Er wordt niet geklapt. Hoe iedereen weet dat het niet is afgelopen zal altijd een raadsel blijven. Veiligheidshalve klap ik bij alle gelegenheden dat er mogelijkerwijs verwacht wordt dat men klapt, zonder geluid muis op muis zogezegd. Iedereen kucht of hoest voluit, het beste bewijs dat hoesten en kuchen niet nodig is zomin als ademhalen, ik bedoel snuivend ademhalen. Omdat het toeval wil dat ik op dit moment twee varkens met ridicule sprongen, met wapperende oren en overdreven snuivende snuiten een ekster zie wegjagen, lijkt me dit het juiste moment om iets recht te zetten. Hoelang ik al hier ben weet ik niet precies maar lang dat is zeker, iedereen kent me, voor niemand ben ik een vreemde en het is alsof het nooit anders geweest is, toch weet iedereen dat ik er niet bij hoor, dat zie ik, dat voel ik aan alles, misschien is het domweg een kwestie van geur. Daarover hoef ik dus niets te zeggen. Het hoe van de situatie mag ik bekend veronderstellen. Maar het wordt tijd uit de doeken te doen hoe ik hier terecht ben gekomen, en als men zegt dat ik daar rijkelijk laat mee ben en bovendien zegt dat mijn verhaal bezijden de waarheid is, en dat zelfs voordat ik iets heb kunnen vertellen, dan komt dat omdat de een of ander die mij een hak wil zetten, en ik weet wie het is al zal ik hem niet het genoegen doen zijn naam voluit te vermelden zo goed als ik ook de anderen niet of alleen onder een andere naam zal laten optreden, een verhaal de wereld in heeft gestuurd waarin op z’n zachtst gezegd enkele details vergeten zijn, een hele reeks details mag ik wel zeggen, precies de hoofdzaken moet ik eerlijkheidshalve zeggen die voor beter begrip onmisbaar zijn. Algemeen wordt aangenomen dat ik hier terecht kwam, terecht, terecht? – terecht, omdat ik familie wilde opzoeken of enkele oude bekenden, gewoonlijk de enige reden voor een normaal mens om zich in de provincie te wagen, of zelfs om ergens rustig een paar dagen te gaan zitten, men heeft het in dat verband over uitblazen of op adem komen gehad, maar die veronderstelling is uitsluitend gebaseerd op een slordigheid van de bewuste persoon die het verhaal in omloop heeft gebracht en het had over een fraaie lentedag. Eigenlijk doet het er helemaal niet toe wat voor weer en welk seizoen het was – in dit land schijnt bij alles de weersgesteldheid vermeld te moeten worden evenals de leeftijd, het geslacht, vooropleiding, eventuele kwalen en huwelijkse staat, dat geeft een schijn van concreetheid neem ik aan, en ik zou zelf niet eens geweten hebben wat voor weer het was geweest ware het niet dat ik bij toeval weet dat het hartje winter was en vroor dat het kraakte, zo heet dat, zo was het ook inderdaad, hartje winter want het was bitter koud en het vroor dat het kraakte zodat het zelfs terwijl we reden dermate koud in de auto was dat onze adem op onze lippen bevroor, soms zelfs de woorden in onze keel bleven steken en nog wat van die onalledaagse effecten. Ik was dus niet alleen, daarover zegt die bewuste persoon niets, integendeel hij heeft het over een eenzame reiziger die op een verlaten plein uit de bus stapt terwijl de vogels kwinkeleren, ik heb nog nooit vogels horen kwinkeleren, en een meisje dat op het plein aan het hinkelen is angstig wegrent. Zelfs als het midden zomer was geweest en ik met een vrachtwagen de kiosk midden op het plein omver had gereden zou deze omschrijving vals en het weglaten van bepaalde details malicieus geweest zijn. Maar die bewuste persoon geniet nu eenmaal ieders hoogachting, geen wonder derhalve dat ik evengoed niets zou kunnen zeggen, wat ik lange tijd ook wijselijk gedaan heb en was blijven doen als niet het pijnlijke incident van hedenavond dat ieder met eigen ogen heeft kunnen zien, wat nog niet wil zeggen: heeft kunnen begrijpen, bij wijze van spreken als een scheermes mijn lippen overdwars had opengesneden. Bloed of liever het zien en vooral het ruiken van bloed heeft de eigenschap alle vroegere bloed in herinnering te roepen, bloed is wellicht het psychoanalytisch spraakwater bij uitstek, vrouwen kunnen daarover meepraten. Bloed, zei ik bloed? Die bewuste persoon doet in elk geval alsof hij van niets weet, Dora zou zeggen: doet alsof hij uit zijn neus bloedt, dat heb ik niet gezegd. Hij heeft het over een ontvangstcomité gehad, over gastvrijheid, over spreekwoordelijke gastvrijheid van die streek nog wel, over een optreden van mij in het kader van iets, van wat mag Joost weten, over de teleurstelling bij alle genodigden over mijn optreden, mijn onwil, mijn moedwil, mijn minachting, mijn achtergrond, mijn weliswaar niet verwachte laat staan geplande, desondanks op prijs gestelde, niet direct opgedrongen dan toch moeilijk te weigeren, eenmaal ingezet onverwacht verlopende om niet te zeggen onaangename hoogst onaangename of zelfs ontstellende, hij zegt zelfs catastrofale optreden dat behalve onnodig voor de anderen de loop der (feestelijk bedoelde) gebeurtenissen waaromtrent iedereen in gelijke mate hoopvolle verwachtingen had gekoesterd op pijnlijke wijze beïnvloed zou hebben, en waar gaat het helemaal over, over niets zeg ik, en dat nu juist neemt hij mij kwalijk en het is tevens de reden waarom hij dit verhaal over mij ophangt. Maar voordat ik de indruk wek aan zijn gezag ter plaatse te willen tornen, want inderdaad, dat geef ik grif toe, is hij de enige alhier die weet waarover hij het heeft als hij spreekt over couleur lokale al zag hij, wat mijn aandeel in de zaak betreft, en nogmaals wat voor zaak, enkele voor hem bijkomstige maar volgens mij voor goed begrip van het geheel onontbeerlijke details over het hoofd, wil ik het, zonder daarmee zijn versie van mijn aankomst onweersproken te willen laten, maar daarover elders, liever hebben over de reis hierheen. Om kort te gaan, ik kan niet aan de indruk ontkomen dat ik het toch nog over de reis hierheen moet hebben alsook over het tijdstip enz. Kon ik het maar over de terugreis hebben.

