘van buitenaf niet te beschrijven is’. Achteraan in Ingolds boek Leben Lamberts staat de volgende tekst: ‘We hebben, om met B. te besluiten, een boek gelezen, we leveren er kommentaar op. Doordat we er kommentaar op leveren wordt het ons duidelijk, dat ook dit boek een kommentaar is, de inboeking van andere boeken waarnaar het verwijst. We schrijven ons kommentaar, verheffen het tot werk. Is het gepubliceerd en daarmee openbaar geworden, dan zal het weer een kommentaar oproepen, en dat roept wederom een kommentaar op, en wederom… (…) etc.’ Men kan deze redenering gerust helemaal buiten de literatuur laten uitdijen: uiteindelijk wordt ons hele leven, worden al onze zienswijzen bepaald door taal. We kunnen er nu om lachen hoe reizigers in vorige eeuwen met volkomen foutieve beschrijvingen uit nieuwe gebieden terugkeerden, we kunnen analyseren hoe hun berichtgeving vertekend werd, dat het te maken had met de behoefte om op te scheppen, de behoefte om te romantiseren, dat er financiële redenen waren of redenen van godsdienstige aard, tegelijkertijd kunnen we er niet meer om heen op zijn minst te vermoeden dat ook onze huidige zienswijze gedikteerd wordt door de taal waarin we leven en die niet of nauwelijks afwijkt van de taal die in ons leeft. Ook de moderne wetenschap moet inzien dat ze gebaseerd is op een mythisch model. ‘In hun streven om hun opdracht te vervullen en de chaos van de wereld tot een orde om te vormen, werken mythen en wetenschappelijke theorieën volgens hetzelfde principe. Het doel is altijd om zichtbare gebeurtenissen door onzichtbare krachten te verklaren, om een verbinding te leggen tussen wat men ziet en wat men aanneemt,’ schrijft François Jacob2. ‘Of het nu mythisch of wetenschappelijk is, het wereldbeeld van de mens is altijd grotendeels een produkt van zijn verbeelding,’ van zijn taal dus. En, om naar de literatuur en Ingold terug te keren, het idee dat iedere soort en ieder specimen apart door een Schepper zijn ontworpen, zoals in de dialoog door Zwart tot op de dag van vandaag wordt aangenomen, is allang vernietigd door Darwin. Het is in Ingolds visie – die, toegegeven, ook maar een visie is, maar zich tevens van dat feit bewust is – dan volkomen onbelangrijk geworden of een auteur zijn woorden overschrijft of ze als unieke, originele tekens op papier zet; dat laatste is zelfs niet meer dan zelfbedrog! In de teksten van Ingold, zowel in zijn gedichten als zijn proza, spreken vele stemmen. Als Ingold reist, reist hij in de taal. En dat is geen beperking, dat is geen tekort of armoede in de onderwerpskeuze, het is ook geen l’art pour l’art, want in de taal huist de blik, wie dat niet onderkent is een escapist.

Enkele tientallen jaren terug toonde men aan dat de eigenschappen van levende organismen het gevolg waren van de aard en de wisselwerkingen van de moleculaire strukturen waaruit ze zijn samengesteld. Ieder zijn zesenveertig chromosomen, de rest, maar dat is het hele leven, is een kwestie van combinaties en combinaties van combinaties. Geen wonder dat Wit niets moet hebben van ‘ideeën’ om over te schrijven! Waar ideeën voorhanden zijn, is de taal al gesjabloneerd. Nee, Ingold is het type van de bricoleur, van de knutselaar. Of hij evolueert en waarheen, daaraan denkt hij niet. Zelfmoord uit angst dat het ‘eigen’ literaire werk niet als waardevol erkend zal worden, is voor dit type schrijver onderdeel van een achterhaald denkpatroon. Om nog eens François Jacob over evolutie te citeren: ‘Terwijl het werk van de ingenieur berust op het gebruik van ruwe grondstof en de werktuigen die precies geschikt zijn voor dit werk, behelpt de knutselaar zich met stukjes en beetjes. Vaak zonder zelfs van tevoren te weten wat hij gaat maken, gebruikt hij van alles wat er te vinden is, oude stukken karton, touwtjes, hout- of metaalresten, om een of ander bruikbaar ding te maken. Zoals Claude Lévi-Strauss opmerkte: ‘Niets van het materiaal waarover de knutselaar de beschikking heeft, heeft een duidelijk omlijnde funktie.’ Maar wat is dan toch het doel van dat geknutsel, zal Zwart zich ongetwijfeld weer afvragen. Jacob in zijn vergelijking tussen de afstamming van levende organismen en het knutselwerk: ‘In tegenstelling met de werktuigen van de ingenieur zijn die van een knutselaar niet bestemd voor éen speciale handeling; men kan ervan zeggen dat “het wel eens van pas kan komen”. Waarvoor? Dat hangt van de omstandigheden af.’

In zijn tekst Niccolai Maal Gogol knutselt Ingold o.a. met verschillende Nicolazen (Niccolai, Nikolai, Nicholas,…), met stukken uit Gogols werk, met stukken uit Gogols biografieën, leven en taal vallen zo samen, de chronologie is doorbroken evenals de geografie. Het is duidelijk dat teksten als deze van Ingold de traditionele literatuurkritiek grote problemen bezorgen. Vragen als, wat is echt en wat is fiktief, kunnen niet meer gesteld worden. Ja, dat Aschenberger die op een andere plaats weer Aschenburger heet, een gefingeerde vertaler is, daar kan men misschien wel achterkomen en zo kunnen er nog wel meer zaken worden achterhaald, maar uiteindelijk zal het verloren energie blijken ieder woord te willen indelen bij een van de twee categorieën, waar of onwaar, overgeschreven of zelf verzonnen. Ook het geliefde zoeken naar sleutelzinnen of -passages heeft een zeer delikaat karakter gekregen, men kan ‘de mens’ Ingold nergens meer citeren, want men loopt onherroepelijk het risico een andere auteur te citeren en zelfs als men die andere auteur herkent, is het weer de vraag in hoeverre men tegelijkertijd talloze anderen meeciteert, net als iemand die liegt dat hij gereisd heeft door berichten over te nemen uit verhalen van reizigers die slechts zagen wat ze wilden en konden zien.
 
 
1.Percy G. Adams, Travellers and Travel Liars 1660-1800, Berkeley/Los Angeles 1962.
2.François Jacob, The Possible and the Actual, New York 1982, Ned. vert. Evolutie: wetenschap & mythe, Amsterdam 1983.