 

Deze reis gaat niet door, inderdaad dat zijn mijn woorden, zo ongeveer althans, maar die opmerking slaat ergens anders op, ik heb dat ook op een ander tijdstip gezegd in een heel ander verband, en zo het al op deze reis sloeg moet het een bewering om bestwil geweest zijn, de wens die het ongewenste vaderschap opeiste van een gedachte die beter niet gedacht laat staan uitgesproken had kunnen worden. Dit voor de goede orde. Hoor mij. De reis van A naar B dus. Een figuur die uit het niets in de sneeuwstorm, waar wij doorheen ploegden, opdook, hoewel we aan onze lichaamswarmte niet eens genoeg hadden. Janus naast mij die heen en weer slingerend aan het stuur hing alsof niet hij het stuur maar het stuur hem bediende, met alleen zijn ogen nog zichtbaar, de rest bivakmuts, vertelde over een kindvrouwtje dat een tijdlang met haar pruillip, bergen nooit gebruikte lingerie en dramatische bewegingen van haar voluptueuze lichaam waardoor ze uit elke rol puilde, omdat hij tegelijk het slechte uitzicht en de bloemen op de voorruit en de ruitenwissers die het slechts bij vlagen deden vervloekte dacht ik dat hij het had gehad over een kindvrouwtje dat een tijdlang met dit en met dat maar vooral met de voluptueuze bewegingen van haar dramatische lichaam of zelfs voluptueuze dramatiek van haar lichaamsbewegingen die haar voor geen enkele rol geschikt maakte de troep tot wanhoop had gedreven. Jullie maken mijn carrière kapot, had ze op zekere dag uitgeroepen, jullie staan mij in de weg, zelfs een speciaal voor mij geschreven stuk, zelfs een mij speciaal op het lijf geschreven stuk had ze moeten zeggen, vertelt Janus en blaast nog dieper over het stuur gebogen draconisch tegen de voorruit, het gas dieper intrappend naargelang hij minder ziet, zelfs een solo wordt door jullie toedoen vergald, het wordt me in dit kikkerlandje te benauwd, ik denk internationaal daarom stap ik op, en ze was halverwege een voorstelling met een simpel tabee eruitgestapt. Ze was te weelderig voor dit arme land, mensen als wij zijn daar niet op berekend, ze leefde als een wervelende sneeuwstorm, zonder bivakmuts zouden de oren van m’n kop gevroren zijn. En nu, hij stak zijn hand op, waar we nu zijn, hij stak plotseling ook zijn andere hand op, nu zijn we nergens. Niemand van ons wist nog of er tegenliggers waren, uit welke hoek de wind woei, of het al nacht was, of we nog op de goede weg reden, of we zelfs nog wel op de weg reden en niet over ondergesneeuwde akkers, we wisten zelfs niet of Janus het wist. Zo ongeveer verliep de reis, wat die bewuste persoon ook beweert over een pijnlijke stilte in plaats van applaus nadat ik op het provisorische toneel zou hebben uitgepakt volgens mijn versie mijzelf zou hebben uitgepakt, met lichteffecten werkend waardoor wat donker was wit werd en wat licht was zwart werd, alsof het mij om de waarheid te doen zou zijn geweest, mijzelf van geslacht veranderend, en iemand uit de zaal had uitgenodigd mij te beklimmen, hooguit zou ik, wanneer er ook maar iets van waar was geweest, iemand gevraagd hebben op het toneel te klimmen. Misschien is het Polonius geweest, maar die houdt niet van toneel en al helemaal niet van publiek erbij, die kijkt liever, of liever die gluurt het liefst.

 

Het beeld, als ik de reis in een beeld moet samenvatten teneinde haar in alle rust in ogenschouw te kunnen nemen, grijs, eerder grijs dan wit, misschien is dat te verklaren uit de aanwezigheid van industrie in die buurt waardoor de sneeuw als asvlokken naar beneden kwam en wie zal het na zoveel jaren nog met zekerheid durven zeggen, misschien waren het wel asvlokken, was het slechts een kwestie van wennen dat wat voorheen een sneeuwstorm heette voortaan evengoed een asregen of een schuimstorm kon zijn, wat maakt het immers uit, zegt Mor op de achterbank, had je vroeger het verschil tussen slagroom en geklopt eiwit en nu het verschil tussen kuttesmeer die nog altijd slagroom heet en snot die je met melk moet aanmaken om klop-klop in je gezicht te kunnen smeren, zeg gebruik jij dat niet als schoonheidsmasker vraagt hij terloops aan zijn buurvrouw, nee het bleek kwark, als sneeuw achterhaald is en het nu asvlokken sneeuwt dan is dat voor mij sneeuw, ik houd er sowieso niet van, überhaupt die apocalyptische mode van dit moment komt m’n neus uit, belangrijk is alleen of onze longen zich weten aan te passen, voor mijn part regent het natte cement, dat was een ijselijk beeld waarmee Mor daar kwansuis kwam aanzetten, ik was de enige die huiverde. Elektriciteitscentrale, karbietfabriek, afvalverwerking, rokende complexen die God weet waarvoor dienden, als we niet verkeerd gereden waren moesten we ongeveer in die buurt zijn. De motor stampte als een schip, gekraak bij het schakelen, gepiep als het stuur naar links draaide, en alsof hij het er om deed maar het stuur draaide voortdurend naar links, gebonk van de wielen, Janus was voornamelijk met de knoppen van de radio bezig. Waar was ik gebleven, ik zeg op de dag dat zij, hoe heet ze ook weer, wegging. Voor altijd, vertelt Janus, een leemte die niet gemakkelijk te vullen was geweest, of hij haar ooit had teruggezien, nee nooit, van m’n leven niet, zegt hij, dat nooit, na alles wat zij ons heeft aangedaan, als een vorstin gedroeg zij zich, als een hoerenwaardin ofschoon ze niets anders hoefde te doen dan een glaasje prik serveren en tot de dove oude kasteelheer in sjamberloek en met slaapmuts op zeggen ‘Kan ik u nog tot iets anders van dienst zijn, heer?’, terzijde wijst Janus op de krukkige vertaling, op de tongverstuikende vertaling en de moeite die het hem gekost had om een dove grijsaard te spelen, uitgerekend hij die alles hoorde, elke regendruppel op het dak apart, de worm in een appel, het werken van het hout, waarschijnlijk doelde hij op het pastorale buitenverblijf dat hij buiten ons medeweten voor hun tweetjes gebouwd had, tropenjaren noemde hij het spelen in het betreffende stuk. Ze was nu beroemd, zij het om bijkomstige redenen. Hij heeft haar uit het oog verloren, uit het oog uit het hart, nee zo kun je het niet stellen. Hij heeft haar nooit meer teruggezien, zegt Janus, of toch, één keer, een poos later, hij praat er liever niet over, het is te delicaat, de wonden zijn nog te vers, de tijd heelt tegenwoordig niet meer zo snel, bovendien is het de leeftijd, na dat ene verslindende toneelstuk, een laatste gooi naar erkenning, waren de jaren opeens gaan tellen en al was dat niet aan hem af te zien, zegt Janus, met bevende handen, trillende oogleden, wiebelend hoofd, kwijl op de rand van de bivakmuts, niet in staat, lijkt het, tegelijk te praten en de aandacht bij het verkeer te houden en ook nog te sturen, maar uit ervaring kon hij nu zeggen dat een wonde naarmate een mens ouder wordt en onkwetsbaarder lijkt maar op zijn kwetsbare plekken geraakt veel kwetsbaarder is dan op een leeftijd dat hij als een weekdier overal gevoelig te raken is, vergelijk het met een schildpad zegt hij, een mens wordt van weekdier een schelpdier, of is dat hetzelfde, dan maar liever een schildpad, en alsof dat woord in zijn onbewuste contact maakt trapt hij met beide voeten op het gaspedaal, erger nog stampt hij ritmisch op de vloer nadat hij het handgas helemaal heeft uitgetrokken, trommelt op het dashboard alsof hij een paard ment, wat zeg ik, alsof?, de motor brult, de banden gieren, de banden houden zelfs niet op met gieren, achter ons wordt gezongen, het lijkt op zingen maar is het niet, langzamer heelt, fluttert Janus of het spruitstuk. Maar één keer? – probeer ik nog eens voorzichtig om hem af te leiden en zodoende het stuur in mijn greep te kunnen krijgen. Hoewel ik er zelf bij geweest was wilde ik het uit zijn mond horen. Hij scheen vergeten te zijn dat ik getuige was, wat hij waarschijnlijk om niet telkens opnieuw de prooi van zijn schaamte te worden moet vergeten. Ik was er bij toen hij haar opeens tegen het lijf liep juist op het moment dat zij met een verhit gezicht uit de slagerij kwam, stormde mag je wel zeggen, in aller haast haar jas dichtknopend en het haar zo goed en kwaad als ging fatsoenerend, waar hang jij al die tijd uit, riep hij maar werd, gelukkig voor haar, haast overreden door een bestelauto, geloei door opengedraaide raampjes, getoeter, een oploop, wolken uitlaatgassen. Opeens bleek ze verdwenen nadat ze tevergeefs geprobeerd had mijn aandacht af te leiden van de rode vlekken in haar hals en op haar kleren. Ze was verslonsd vond ik, nee zei hij ze was juist in een echte dame veranderd, ze is nu helemaal op drift geraakt, nee ze is eerder ingetogen zo wil ik haar zien, wat hem betrof was de verleden tijd voorgoed verleden tijd en hij wilde warempel achter haar aan, maar geen van beiden wisten we waar ze heen was gegaan, ik was de enige die haar met zwaaiende heupen en een kushandje bij de warme bakker binnen had zien stappen. In de bestelauto zit de slager, ze bekvechten een tijdje, Janus en de slager, en het slot van het liedje is dat ze, toppunt van lafheid of list, samen in een café verdwijnen. De grootste zonde begaat hij die zichzelf verraadt, zegt Mor, en als hij het niet gezegd had zou ik het gezegd hebben.

 

Er ging enige tijd verloren met het schatten van de afstand die we hadden afgelegd en het aantal kilometers dat we nog voor de boeg hadden, niemand bleek enig idee te hebben van de afstand tussen A en B, typisch artiesten zei Mor die zich er graag op liet voorstaan dat hij een medische opleiding had genoten of had willen genieten, hij wist het wel maar zei het lekker niet. Toen ik mij omdraaide om te vragen wat hij precies bedoelde was hij met een ernstig rood aangelopen gezicht bezig de weduwe van de bevriezingsdood te redden, al haar ledematen waren stijf en staken in onnatuurlijke houdingen alle kanten uit, je hoorde haar rammelen als de auto remde of over hobbels karde. Ze sloeg haar ogen op en zei zuchtend iets, wanneer Mor niet bezig geweest was al haar gewrichten te beproeven zou ik bereid geweest zijn te zeggen: helder als kristal klonk haar klare stem, precieus gevormd klaterden verkwikkende woorden uit haar keel die een sierlijk gevormde glazen bokaal leek welke ons, verhit door de reis en dorstig door het wonderbaarlijke uitzicht, de bedauwde wijngaarden en pittoresk vervallen eeuwenoude hoeven, verkwikking schonk zoals ik al zei en een licht gevoel in het hoofd bezorgde. Ik raak van mijn stuk, ik ben zelfs vergeten wat Mor zei, of we bij de afslag die ons op een gegeven moment te wachten stond, let op, zei hij, bij de belangrijkste afslag moeten we goed uitkijken, of we bij de afslag, waar de keuze was tussen een hoofdweg en een zijweg, links of rechts moesten gaan of juist rechtdoor, afslachting had hij gezegd en liet de rest gevoegelijk aan Janus over die alleen maar wantrouwend in de achteruitkijkspiegel zit te loeren om te zien wat er met Alma gebeurt, mijn grootste schat zegt hij, op haar heb ik onze laatste hoop gevestigd, zij is mijn beleg, het heeft er alle schijn van dat zij alles kan spelen, helaas alleen geen weduwe, omdat volgens hem iemand geen weduwe kan spelen die niet uit eigen ervaring weet wat het is om weduwe te zijn, Mor probeert de weduwe die op dat tijdstip nog geen weduwe is, tot ongenoegen van Janus, met blazen op temperatuur te krijgen, met niets meer aan dan een ragdun kleedje was ze aan komen lopen, een figuur die uit het niets in de sneeuwstorm opdook, Janus zag haar te laat, stukken vlees die tegen de spatborden kwakten, bosjes haar, overal dwarrelende veren ontelbare onherkenbare ledematen waarvan sommige op de motorkap bleven liggen, de struggle for life en puur lijfsbehoud maakte het voor ons onmogelijk haar een colbertje of een trui te lenen, alleen warme gevoelens van tederheid (Janus) van medelijden (ik) van hartstocht (Mor) van een mengeling van zusterlijke saamhorigheid en afgunst (de gedeserteerde) van geiligheid (een agent) hadden we over om de weduwe die toen nog geen weduwe was en naar de opengevallen plaats solliciteerde te redden, bovendien vertrouw ik haar niet helemaal had Janus gezegd in zijn hoedanigheid van intendant, chauffeur, regisseur, souffleur, jeune premier, penningmeester en pretendent, maar eerder met een schuins oog op Mor en, indien hij eerlijk was geweest, bedoelend dat hij zichzelf niet helemaal kon vertrouwen, van de kostuums in de achterbak konden we geen gebruik maken omdat het slot bevroren was. Janus heeft het over een nieuwe ijstijd en heeft het kennelijk nog steeds over de slager die de vrouw uit zijn verleden volledig in zijn macht heeft, geboeid als ze is, volgens Janus, door het blikkeren van de messen en bijlen. Ik had de indruk iets in het midden te moeten brengen, iets dat afdoende zou zijn, kort maar krachtig, iets dat het verhaal van Janus op het rechte spoor brengt en tegelijk iets dat uitsluitsel verschaft inzake de geheimzinnige voorspelling van Mor over een afslachting die ons in de nabije toekomst te wachten staat. Hij haalt, als ik mij omdraai, een in het scherpe licht van de maan, die opeens tussen de uiteenschuivende wolken en dankzij een fortuinlijke windvlaag die even, een fractie van een seconde, de sneeuw wegblaast zichtbaar wordt, flikkerend pennenmesje uit zijn vestzak en, waag haar niet op jouw gesteriliseerde manier te opereren schurk, ook al is elk uitstel fataal, snauwt Janus, de auto langs stilstaande vrachtwagens en tussen struiken door laverend, snijdt het uiteinde van een verse sigaar af. Haar verzuchting die mij voor het verdere verloop van de reis belangrijk leek gaat in een geweldig geraas ten onder, en ook de opmerking, die mij op de lippen brandde gaat als we in een tunnel verdwijnen verloren. Te laat.

 

Mor fluit een wijsje. Alma hult haar broze lijfje geheimzinnig in de wijde pelsmantel en zingt iets over een rozenvingerige zon, zelfs dat wordt door Janus op hemzelf betrokken. Zorgeloos neurie ik een vrolijk lied. Misschien fluit ik ook wel. Alles ziet er immers zo ongerept uit, nu de thuishaven in zicht is en ik lenige vingers in mijn hals voel krabben zodat ik behagelik mijn nek langs de bovenkant van de stoel schurk. Janus vervolgt, ik was helaas te laat, terwijl hij ondertussen iets in het handschoenenvak zoekt, iets kleins, iets belangrijks, waarschijnlijk iets zachts, iets dat hem, zolang hij het niet gevonden heeft, belet verder te rijden. De onaangename momenten van de reis sla ik, nu de reis voorbij is, over, hoewel volkomen verdraaid door de bewuste persoon, die ik het liefst volkomen zou negeren, weergegeven zal iedereen weten waar ik op doel. Zo niet, des te beter. Hoe het zij, Alma was daarna weduwe, Mor moest voortaan met één been minder door het leven, wat op zich geen ramp was omdat hij toch nooit liep, maar moest zich bovendien, wat erger is, waarschijnlijk voor de rest van zijn toch al armzalige leven behelpen met een vibrator, glacéhandschoenen en een hulpstuk te bevestigen aan neuspunt en tong, over mijzelf zwijg ik liever ofschoon ik bij het ongeluk toch een vader verloor of op z’n minst de vader van een goede vriend, het omgekeerde is een mens vaak liever maar dat heb je nu eenmaal niet voor het zeggen, Janus was de enige die er op vooruitgegaan was. Tijd van vertrek, half trein half lopend. We vervolgden de reis vol goede moed in een truck waarvan we de oplegger, volgeladen met lawaaierig en later ingevroren pluimvee, op een parkeerplaats hadden achtergelaten. Als we zo doorgaan komen we te laat, klaagt Janus non-stop, denk aan de contracten, denk aan ons spelritme, denk aan mijn toekomst, zo is het leven, aldus Mor, zo is het leven nu eenmaal, hard voor de zwakke, keihard als het moet, mild voor de sterke. Als ik mij omdraai om aan de speels krabbende vingers in mijn nek en nu ook onder mijn oksels gehoor te geven wacht mij teleurstelling, met een pardonnetje van niks plukt de weduwe het jonge poesje van de hoofdsteun, dat overkomt mij altijd, waar hang jij al die tijd uit roept Janus, zo is het leven zegt Mor als we inmiddels zonder knalpijp de tunnel indonderen. Hij zou te laat komen om haar te kunnen redden.

 

 

 

Laten we zeggen een dorp, zegt Mor, een stadje zegt Janus, in het midden van de jaren vijftig zeg ik met reminiscenties aan de gezellige jaren tachtig, wat vraagt zij, haar step-in als een rups rekkend trekkend terug op zijn plaats wriggelend, over de zwartbehaarde hand van Mor de jarretels vasthakend, de petticoat stijf krakend alles bedekkend wat we voor de anderen niet wilden weten, de plissérok van achter de achterbank vissend, wat, vraagt zij nog steeds verdoofd door verdriet en het gemis heviger voelend dan ooit, vervuld van smart die zelfs het maagdelijk wit van de sneeuw zwart maakt die haar herinnert aan de bruidsluier en -taart van weleer, quand tu seras bien vieille, when you are old and grey and full of sleep and sitting by the fire take down this book and read and read, ou est la neige d’antan, dit en zelfs iets van de dichterprins schoot haar door het hoofd, de bard uit bergen, wat, vroeg zij aan mij in het bijzonder, met ressentiment aan de jaren tachtig. Waar wij het over hadden, achterdochtig, waar wij op uit waren, uitdagend, op niets, zegt Janus, wij rijden naar dat en dat stadje, dat is alles, en als je het precies wilt weten, de reis gaat naar Landsburen of naar Zandburen, in elk geval moesten we eerst naar Delleburen, Munnekeburen, Wonneburen, Sebaldeburen, Idserdaburen, we zouden door Kleasterburen en Hantumeruitburen komen en heel misschien zelfs door Eibertsburen, Boterburen, Brandsburen, nee niet door Moddergat, Gaarkeuken, Dodemanskisten, Engelsmangat, Sorremorre, en al helemaal niet door Donkerbroek of Ellert en Brammert, maar waarschijnlik wel door Veeneburen, Nijeburen, Saakkerburen, maar ik wil liever naar Zweins verklaart de weduwe koppig, uiteindelijk is zij degene die betaalt. Over de titel van het stuk waren we het gelukkig al eens; Landen, Mensen, Avonturen, vooral het laatste, met als ondertitel Honderd mannen en een meisje, ook dat het een volksstuk en sappig zou worden. Ondertussen worstelde ik met een heel andere vraag, waar kwamen opeens al die vette zwarte hysterische strontvliegen in de auto vandaan? Zaten we nog altijd in dezelfde tunnel, een andere vraag die echter niet van belang was.

 

 

 

Terwijl we over iets zachts rijden, iets dat hoog opspat, dat piept als het piepen niet van de aanjager of van de v-snaar is, in elk geval iets dat bewoog en nadat we er overheen gehobbeld waren nog heviger bewoog en klagelijk jankte, een geluid dat ons de hele reis zou achtervolgen, liep de vrouw uit Janus’ verhaal de trap op, het woord collega zelfs ex-collega kon ik na alles wat hij verteld had niet meer over de lippen krijgen, de zwartgeverfde haren losgekamd tot op haar billen vallend golvend, draaiend met alles wat aan haar bewoog en ons bewoog, behendig de grijpgrage handen van de slager ontwijkend die haar nazat, dat zal duidelijk zijn. Hij had uit veiligheidsoverwegingen zijn hoed op het hakblok laten liggen, met een welgemikte klap gekliefd, vertelt Janus smakelijk, voordat hij de winkeldeur op slot deed en een bordje ophing, een tekst die gezien de omstandigheden onsmakelijk genoemd moet worden, knoop dat detail goed in je oren, een slappe zwarte vilthoed, de rest kan ik mij op dit moment niet herinneren, zegt Janus, wat er gebeurd moet zijn voordat ze de woning van de slager bereikten, voor hem viel er niks te lachen.

 

 

 

In geen eeuwigheid, zegt Alma gretig, heb je trek vraagt Mor en terwijl Janus uitgestapt is om vloekend en tierend, inwendig misschien toch een beetje zingend, met zijn blote handen, want over ander gereedschap beschikten we niet, de auto uit de sneeuw te redden, haalt hij uit de citybag die hij angstvallig als een engeltjesmaker buiten dienst tussen zijn benen geklemd houdt een broodje warme worst een kippenpoot in pindasaus een hotdog en zelfs iets anders dat dampt en er warm uitziet en laat, een broodje pekelvlees al in zijn mond, aan Alma de eerste keus, en de vrouw in Mor’s verhaal loopt, danst mag je wel zeggen, vertelt hij, naar de tafel waar ze op de weegschaal gaat zitten. Nee dat kan niet waar zijn. Hij zit op het hakblok, daar slaapt hij op, vertelt hij, zij laat zich echter niet intimideren door de lijken die in zijn woonkamer aan haken hangen, ze houdt de eer aan zichzelf, met haar naaldhak tekent ze figuren in het zaagsel op de tegelvloer en in plaats van te vragen wie dat allemaal zijn die daar op de familiefoto’s poseren, eerste prijs hier, eervolle vermelding daar, zegt ze, lekker fris is het hier, als je wilt kan het nog kouder, wat kan zoon onbehouwen vent in het gezelschap van een gewoonlijk onbereikbare daarom des te heviger begeerde en vanwege de onoverbrugbare afstand gehate dame, dame briest Janus, dame, anders zeggen (‘als je wilt kan het nog kouder’) als hij vreest dat het gesprek gaat stokken en niet toekomt aan datgene wat zijn hart begeert. En in deze slechts door een spaarzame tl-buis verlichte scene zien we de stompe met rossig borstelig haar begroeide handen over de knetterende nijlons strijken en terwijl haar handen op hun beurt de knobbels op het spekgladde hoofd betasten zit Janus krampachtig voorovergebogen over het stuur, de verwarmingsschuif regelend tot ze afbreekt, met de andere hand de aansteker indrukkend telkens als die met een klik eruit springt, uit verveling het klokje ronddraaiend, en nog steeds in het handschoenenvakje zoekend naar iets dat van levensbelang geworden schijnt te zijn, vrolijker dan we hem in dagen hebben meegemaakt. Het is voorbij zegt hij. Dat spreekt vanzelf. Een witte vlek noemt hij het. Spijt, een ander woord, toen was het spijt, nu is het hooguit spijt over die spijt. Een dieet, elke dag een veldloop van tien kilometer, wat hersengymnastiek en ze is onze man, met een kennersoog taxeert hij de weduwe in het spiegeltje terwijl zij zichzelf, waarschijnlijk met andere maatstaven, in haar eigen spiegeltje taxeert, want in deze gezegende toestand is ze te zwaar voor ons, de goeierd, hij had niet eens in de gaten dat Mor verdwenen was, aan haar ogen te zien en naar haar niet met de bewegingen van de auto overeenstemmende bewegingen te oordelen wist zij er meer van, wat een heerlijke rit klonk haar verzuchting maar waar blijft de afslag waar jullie alsmaar over bakkeleien.

 

 

 

De slager is opgestaan. Welke slager? De edelslager, zegt Janus, dat hoef je niet te vragen. Met katachtige sprongen verplaatst hij zich door zijn heiligdom. Welk heiligdom? Boven de winkel, zegt Janus, waar hij met zijn tweede vrouw en zeven kinderen woont, dat weetje toch. Satanisch sluipt de heer van het vlees met een wolk voor zijn mond om zijn slachtoffer heen. Satanisch? (Mor) Een wolk, een balloon bedoel je (weduwe). De heer van het vlees? (ik), het vlees van de heer (Janus), niet allemaal tegelijk, het gaat om een modelslagerij. Hij streelt het gewillige vlees, stroopt een bandje van een schouder, likt aan de paarse stempels die afgeven, trekt speels aan een staartje, zo luidde de versie van Mor, achter mij wordt geschreeuwd, door het zijraam zie ik vertrokken gezichten, haar lippen wijken vaneen en haar tongpunt glijdt langs paars bevroren lippen als zij hem de scherpte van de messen ziet keuren met in de linkerhand twee spekhaken en in de rechter het formidabele mes waarvan ze altijd gedroomd heeft als ze in de armen van een ander lag, in een rol die ze alleen aan mij te danken had, vertelt Janus, waarvan ze zelfs in haar stoutste dromen niet durfde dromen, een mes waaraan ze zou willen likken, en even lijkt het alsof de stille getuigen die aan de glimmende stangen hangen haar bemoedigend toelachen en lijkt het alsof ook de weduwe nadat ze haar pruik heeft afgedaan verdwenen is zodat er op de achterbank niets meer te zien is dan de hoed van Janus en mijn margarinedoos met inhoud en alleen geklak geknars geroffel blikkerig tikken schuren druppen te horen is, nog afgezien van de huilende wind buiten die de auto doet springen en buitelen alsof met ons een spelletje wordt gespeeld, alsof we een muis zijn waarmee een kat aan het spelen is, terwijl het toch allesbehalve een spel is getuige de sirenes op straat, de zwaailichten, de oploop onder het raam, het bloed dat langs de trap naar buiten stroomt, de doormidden gekliefde hoed met onbestembare brei erin, de vier vingers van de slager naar zou blijken die een voor een, tergend langzaam, de trap afrollen, de afdruk van een bloedende hand op de etalageruit, het varkensoor in haar slip, dat alles kon toch moeilijk voor een spel worden aangezien, als het een spel was dan wel een zeer macaber spel, zegt Janus, hoewel de slager zelf het tegendeel beweert en ondanks het feit dat onze actrice en de vrouw van de slager, die op het moment van de moord samen met haar drie broers onderweg was naar haar op sterven liggende vader en, nadat ze door een sneeuwstorm overvallen waren en door de verkeerschaos opgehouden, gevieren onderweg naar de begrafenis van hun vader die tijdens de sneeuwstorm bij een botsing met een vrachtwagen betrokken was geweest, de duizendste treffer dat jaar en het was pas maart, in elk geval een vermeldenswaard getal, bovendien hadden zijn kinderen hem altijd al verdacht, had hij in de oorlog immers al niet zwart geslacht en had hij na de oorlog zijn geboortedorp zogenaamd nooit durven verlaten, dikke vrienden geworden zijn, zegt Janus, betekende dit voor ons dat we nog maar eens goed moesten nadenken over de zin van ons werk, waarvan afhing of we wel naar Noorderburen zouden gaan, al werd daar op ons gerekend, en niet liever onze krachten zouden sparen en naar het westen rijden om daar onze verre vrienden te helpen bij het opbouwen van een nieuwe toekomst, geen dank graag gedaan.

 

 

 

Nog was het niet zover. Het zou jaren duren voordat de geschiedenis in zijn volle omvang tot ons zou doordringen en ons, de meer gevoelige naturen niet te na gesproken, niet meer zou verlaten. Herhaling prentte het in het geheugen, niet bokken, nooit bokken, zo was ons geleerd, bid tot de heilige Vaseline en je glijdt als een nuchter kalf door het leven. Tot zover wat mijn persoon betreft, niet helemaal ontevreden, ik mocht immers niet mopperen, maar zeker ook niet tevreden, over de anderen kan ik niet meepraten. Volgens mij stonden we stil, ik weet niet hoe lang al laten we zeggen geruime tijd, ik meende zelfs dat de motor het begeven had tegelijk met mijn innerlijke weerstand waarschijnlijk, de onderdelen floepten er halfgesmolten lauw halvarine-achtig uit, dat is het enige wat er van buitenaf te zien was geweest. Waartoe al die jaren van inspanning met opzijschuiven van iedereen zonder enige uitzondering en verwaarlozen van alles en nog wat, zonder de hoognodige gezondheid in acht te nemen, met slechts dat ene doel voor ogen, uiteindelijk dienden en zouden leiden heb ik in het voorbijgaan aangeroerd. Waarom ontkennen. Na de winter zou er weer een lente komen, daar waren alle inzittenden heilig van overtuigd geweest, we waren toen van een roerende eensgezinde naïviteit, dat zal nog wel blijken. Zijn inbreng beloofde te veel maar weinig goeds en had daardoor een demoraliserende invloed op de anderen, aldus de officiële versie van je weet wel die mij liever kwijt dan rijk was, zijn verslag een typisch voorbeeld van een waarheid die beter niet kan worden uitgesproken of liever gezegd, want ik werd niet moe voor mijn zaak te pleiten omdat ik vooruit wist hoe snel iets tot een legende kon worden waaraan generaties lang niets meer te verhelpen was, een waarheid die weliswaar woord voor woord klopt nochtans niets maar dan ook niets met de waarheid, waarvoor dan maar een ander woord gezocht moet worden, te maken heeft. Zijn lasterpraatjes stemmen mij ondanks mijzelf toch weer tot nadenken, wat me echter in zijn verhaal het meest stoort is dat aanstellerige kuchje van ‘m. Als de bevolking ons niet geholpen had zouden we nooit zover gekomen zijn, laat ik het daarbij laten. De tocht verloopt verder als een zonnetje. Het landschap is ook niet meer wat het geweest is, zoals helaas voor zoveel geldt, de radioprogrammaas bijvoorbeeld, de geluidskwaliteit is ronduit naatjepet, kakofonisch is de nieuwste hit. Het kan zijn dat we ons beter hadden moeten voorbereiden, dat kun je altijd zeggen. Nu we het ergste gehad hebben, dachten we ons koesterend in het vooruitzicht, was het nog maar een kwestie, laat maar waaien, eind goed al goed, komt tijd komt raad of iets van die strekking, geen zorgen voor de dag van morgen, Janus zong al het lied van de dageraad, het enige lied waarvan hij de tekst kende, de man naast de bestuurder (ik) op de dodemansplaats zoals ik nog zou merken over de zon tegemoet, Alma schallend over broeders en hoeders, pas op, brulde Molnar die zich de hele rit gedrukt had achter ons en nam de leiding, eerst vrouwen en kinderen, het was een lust voor het oog hem te zien redderen, overal was hij tegelijk, alles zag hij, voor iedereen een goed woord over en telkens op tijd aanwezig als het ergens goed fout dreigde te gaan, zonder hem was het een janboel geworden, een geboren leider dat is het beste compliment dat men hem maken kan, de schrik voor alle intellectuele types en andere twijfelaars, de juiste man op de juiste plaats zoals de Engelsen zeggen, pas op brult hij en de bijl mist haar fragiele nek op een haar na, vertelt Janus, helaas te laat, pas op brulde hij en nam het roer over. Hij had het niet langer kunnen aanzien en nam het kindvrouwtje tegen ons in bescherming waarvoor zij hem tot in lengte van dagen dankbaar zou zijn, had zij het dan maar moeten slikken dat haar carrière de mist inging omdat zij op het toneel notabene in een gat als Gaastburen of all places door ons toedoen op de bühne in een echte sneeuwstorm terecht was gekomen waardoor letterlijk alles in het honderd liep, en was het daar nog maar bij gebleven het zou dan een bedrijfsongeval hebben mogen heten maar er was meer geweest, ook de radio bracht ernstige tot zeer ernstige berichten alsof het niet opkon, ik kreeg haast, het ging bergafwaarts met ons, dat kon niet uitblijven, we waren allen het spoor bijster, nogmaals waartoe ontkennen, en natuurlijk gingen we bergafwaarts, steeds sneller naarmate Janus minder uitzicht had, er was, al beweert Mijnheer Daar nu het tegendeel, geen uitweg. Het stoffelijk overschot toont steekwoorden of schotwonden of tekenen van mishandeling, vooral inwendige kneuzingen in haar hoofd, vanitas vanitatum, dat wil zeggen: alles ijdelheid, mij daarentegen is het om het even, rechts of averechts, als ik het maar niet hoef aan te horen, zolang men maar denkt dat ik het niet hoor is mij alles best, de reis, de aankomst, de achterkant van de maan, het kerstpakket en het programma na de pauze, vooral het laatste natuurlijk, geduld zeg ik, alleen dodelijke kalmte kan ons redden.

 

Uit: Alle Vlees